FAMILIELEDEN

Tjapke Jan Lubbers

Noorddijk 1921 - Delfzijl 2006

x M. Wildeboer

Hoewel hij, net als zijn vader, werd opgeleid tot timmerman aan de Ambachtsschool in Groningen, waar hij in 1938 afstudeerde, zette hij zijn eerste stappen in het vak meteen daarna. Hij ging aan de slag als timmerman op een van de scheepswerven in de omgeving. Hier hield hij zich bezig met de afwerking en betimmering van schepen, een vakmanschap.

Toch lag zijn echte passie bij paarden, en met name bij Shetlandpony’s. Uit krantenartikelen uit die tijd blijkt dat zijn naam regelmatig genoemd werd als eigenaar van ponymerries. Deze dieren namen deel aan de centrale stamboekkeuringen in Groningen en Drenthe, georganiseerd door de Noordelijke afdeling van het Nederlandse Shetlandpony Stamboek, eind jaren zestig. Het was een wereld die hem na aan het hart lag.

In dezelfde periode besloot hij zijn liefde voor paarden verder te verdiepen en bekwaamde hij zich als hoefsmid. In 1968 rondde hij deze opleiding succesvol af met het behalen van zijn rijksdiploma.

Naast zijn werk als hoefsmid en zijn passie voor pony’s runde hij ook zijn eigen bedrijf. Hij was actief als fietsenmaker en handelde in fietsen en bromfietsen, waarmee hij zijn ondernemende kant liet zien.

De invloed van Johny Walker — een levende Shetlandlijn

In de Nederlandse Shetlandfokkerij heeft Johny Walker (NL-H.10) een blijvende stempel gedrukt. Deze zwart-bonte hengst uit de jaren ’30 stond bekend om zijn betrouwbare vererving en sterke bouw. Zijn bloedlijn loopt via hengsten als Bob Walker (S.48 HOL) en Arnaud van Wisch (NSPS S.110, 1944) door naar bekende namen zoals Guus van Bergvrede (NSPS S.195, 1950) en later Ursus van Roden (1962).

In de stamboom van Guus komt Johny Walker zelfs twee keer voor — één keer via vaders- en één keer via moederskant. Dat is geen fout, maar bewuste lijnteelt: een veelgebruikte methode om kwaliteit en rastype te behouden in een kleine populatie.


Dankzij deze hengstenlijn bleven:

✔ correctheid
✔ hardheid
✔ en klassieke rasuitstraling

bewaard. Hun invloed leeft nog altijd voort in de moderne Shetlandpony.

GUUS VAN BERGVREDE

ARNAUD VAN WISCH

JOHNY WALKER

SYLVANO

Diana van Euvelgunne

 

Dionne van Euvelgunne

URSUS VAN RODEN
b 0,95m 1962
SHETLAND PONY

S.367

GUUS VAN BERGVREDE
96cm 1950
SHETLAND PONY

NSPS S. 195

ARNAUD VAN WISCH
101cm 1944
SHETLAND PONY

NSPS S. 110

BOB WALKER
104cm 1939
SHETLAND PONY

S. 48 HOL

JOHNY WALKER
103cm  

SYLVANO

101cm 1932

bron: allbreedpedigree.com


Volgens krantenverslagen was Tjapke Jan (Jack) de eigenaar van de onderstaande pony's. Deze pony's werden gekeurd in Vries, hoewel één van de keuringen in Marum plaatsvond. Het is echter niet helemaal zeker of Jack bij die specifieke keuring ook de eigenaar was. Wat de namen van de pony's betreft, ken ik alleen Trix van Lieveren. Deze pony graasde bij ons, evenals bij beide buren, in het gras. Ik heb zelfs ritjes gemaakt op haar rug.

jaar klasse plaats naam pony evt. (vader) en bijzonderheden
1965 jul merries 4 jr 3A Trix van Lieveren
1967 aug merrieveulens geb. vòòr 29 apr 1967 5 Carin v Euvelgunne gestopt en goed veulen. iets fijn in de benen.
1967 okt oudste merrieveulens 1 Carin v Euvelgunne (Tieme van de Hogehorn) een zeer soortig en diep veulen.
1967 okt middenklasse pony's 5 Belinda van Euvelgunne
1967 okt merries 6 jr 1 Tosca van Loosduinen een vlotte typische merrie.
1967 okt merries 6 jr 2 Trix van Lieveren
1968 okt merries 7 jr 2 Trix van Lieveren bestgaande.
1968 okt merries 7 jr 3 Tosca van Loosduinen
1968 okt merries 6 jr 3 Unette van Nijkerk
1968 okt oudste entermerries 1 Carin v Euvelgunne (Tieme van de Hogehorn) een fraai gelijnde zwarte Carin.
1968 okt oudste merrieveulens 1 Diana van Euvelgunne (Ursus van Roden)
1968 okt jongste merrieveulens 2 Dionne van Euvelgunne (Ursus van Roden)
1969 okt oudste entermerries 1 Diana van Euvelgunne (Ursus van Roden)
1972 sept merrieveulens 1 Rieka (Suldrup Arve) fraai, typisch goed bewegend.

