GEZONDHEID

Op missie, met vallen en opstaan

In 2020 werd bij mij diabetes vastgesteld. Toen kon ik nog niet overzien hoeveel invloed dat op mijn leven zou krijgen. Vrij snel daarna werd duidelijk dat het niet alleen om een diagnose op papier ging. De diabetes liet al sporen na: aan mijn ogen, aan mijn zenuwen en uiteindelijk ook aan mijn voeten. Dat laatste zou uitgroeien tot een lang en ingrijpend traject, vol behandelingen, tegenslagen, herstel en aanpassingen.

Ik dacht op een gegeven moment eerlijk gezegd dat alles daarna wel weer onder controle zou komen. Maar daar had ik het mis. Bij diabetes kan iedere verwonding, vooral aan tenen en voeten, een serieus gevaar vormen. Een klein wondje kan ongemerkt uitgroeien tot iets veel groters. Zo ging het ook bij mij.

Wat begon als een klein gaatje, werd langzaam maar zeker een probleem dat zich niet zomaar liet oplossen. Antibiotica moesten de infectie bestrijden, en natuurlijk hoop je dan dat het daarmee klaar is. Maar al snel bleek dat de bacterie niet van plan was te vertrekken. Het werd van kwaad tot erger. Zwaardere medicijnen kwamen in beeld, maar op een bepaald moment was de grens bereikt. We hadden alles geprobeerd. Beter zou het niet worden. De infectie zou blijven en zich uitbreiden.

 

Dan komt de vraag op tafel waar niemand op zit te wachten: wat is de oplossing? In mijn geval luidde het eerste antwoord: amputatie van mijn grote linkerteen. Mijn reactie was opvallend nuchter. Als dit de beste manier was om het probleem op te lossen, dan was ik daar helemaal voor. Vanaf het eerste moment had ik er weinig moeite mee. Ik zag er niet tegenop. Mijn houding was vooral: hoe kan ik verder, wat is de oplossing? Wat er ook moest gebeuren, voor mezelf vond ik het te overzien. Voor anderen in mijn omgeving, en zeker voor mijn moeder, vond ik het soms nog vervelender dan voor mezelf. Maar ik kon het snel een plek geven. Ik heb er geen traan om gelaten.

Alleen bleef het daar niet bij. Het bleek al gauw dat, als die ene teen eraf moest, het uiteindelijk verstandiger was om alle vijf de tenen van mijn linkervoet te amputeren. Ook toen dacht ik: als dit nodig is om het probleem op te lossen, dan is dit wat we gaan doen. Zo gebeurde het ook. De operatie slaagde en daarna begon het herstel. Op naar de volgende fase, dacht ik.

Maar toen kwam de controle via de MRI-scanner. Die moest bevestigen dat alles schoon was. Dat bleek niet zo te zijn. De infectie zat er nog. En dus moesten we opnieuw in oplossingen denken. Het nieuwe recept was ingrijpender: amputatie van mijn linkeronderbeen, tot onder de knie.

Mijn reactie daarop was bijna even nuchter als de eerste keer. “O, oké.” Achteraf verbaast het me zelf nog het meest hoe ik daarmee om wist te gaan. Ik deed er niet moeilijk over. Opnieuw kon ik het snel een plek geven. Ik keek er positief naar: oplossen en weer doorrrr. Misschien klinkt dat gek, maar ik dacht echt: er zijn genoeg dieren die ook iets kwijtraken, hun wonden likken, zich aanpassen aan de nieuwe werkelijkheid en daarna gewoon weer verder leven. Dat kan ik ook, vond ik. Voor de mensen om mij heen was het soms moeilijker te accepteren dan voor mijzelf. Zij zagen vooral wat ik verloor. Ik probeerde juist te kijken naar wat er nog wél mogelijk bleef.

