Australië
De belofte was ouder geworden dan ikzelf had verwacht.
In 1990 stond ik samen met Annelie in Amsterdam afscheid te nemen. Zij was mijn Zweedse penvriendin, een van die mensen die langzaam je leven binnenkomen via brieven, kaarten en eindeloze verhalen over een wereld die groter leek dan je eigen omgeving. Ze had een paar dagen bij mij in Groningen gelogeerd en op haar laatste dag was ik met haar meegereisd naar Amsterdam. Daar hadden we afgesproken dat ik ooit naar haar toe zou komen. Eerst was het plan eenvoudig geweest: een bezoek aan Mariestad in Zweden, ergens in de zomer van het jaar daarop. Maar het leven trok zich weinig aan van plannen. Zij begon te reizen. Eerst naar Amerika, daarna naar Australië. Iedere paar maanden leek ze weer ergens anders te wonen. Toch bleef die ene afspraak ergens in mijn hoofd hangen. Een belofte is een belofte, ook als die aan de andere kant van de wereld eindigt.
In 1999 besloot ik dat het genoeg was geweest. Het jaar 2000 zou het jaar worden waarin ik eindelijk dat tegenbezoek bracht. Ik had nog nooit gevlogen. Ik was nog nooit buiten Europa geweest. Toch begon ik de reis te plannen alsof ik dit al jaren deed. Wanneer ik zou gaan, hoe lang ik zou blijven, welke plekken ik wilde zien. Annelie hielp mee vanuit Australië. Ze schreef dat ze uitstapjes zou regelen en dat ik tijdens mijn verblijf zoveel mogelijk van Queensland moest zien. Vier weken Australië. Alleen die woorden klonken al onwerkelijk.
Op 31 januari 2000 ging om vier uur ’s ochtends de wekker. Buiten was het donker en stil. Terwijl ik mijn spullen controleerde drong langzaam tot me door dat ik werkelijk onderweg was naar Australië. Rond half zeven vertrok ik richting Schiphol. Ik herinner me nog hoe onwerkelijk het voelde om daar tussen al die internationale reizigers te lopen, alsof ik per ongeluk in een filmdecor terecht was gekomen. Mijn koffer woog 17,9 kilo. Mijn leven voor de komende maand paste in één tas.
Bij de gate nam ik een laatste drankje. Daarna stapte ik aan boord van KLM-vlucht KL843 naar Sydney. Boeing 747-400. Stoel 44A. Raamplaats, net achter de vleugel. Ik keek naar het enorme toestel en probeerde me voor te stellen dat dit ding daadwerkelijk ging vliegen. Toen we eindelijk toestemming kregen om te vertrekken voelde ik de motoren sterker worden. Honderd kilometer per uur. Tweehonderd. Driehonderd. Daarna kwamen we los van de grond.
Dat was het dus.
Mijn eerste vliegreis ooit begon met een vreemd soort teleurstelling. Geen paniek. Geen dramatisch moment. Alleen een langzaam verdwijnend Nederland onder mij.
Urenlang keek ik naar de trillende vleugel naast me. Onder ons schoven landen voorbij die ik alleen kende van schoolatlassen: Duitsland, Polen, Rusland, de Kaspische Zee, Turkmenistan. Buiten was het min vijfenvijftig graden terwijl wij met meer dan duizend kilometer per uur richting Azië vlogen. Ik sliep nauwelijks. Alles was te nieuw. Zelfs de kleine cijfers op het scherm met hoogte, snelheid en buitentemperatuur hielden me bezig alsof ik een kind was dat voor het eerst een cockpit zag.
In Singapore stapten we uit om te tanken. Het vliegveld zag eruit alsof het rechtstreeks uit de toekomst kwam: glas, marmer, tapijt overal. Alleen de winkels waren dicht. Dat vond ik bijna beledigend. Ik wilde iets kopen, al was het maar een kaartje als bewijs dat ik werkelijk aan de andere kant van de wereld stond. Buiten miezerde het. Binnen was het stil. Nog ruim zesduizend kilometer tot Sydney.
Toen we Australië naderden zag ik vanuit het vliegtuig de Blue Mountains liggen. Dat moment staat nog steeds in mijn geheugen gegrift. Niet omdat het spectaculair was, maar omdat ik ineens besefte hoe ver van huis ik was geraakt. Sydney voelde niet meer als een naam op een kaart. Het lag onder mij.
