WERK

Ik ben een doener, werk bij één van de grootste werkgevers in Groningen. Ik werk onder de vlag van een ministerie bij een onderwijsgerelateerde dienst. En dat al jaren met veel plezier.

Het is dan in feite wel een kantoorbaan, maar gelukkig kan ik m'n hart ophalen met creatieve en organisatorische uitstapjes en veel werk om de handjes te kunnen laten wapperen, in plaats van alleen data te verwerken.

Ik ben geen slaaf van het systeem, maar probeer sommige zaken zo vorm te geven dat ze voor mij werken, in plaats van andersom, dat vind ik de leukste uitdaging. Verbeteringen en creatieve oplossingen zoeken, dat is mijn ding.

MILITAIRE DIENST

Na mijn schooltijd stond de militaire dienst voor de deur. Dat was geen onverdeeld succes. Ik was ooit goedgekeurd en beschouwde het als een verplichting die ik gewoon moest doen. Hoewel het nooit op een geschikt moment kwam, had ik er op zijn minst "vrede" mee. Mijn sollicitaties, vooral voor uitzendwerk, kwamen niet uit de verf en wanneer ik al op gesprek mocht komen, werd ik niet geselecteerd. Dat was ook niet zo verwonderlijk; zonder een duidelijk plan was het gewoon moeilijk om mezelf goed te presenteren. Zet me ergens neer en je zult zien wat ik kan, maar met alleen maar papieren en cijfers was ik onzichtbaar.

De dag van oproep kwam dichterbij. Op 1 maart 1993 moest soldaat Huizinga zich melden op de Frederik Hendrikkazerne in Blerick, bij Venlo Verder weg van huis kon haast niet en de verstaanbaarheid met "de locals" was een uitdaging. De bedoeling was om een basisopleiding te volgen en vrachtwagenchauffeur bij de verbindingsdienst (distributie en communicatie) te worden op een viertonner, de DAF YA 4440. Hoewel ik wel met dit voertuig reed, op de openbare weg en off-road, voelde het niet goed. Ik had net een jaar of 2,5 een klein rijbewijs, maar nog nooit gebruikt (op advies van mijn ouders had ik het eerder gehaald, maar de eerste tien jaar heb ik er daarna niets mee gedaan). Ik werd er niet enthousiast van. 

Iedere werkdag op de kazerne, ging na het wakker worden op de kamer, de (M)TV aan. De muziekzender stond in elk geval aan tot aan het ontbijt. Nog even op de kamer en daarna het appel, de rest was voor mij te kort om het me goed te herinneren.

[ Wil je de prullenbak op de kamer even legen in de container buiten, dus ik in mijn soldatenkloffie naar buiten, prullenbak in de hand. Kom ik de Luitenant tegen. Die had zoiets van, waar gaan we naartoe? Ik groeten (leek me wel verstandig), daarna zal hij iets gezegd hebben van, "waar is je baret?" Tja, op de kamer natuurlijk. Had ik niet bij stil gestaan. Kon ik mooi even terug met mijn prullenbak, die paar trappen op om mijn baret op correcte wijze op m'n hoofd te zetten. Kom ik weer buiten, staat ie er nog, weer een groet, nu zoals het hoorde en ik kon de prullenbak legen. 't Is eigenlijk het enige wat is blijven hangen, samen met de video en klanken van Marillion's Kayleigh toen we in een kroeg in Venlo waren, kletsen met wat lokale dames (maar ja, onverstaanbaar). Oh ja en de korporaal was aardig en de sergeant was geen nare man. Maar hoeveel strepen enzo, vraag het me niet, zover ben ik niet gekomen. Heb de stormbaan alleen vanuit het raam gezien. ]

 

Echter, op 5 april verliet ik het leger al weer, omdat ik gewetensbezwaren had tegen de tijd die ik daar moest doorbrengen.

Na vijf weken diensttijd, waarvan ik er drie ziek was door een zware griep, kwam ik thuis. Ik had mijn ouders overtuigd van mijn aanpak en besloot gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid om gewetensbezwaren aan te voeren. Bij mijn eerste terugkeer naar Blerick begon het werk direct na het ochtendappèl om 08:00 uur. Om 08:10 uur stond ik al klaar om de vrachtwagen van top tot teen te controleren. Na de koffiepauze om 09:30 uur, ging ik meteen naar de administratie. Daar vertelde ik dat ik een beroep wilde doen op gewetensbezwaren (WGB - Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst). Tot mijn verbazing zeiden ze dat dit niet meer kon, omdat ik inmiddels in week vijf van mijn opleiding zat en binnen vier weken bezwaar had moeten indienen. Ik legde uit dat ik drie weken ziek was geweest en daardoor geen bezwaar had kunnen indienen. Na enkele telefoontjes met het hoofdkwartier in Kerkrade ontving ik een formulier waarop ik mijn ‘gedachten’ moest opschrijven.