Van dat hele traject heb ik veel foto’s gemaakt. Niet omdat het fraaie plaatjes waren, maar omdat ik wilde vastleggen wat er gebeurde. Voor mezelf, maar ook om het later inzichtelijk te kunnen maken. Alleen besef ik heel goed dat zulke medische beelden voor anderen behoorlijk confronterend kunnen zijn. Daarom heb ik ervoor gekozen om dat verhaal ook op een andere manier te vertellen: met Pixar-achtige beelden in een militair thema. Dat thema past eigenlijk verrassend goed bij hoe ik het zelf beleefd heb. Mijn lichaam werd als het ware een strijdtoneel, de infectie was de tegenstander, de medische wereld de ondersteuning, en ikzelf was degene die, hoe dan ook, door moest.

Daarom zie je in die reeks beelden niet alleen de werkelijkheid, maar ook mijn manier van kijken. De soldaat die in de houding staat met prothese en saluut brengt voor mij iets van trots en acceptatie samen: dit is de nieuwe situatie, en ik sta er nog steeds. De andere beelden — de verbandrol als vriendelijke rekruut, de gewonde teen als kleine veteraan, de ingepakte “soldaatjes” in het veldhospitaal — maken het zware onderwerp iets toegankelijker. Niet om de ernst weg te poetsen, maar juist om hem invoelbaar te maken zonder dat alles meteen hard en medisch wordt. Waar gewone wondfoto’s vooral schrik kunnen oproepen, laten deze Pixar-beelden hetzelfde verhaal zien met een zachtere blik. Alsof de strijd, de verzorging, het herstel en de veerkracht in een andere taal worden verteld. Een taal die minder afschrikt, maar wel duidelijk maakt wat er op het spel stond.

Na de amputatie begon een nieuwe missie: revalideren. En dat kostte tijd. Heel veel tijd, als je het mij vraagt. Voor mijn gevoel ben ik veel te lang van de werkvloer geweest. Maar ook die periode heb ik positief opgepakt. Ik merkte dat ik diep van binnen een enorme innerlijke kracht had waar ik op kon terugvallen. Die kracht was misschien wel het belangrijkste van alles wat ik nodig had om door te zetten. Elke dag opnieuw. Want ook in de revalidatie waren er tegenslagen. Dingen gingen niet vanzelf. Maar telkens vond ik weer een manier om de draad op te pakken.

Ik koos er ook heel bewust voor om zoveel mogelijk contact te houden met de mensen om mij heen en met mijn collega’s op het werk. Juist in zo’n periode merk je op wie je kunt bouwen. Wie de moeite neemt om langs te komen. Wie een kaart stuurt. Wie even die hand op je schouder legt. Die aandacht, die hartverwarmende kaarten en bezoekjes deden me ongelooflijk goed. Het gaf me het gevoel dat ik er niet alleen voor stond. Soms voelde het echt alsof ik dacht: ik doe het niet alleen voor mezelf, maar ook voor jou, en voor jou, en voor jou. Zo sterk kon die verbondenheid werken.

Op de revalidatieafdeling was ik op mijn manier een beetje de Max Verstappen van de gang. Stoere zonnebril op, petje op, koptelefoon op mijn knikker en gáán. Lekker racen door de gang, na weer een dag therapie. Gewichten, handfietsen, oefenen, grenzen verleggen. Iedere keer een stukje verder, iedere keer een beetje sterker. Tot het uiterste, omdat ik sterker en sterker wilde worden. En toen ik met een opblaasprothese weer kon lopen, voelde dat als een enorme overwinning. Wat een fantastisch moment was dat. Daarna ging het steeds beter, en uiteindelijk kwam mijn eigen prothese. Net voor mijn verjaardag had ik het revalideren wel zo’n beetje gehad. Het was tijd om naar huis te gaan.