bron: Nieuwsblad van het Noorden (16 december 1968)

bron: Nieuwsblad van het Noorden (28 mei 1969)

In de jaren 60 werd je als hoefsmid gediplomeerd via een Rijksdiploma Hoefsmid, een examen dat werd afgenomen door het Instituut voor Hoefkunde aan de Veeartsenijkundige Hogeschool in Utrecht, voortbouwend op praktijkervaring bij een dorpssmid en mogelijk een leerlingschap, waarbij de traditionele dorpssmid vaak de basis legde voor het vak, inclusief het 'warm' beslaan in de travalje. 

Het Traject in de Jaren '60:

  1. Leerling bij de Dorpssmid: De meeste aspirant-hoefsmeden begonnen als leerling bij de lokale smederij. De dorpssmid oefende vaak de functie van hoefsmid uit en gaf de praktijkervaring door aan de leerling.
  2. Praktijkervaring: Je leerde het vak door direct met de paarden te werken: bekappen, hoefijzers maken en beslaan in de 'travalje' (een speciale hoefstal).
  3. Het Rijksdiploma: Voor de formele erkenning van vakkundigheid was er het examen voor het 'Rijksgediplomeerd Hoefsmid'. Het Instituut in Utrecht: Dit examen werd afgenomen op het Instituut voor Hoefkunde, een onderdeel van de Veeartsenijkundige Hogeschool (nu Universiteit Utrecht). 


Belangrijke context:

 

  • Oude Traditie: Hoefsmeden waren vaak onderdeel van de dorpsstructuur, en de functie was nauw verbonden met de landbouw en het leger.
  • Evolutie naar Modernisatie: Hoewel de basis traditioneel was, evolueerde het vak. Tegenwoordig is het een MBO-opleiding, maar in de jaren '60 was het meer een ambachtelijke route. 

Kortom, je werd gediplomeerd door praktijkervaring op te doen bij een meester-smid en vervolgens te slagen voor het officiële examen in Utrecht voor het Rijksdiploma. 


Aan het eind van de jaren zestig stond het Instituut voor Hoefkunde in een overgangsperiode. Waar paarden vroeger onmisbaar waren geweest in transport, landbouw en leger, waren ze inmiddels grotendeels vervangen door tractoren, auto’s en machines. De noodzaak om paarden beroepsmatig in topconditie te houden nam daardoor sterk af. Alleen in de paardensport en bij maneges bleef de belangstelling bestaan, wat vanaf de jaren zeventig zelfs weer tot een lichte groei van het aantal paarden leidde.

Rond 1968 werd duidelijk dat de tijd van grootschalige hoefkunde-opleidingen verbonden aan de veeartsenijschool voorbij was. De maatschappelijke rol van het paard was veranderd en daarmee ook de behoefte aan een gespecialiseerd instituut. In dat jaar kwam er een einde aan de functie van het Instituut voor Hoefkunde, dat vanaf 1917 meer dan vijftig jaar het centrum was geweest van onderwijs en kennis over paardenhoeven.

vrij naar Erfgoed Utrecht > verhalen


Verder vond ik nog deze advertentie, blijkbaar word je toch een keer te oud voor zo'n ding...

Na de bevrijding in 1945 sloot Jack zich regelmatig aan bij de NBS (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten). Hoe actief hij hierin precies was en of hij daadwerkelijk een concrete bijdrage leverde, blijft onduidelijk. Wat wel vaststaat, is dat hij de nodige indruk maakte – of misschien juist de nodige opschudding veroorzaakte – terwijl hij rondreed op een in Ten Boer gevorderde DKW-motor, vermoedelijk afkomstig van de Duitse Wehrmacht. Een jong boefje van 24...

door AI gegenereerde afbeelding   ►►

bron: Nieuwsblad van het Noorden (5 jul 1951)