Op de luchthaven liepen kleine speurhonden tussen de reizigers door. Alles werd gecontroleerd. Mijn paspoort, mijn visum, mijn bagage. Een douanebeambte liet me al mijn spullen op een band leggen. Daarna mocht ik doorlopen.
“Welcome to Australia.”
Meer had ik niet nodig.
Daarna volgde nog een binnenlandse vlucht naar Brisbane, in een veel kleiner toestel. Opnieuw zat ik aan het raam. Toen ik eindelijk in Brisbane aankwam stond er een taxibusje klaar waarin ik de enige passagier was. Terwijl we in het donker noordwaarts reden werden we ingehaald door enorme vrachtwagens. Af en toe verscheen er een waarschuwingsbord voor overstekende kangoeroes. Alles voelde alsof ik in een andere werkelijkheid terechtgekomen was. Rond kwart voor tien arriveerde ik in Currimundi, in een bewaakt bungalowpark vlak bij Caloundra. Na negentien uur vliegen was ik eindelijk op mijn bestemming. Ik nam een douche, dronk iets en viel vrijwel direct in slaap.
De volgende ochtend werd ik wakker met het geluid van vogels die ik nog nooit had gehoord. Geen grijze Nederlandse lucht buiten, maar zon en warmte. Annelie nam me mee naar Caloundra. Ik haalde mijn eerste Australische dollars uit een geldautomaat en at fish and chips aan het strand terwijl de oceaan voor ons lag. Het voelde vreemd eenvoudig. Alsof ik niet duizenden kilometers van huis was, maar gewoon een andere versie van mijn leven binnengewandeld was.
Niet lang daarna begon het echte reizen. Vanuit Nambour nam ik de Tilt Train naar Rockhampton, ruim achthonderd kilometer noordelijker. In de trein kon ik via camera’s voorin meekijken over het spoor terwijl buiten het landschap van Queensland voorbijtrok. Ik zag urenlang bossen, vlaktes en kleine plaatsen die leken te verdwijnen zodra de trein voorbij was.
Rond Rockhampton bezocht ik een cattle station waar vee werd verkocht alsof ik midden in een westernfilm stond. Overal mannen met grote hoeden, stoffige terreinen en pick-uptrucks. Later reden we kilometers een oprijlaan op naar een afgelegen boerderij voor thee. Die avond zag ik een rodeo achter een lokale bar. Terwijl ik daar stond dacht ik voortdurend hetzelfde: ik ben hier echt.
Ik bezocht Keppel Island, reed langs Keppel Bay en keerde daarna terug richting de kust. Steve Irwin's Australia Zoo.
Het indrukwekkendste deel van de reis begon bij O’Reilly’s Rainforest Guesthouse in Lamington National Park. Die plek lag midden in de Great Dividing Range, diep in het regenwoud. Ik liep over hangbruggen hoog tussen de boomtoppen en maakte wandelingen door dichtbegroeide bossen waar de lucht zwaar en vochtig aanvoelde. Tijdens de tocht naar Elabana Falls liep ik door het subtropisch regenwoud langs gigantische bomen en beekjes. Bij Castle Crag volgde ik een smalle bergkam met aan beide kanten steile afgronden. Daar voelde Australië niet langer als vakantie, maar als natuur in haar meest overweldigende vorm.
Na die stilte kwam Brisbane als een schok. Ik sliep in een backpackershostel waar nauwelijks meer stond dan een bed. Toch voelde ik me er thuis. ’s Avonds liep ik door Queen Street Mall en ging ik naar The Green Mile met Tom Hanks. Een dag later keek ik Joan of Arc in een oude bioscoop in het centrum. Overdag liep ik doelloos door de stad, gewoon omdat ik dat kon. Niemand kende mij daar. Dat gaf een vreemd soort vrijheid.
Een paar dagen later nam ik de ferry naar Moreton Island. Tegen de avond stond ik op het strand van het Tangalooma Wild Dolphin Resort terwijl wilde dolfijnen langzaam dichterbij kwamen. Ze hadden namen gekregen: Bess, Bobo, Echo, Freddy, Nari, Rani, Shadow en Tinkerbell. Terwijl iedereen om mij heen foto’s maakte stond ik vooral te kijken naar het water, naar die dieren die zonder angst vlak langs mensen zwommen. Het was een van die momenten waarop alles even stil lijkt te vallen.
