Tussen regels
Ze begonnen met een foto.
Een onscherpe MMS, ergens op een maandagochtend in januari. Hij vroeg of ze hem had ontvangen. Zij zei ja. Hij vroeg of hij er nog één mocht sturen. Zij zei: is goed.
Het was niets bijzonders. En toch bleef hij daarna schrijven.
In het begin ging het over kleine dingen. Werk. Telefoons die niet deden wat ze moesten doen. Een wachtwoord dat kwijt was. Een virus dat waarschijnlijk niets voorstelde maar toch opgelost moest worden.
Hij loste het op.
Hij loste alles op.
Niet omdat het moest, maar omdat hij het leuk vond. Omdat zij reageerde. Omdat haar naam op zijn scherm verscheen en hij dan even rechtop ging zitten, alsof iemand hem had aangekeken.
Ze werkte op een kamer verderop. Soms zagen ze elkaar niet eens die dag, maar spraken ze elkaar vaker dan collega’s die naast elkaar zaten.
Hij stuurde berichten zoals anderen ademhaalden.
“Ben je er nog?”
“Druk zeker?”
“Laat maar hoor 😉”
Altijd luchtig. Altijd een grapje. Altijd een opening.
Zij antwoordde meestal.
Kort. Nuchter. Praktisch.
Maar ze antwoordde.
En dat was genoeg om door te gaan.
In april werd het een ritme.
Ze mailden zoals anderen chatten. Zinnen zonder hoofdletters. Woorden die uitgerekt werden tot geluid. “Doeiiiiii.” “Laterrrrr.” Alsof het belangrijk was dat de ander hoorde hoe het klonk, niet alleen wat er stond.
Hij wist wanneer ze pauze had. Wanneer ze bijna vrij was. Wanneer ze te druk was om echt te reageren, maar toch iets terugstuurde.
Hij begon haar te missen op momenten dat ze er gewoon nog was.
Hij noemde haar zijn favoriete collega.
Niet hardop, maar wel in woorden die daar net naast zaten. Hij zei dat hij veel over had voor vrienden. Dat hij eerlijkheid belangrijk vond. Vertrouwen. Dat sommige dingen beter tussen twee mensen konden blijven.
Zij zei dat er op haar afdeling bijna niemand te vertrouwen was.
Behalve hij.
En nog iemand.
Maar dat maakte niet uit.
Hij hoorde alleen dat hij erbij hoorde.
Soms zat er een steek onder zijn grapjes.
Als ze met iemand anders meerijdt, schrijft hij: “leuk ja… voor hem dan 😉”
Hij lacht er zelf bij.
Zij ook, waarschijnlijk.
Maar hij meent het een beetje.
Ze nodigde hem een keer thuis uit.
“Veel persoonlijker,” schreef ze.
Hij las die zin vaker dan nodig was. Liet hem een tijdje openstaan op zijn scherm. Alsof hij iets moest onthouden dat hij nog niet helemaal begreep.
In juni zat hij alleen.
Dat schreef hij ook.
“Ben je er nog… zit hier in m’n uppie…”
Het was een grap, half. Maar ook niet.
Hij begon te merken dat hij wachtte. Niet gewoon keek of er een mail was, maar wachtte. Op haar. Op iets dat van haar kwam en dat zijn dag weer op gang bracht.
Zij had het druk.
Dat zei ze vaker.
Hij geloofde haar ook. Echt.
Maar hij vertaalde het toch.
Druk werd: minder tijd voor hem.
Minder tijd werd: minder behoefte.
Minder behoefte werd: misschien iets kwijt.
Dus schreef hij meer.
Niet zichtbaar meer. Maar net genoeg.
In september ging het mis zonder dat er iets gebeurde.
Hij maakte een grap. (...) Het was overdreven, duidelijk niet serieus.
Maar het ging te ver.
Hij voelde dat meteen.
Hij schreef daarna zorgzamer. Rustiger. Serieuzer.
“Je moet een beetje aan jezelf denken.”
“Ik hoop dat je er snel weer bovenop bent.”
Hij bedoelde het.
Misschien bedoelde hij het al langer dan hij zelf doorhad.
Die week schreef hij dat hij er altijd voor haar was.
Altijd.
Hij zette het bijna in hoofdletters.
Alsof dat nodig was.
Alsof zij het anders niet zou geloven.
Of hijzelf.
Zij bleef antwoorden zoals ze altijd deed.
Niet koud. Niet warm genoeg.
Precies daartussen.
Ze hield de deur open, maar zette geen stap naar voren.
En dat verschil begon ruimte te maken.
In oktober schreef hij een kaartje.
Niet echt een afscheid. Niet helemaal.
“Het was leuk je gekend te hebben…”
Hij maakte er een grap van. Natuurlijk.
Hij maakte overal een grap van.
Maar daarna schreef hij dat hij haar zou missen.
Echt.
En dat hij daar wel overheen zou komen.
Dat laatste was belangrijk.
Voor haar.
Of voor hem.
Na die kaart werd het stil.
Niet meteen. Maar langzaam.
Zoals een gesprek dat niet stopt, maar dunner wordt. Minder vanzelfsprekend. Minder nodig.
Jaren later zou niemand precies kunnen aanwijzen wat het was geweest.
Geen affaire.
Geen vriendschap zoals andere.
Geen gemiste kans die ooit uitgesproken werd.
Het zat ergens tussen regels.
En als iemand het hem later had gevraagd, had hij waarschijnlijk gezegd:
“Gewoon een collega.”
En daarna, iets zachter:
“Maar wel een leuke.”
[ Met hulp van ChatGPT heb ik aan soul searching gedaan. Maak er iets tastbaars van gaf ik mee. Dit rolde eruit. Als het bevalt, wie weet komt er een prequel of sequel. Het was in elk geval goed het eens op papier te zetten en het van me af te kunnen schrijven. Het werd tijd. ]