Ik schreef het volgende:
‘Ik kan het geweld, het gebruik van wapens en de agressie die door de Koninklijke Landmacht zowel in oorlogstijd als in vredestijd kunnen worden gebruikt bij de uitvoering van haar taken, niet verenigen met mijn geweten.’

Nadat mijn verklaring was uitgetypt, moest ik deze ondertekenen. Vervolgens moest ik door het kamp om handtekeningen van verschillende officieren, de arts, de tandarts, enzovoort te verzamelen. Daarna gaf ik mijn PSU (Persoonlijke Standaarduitrusting) in: jassen, sokken, broeken, schoenen, helmen, enzovoort. Ook leverde ik de voedselbonnen in. Rond 14:00 uur verliet ik de kazerne en ging ik naar het nabijgelegen treinstation. Tegen 18:30 uur was ik weer thuis.

De volgende dag ging ik naar de sociale dienst voor een werkloosheidsuitkering en liet ik me opnieuw verzekeren. De dag daarna bezocht ik verschillende uitzendbureaus op zoek naar werk. Aan het einde van de week stond ik ingeschreven bij zeven van die bureaus.

 

 

Eind april ontving ik een brief van het Ministerie van Defensie: mijn verzoek om uitstel van militaire dienst was goedgekeurd. Ik moest een uitgebreidere verklaring opstellen, een formulier invullen en alles binnen een maand terugsturen. Het belangrijkste was het schrijven van een solide verklaring. Twee vrienden, die hetzelfde proces hadden doorlopen maar nooit met de training waren begonnen, deelden hun militaire documenten, brieven en adressen met mij. Dankzij hun hulp werd het schrijven van mijn verklaring een stuk eenvoudiger. De opbouw van deze verklaringen was namelijk vergelijkbaar, en je moest drie vaste onderwerpen behandelen:

  • Een introductie van jezelf

  • Wat betekent geweten voor jou?

  • Waarom ben je tegen geweld, en wanneer vind je dat onoverkomelijk?

Na zes versies en talloze controles door mij en mijn familie, stuurde ik de uiteindelijke verklaring van drie pagina’s samen met het formulier op.

Eind juni moest ik naar het Defensie-kantoor in de stad voor een gesprek over mijn schriftelijke verklaring. Een oudere man (een burger) interviewde me terwijl iemand anders het gesprek vastlegde. Het gesprek verliep heel ontspannen. De man vertelde dat hij mijn verklaring met veel interesse had gelezen en stelde vervolgens enkele vragen. Hij vroeg bijvoorbeeld wanneer ik voor het eerst had gemerkt dat ik een ‘bezwaard’ geweten had. Waarom dacht ik dat Nederland een leger had? Omdat andere landen ook een leger hebben; het is een kwestie van evenwicht, niet meer dan dat. Maar stel dat de Duitsers ons land (zoals in de Tweede Wereldoorlog) zouden binnenvallen, zou je dan vechten? Ja, antwoordde ik, maar niet met geweld. Ik geloof dat er andere, geweldloze manieren zijn om weerstand te bieden aan zulke indringers. Na dit gesprek was het voorbij; ik zou binnen zes weken de uitslag ontvangen.

Halverwege juli ontving ik een brief waarin stond dat ik niet meer in militaire dienst hoefde te verschijnen, nu of in de toekomst. Vervolgens moest ik een formulier van het Ministerie van Sociale Zaken invullen. Zij zouden mij een baan aanbieden bij een overheidsinstelling zonder winstoogmerk, die ik als vervangende dienstplicht zou vervullen.

In november bezocht ik het Ministerie van Sociale Zaken in Den Haag voor een gesprek. Eerst zocht ik in het computersysteem vijf adressen van banen die mij interessant leken. Na ongeveer een half uur werd er een foto van mij gemaakt voor de nieuwe ov-kaart die bij elk van die banen hoorde. Ik ontving informatie, vulde formulieren in en kreeg een handleiding en een boekje over de relevante wetten. Ondertussen genoot ik van een prachtig uitzicht over Den Haag, Scheveningen en een deel van de Noordzee.

Van de vijf adressen die ik had gekozen, schreef ik verschillende sollicitatiebrieven, had ik twee sollicitatiegesprekken en ging ik uiteindelijk (na een telefoontje uit Den Haag) naar Leeuwarden, naar de financiële afdeling van de Arbeidsbureaus in Friesland. Daar werkte ik 47 weken op kantoor.