Later reisde ik naar Noosa Heads, waar ik souvenirs kocht en uiteindelijk een didgeridoo meenam. Toen op naar Fraser. Een bus reed rechtstreeks over het strand, langs gekleurde zandduinen, een oud scheepswrak en eindeloze kustlijnen. Rainbow Beach dankte zijn naam volgens Aboriginal-verhalen aan een regenboog die daar ooit uit elkaar was gespat. Fraser Island zelf voelde alsof Australië al het mooiste van het land op één plek had verzameld: jungle, zandwegen, meren, verlaten stranden en wilde natuur. Vier dagen bleef ik daar. Vier dagen waarin ik soms vergat welke datum het was.
Op 24 februari vertrok ik vanuit Brisbane terug naar Sydney. Vlucht AN145. Niet-rokenstoel 21G. Gate 38. Boarding om 14:35. Het toestel vertrok bijna een uur eerder dan gepland en rond vijf uur ’s middags landde ik alweer in Sydney. Ik dacht dat ik alleen nog hoefde te wachten op mijn terugvlucht naar Nederland. Australië zat erop. Dat dacht ik tenminste.
Met mijn bagage liep ik richting de KLM-terminal. Ik voelde me moe, maar tevreden. Vier weken Australië zaten in mijn hoofd opgepropt als een verzameling losse filmscènes: regenwoud, stranden, dolfijnen, rodeo’s, treinen, regenbuien, tropische hitte en eindeloze wegen door een land dat groter was dan ik me ooit had kunnen voorstellen.
Bij de balie kreeg ik een brief in handen gedrukt.
KLM meldde dat vlucht KL844 vertraging had door technische problemen. Vertrek werd verplaatst naar de volgende middag, 25 februari, om 17:15. Eerst Sydney naar Singapore. Daarna door naar Amsterdam. Excuses voor het ongemak, stond er netjes onder, ondertekend door een airport services manager namens KLM Royal Dutch Airlines.
Ik stond daar met die brief in mijn hand en wist niet goed wat ik ervan moest vinden. Aan de ene kant wilde ik naar huis. Aan de andere kant betekende het dat ik onverwacht nog een extra dag in Sydney kreeg cadeau gedaan.
KLM regelde een hotelkamer in het Novotel aan Darling Harbour. Kamer 201. Aankomst op 24 februari, vertrek op 25 februari. Ineens liep ik niet meer als reiziger door Australië, maar als iemand die nog één laatste dag had gekregen voordat het gewone leven weer zou beginnen.
Die avond liep ik langs Darling Harbour terwijl de stad langzaam donker werd. Sydney voelde anders dan Brisbane of de kustplaatsen waar ik de afgelopen weken had gezeten. Groter. Zakelijker. Drukker. Toch hing er iets ontspannen in de warme avondlucht. Mensen zaten buiten op terrassen, taxi’s reden af en aan, overal lichtreclames en geluiden van verkeer en muziek. Ik liep zonder plan door de straten en probeerde te bevatten dat mijn reis bijna voorbij was.
De volgende ochtend besloot ik mijn bonusdag niet te verspillen.
Ik bezocht het National Maritime Museum. Daar lag een replica van de Batavia, het beroemde VOC-schip uit de Nederlandse geschiedenis. Toen ik aan boord stapte voelde het vreemd vertrouwd. Vier weken lang had ik Australië bekeken als een buitenstaander, maar ineens stond ik midden tussen iets Nederlands aan de andere kant van de wereld. Het donkere hout, de smalle gangen, de zware constructie van het schip — alles rook naar geschiedenis. Terwijl ik over het dek liep dacht ik aan de mannen die eeuwen eerder dezelfde oceaan waren overgestoken, zonder vliegtuigen, zonder zekerheid dat ze ooit thuis zouden komen. Mijn negentien uur in een Boeing stelden daar weinig tegenover.
Later die middag keerde ik terug naar de luchthaven. Opnieuw inchecken. Opnieuw wachten bij de gate. Dit keer stoel 22K. Weer een plaats aan het raam. Dat vond ik inmiddels vanzelfsprekend geworden.
Toen het vliegtuig loskwam van de Australische grond keek ik nog één keer naar beneden. Naar de kustlijn. Naar de lichten van Sydney die langzaam kleiner werden. Vier weken eerder was ik hier aangekomen als iemand die nog nooit had gevlogen. Nu voelde het alsof ik een stuk van mezelf achterliet.
Niet bij een plaats.
Niet bij een gebouw.
Maar ergens onderweg tussen al die kilometers, tussen regenwoud, oceaan en rode aarde, had Australië zich ongemerkt in mij vastgezet.