 

VERVANGENDE DIENSTPLICHT

Toen de soldatenbonden, zowel de Christelijke als de reguliere, 's avonds een paar keer langs kwamen om de nieuwelingen te informeren over hun rechten, besloot ik lid te worden van de reguliere vakbond VVDM. Ik las hun boekje van voor tot achter en ontdekte dat je een beroep kon doen op de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst, je was dan tegen alle vormen van geweld. Hiervoor moest je een brief schrijven, voor een commissie verschijnen, en het onderwerp geweld bespreken. Ongemotiveerd om nog langer in dienst te moeten was dat geen probleem. Daarna volgde vervangende dienstplicht, wat in mijn ogen me nuttiger werk leek dan het leven als krijger (hoewel ik alle respect heb voor de helden die dat pad wel kiezen). Wel moest je, toch als een soort straf, langer vervangende dienstplicht uitvoeren dan de reguliere militaire dienst.

Wat de vervangende dienst zou inhouden? Misschien werk in een ziekenhuis of als archiefmedewerker? Laatstgenoemde baan had mijn voorkeur, in de stad, dichtbij; ik was toch al met stamboomonderzoek bezig. Het werd echter een administratieve functie bij de financiële afdeling van de arbeidsbemiddeling Friesia - een kans om alvast wat ervaring op te doen. Vanaf dat moment hield ik me bezig met de betalingen voor de arbeidsbureaus in Drachten en Bergum (Burgum). Mijn verblijf in Ljouwert was één en al Frysk, met Radio Fryslân op de achtergrond, collega's die Gerben en Jouke heten, en weerman Hans de Jong die zijn weerpraatje in het Fries deed. Oranjekoek vulde de bureaus. 

VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ

Na het afronden van mijn opleiding ging ik met een nieuw diploma en bruikbare werkervaring op zoek naar een (uitzend)baan. Al gauw vond ik een plek bij een verzekeringsmaatschappij in de stad (Groene Land). Ik vulde er enveloppen met folders, schadeformulieren en andere correspondentie, gaf bromfiets- en verzekeringsplaatjes uit voor scootmobielen. Helaas kon ik na afloop van mijn uitzendcontract niet blijven. Ik heb er met plezier gewerkt met een fijne groep collega's.

Vervolgens zat ik een periode zonder werk. Ondanks mijn inspanningen werd ik niet uitgenodigd voor sollicitaties. Het arbeidsbureau kwam op het idee dat ik een interne opleiding moest volgen om weer in te stromen in “kantoorwerk”. Voor mij voelde het als onzin, want ik had al ervaring en wist precies wat er van me verwacht werd. Maar als dat de enige manier was om verder te komen, dan moest dat maar. 

OVERHEIDSDIENST

Gelukkig werd ik vlot uit deze situatie geholpen. Door mijn huidige werkgever. Ik werd uitgenodigd voor een gesprek en ging uiteindelijk aan de slag bij een van de grootste overheidsdiensten in de stad. Later hoorde ik dat ik was gevraagd in het kader van "maakt niet uit wie er komt, als er maar iemand komt". Het werk bestond voornamelijk uit het verwerken van formulieren. Ik mocht zo af en toe een klasje begeleiden met mijn aangeleerde talenten, maar het was geen "rocket science" natuurlijk. Aan het eind van mijn uitzendcontract werd mijn werkgever, door regelgeving, gedwongen om een behoorlijk aantal uitzendkrachten in vaste dienst te nemen. Ik was één van de gelukkigen. Ondanks dat ik nu vast in dienst was, werd ons constant verteld dat de afdeling binnenkort zou verdwijnen. Maar, de afdeling bestaat nog steeds.

Na ongeveer tien jaar werd ik uitgeleend aan een andere afdeling ter ondersteuning. De sfeer op mijn oude afdeling was ondertussen minder prettig geworden, mede door keuzes die ik had gemaakt. Het werd, om het maar simpel te zeggen, nogal ingewikkeld. Je herkent het misschien: een bord met namen en pijlen, wie kon (nog) met wie. Als het organiseren van een familieverjaardag... Ik vond het wel fijn om die deur achter me dicht te kunnen trekken. Maar ja toen hing ik tussen twee afdelingen, de ene wilde me wel kwijt, de andere wilde me (nog) niet overnemen. Het voelde weer een beetje als in mijn tijd als uitzendkracht, hoewel ik nu garanties had. Het duurde een poos, voor het geregeld was.

Inmiddels zit ik al bijna vijftien jaar op mijn nieuwe afdeling, ik heb het erg naar de zin, ben er helemaal mezelf. En wie het niet zint, zijn/haar probleem.