Toch was ook dan nog niet alles meteen geregeld. Voor ik weer kon werken, moest ik eerst een aangepast rijbewijs halen. Opnieuw afrijden, in een automaat dit keer. Daarna moest er nog een auto komen. Maar ook dat lukte, stap voor stap, zo snel als het kon. En toen kon ik zonder al te veel omhaal mijn werkzaamheden weer oppakken. Veel bleef bij het oude. Veel dingen kan en wil ik nog steeds zelf doen. Soms vraag ik om hulp, en dan komen we er samen ook wel uit. Ik hoop nog steeds dat ik op mijn afdeling een voorbeeld mag zijn. Dat ik kan laten zien dat er vaak meer mogelijk is dan je denkt, als je wilt en als je doorzet. Al moet een ander je daar soms wel de kans voor geven. Zelf laat ik me in elk geval niet meer zo gemakkelijk vertellen dat iets niet kan. Ik ga het liever gewoon proberen.

Ondertussen bleef diabetes natuurlijk gewoon diabetes. De ziekte verdwijnt niet omdat één operatie achter de rug is. Het blijft een proces van testen, meten, bijstellen en opletten. In die periode kreeg ik ook Ozempic voorgeschreven, onder andere ter bescherming van de nieren. Mijn gedachte was opnieuw simpel: alles wat helpt, is welkom. Eén injectie per week en dan een week profijt, zo was het idee. Alleen reageerde mijn lichaam daar niet bepaald enthousiast op. Na het eten moest ik soms binnen enkele minuten alweer naar de wc. Ik hield weinig binnen. Ja, ik viel ervan af — zelfs twintig kilo in relatief korte tijd — maar dat was helemaal niet mijn bedoeling. Uiteindelijk voelde ik me er vooral slapjes door en op een gegeven moment had ik genoeg van dat zogenoemde wondermiddel.

En wanneer je dan denkt dat je zo’n beetje alles wel hebt gehad, blijkt er toch altijd weer wat nieuws om de hoek te komen. 

Een van die onverwachte uitdagingen kwam toen ik weer met een elektrische fiets naar mijn werk ging. Zwaar ding, maar handig. Het ritme zat er weer in, al moest ik na aankomst mijn prothese soms even opnieuw goed zetten omdat die wat losser was geraakt tijdens het fietsen. Ik moest wel extra voorzichtig zijn in het verkeer; even stoppen vergde al meer overzicht en concentratie dan vroeger. Maar op een dag stond ik naast mijn fiets te wachten voor een verkeerslicht, kwam er een stevige windvlaag, en ging ik onderuit. Gevolg: een gebroken linkerheup — aan de kant van mijn prothese. Ik heb nog een andere fietser gevraagd me even op de fiets te helpen, omdat ik in eerste instantie dacht dat ik heus nog wel naar huis kon. Dat bleek toch iets te optimistisch. Met veel moeite vond ik een plek om te blijven staan, belde de ambulance en belandde opnieuw in het ziekenhuis. Ook dat hoorde er kennelijk nog bij. Snel opereren, weer herstellen, en weer verder. De fietsrit werd daarna ingeruild voor de veiligere autorit.

En toen kwam er nog een nieuw hoofdstuk bij: de andere voet begon op te spelen. Juist de voet waarvan je hoopt dat die je trouwe steun blijft. De oplossing was dit keer vooral rust. Helemaal niks. Ontlasten, gips, controle. Twee keer per week in het gips, en als je dan toch in het gips zit, kun je er nog iets van maken ook: oranje, roze, geel, blauw, groen — ik heb ongeveer de hele regenboog voorbij zien komen. Daarna kwamen de aangepaste schoenen. Achteraf dacht ik: die had ik vanaf het begin moeten hebben. Maar goed, ook dat probleem kwam uiteindelijk onder controle. Doordat de druk van de voet werd gehaald, kon de wond herstellen. En zo was er opnieuw een hobbel genomen.

Als ik nu terugkijk op alles wat er sinds 2020 is gebeurd, zie ik niet alleen een medisch traject. Ik zie een hele campagne van tegenslagen, aanpassingen, gevechten, rustpauzes, nieuwe routes en kleine overwinningen. Misschien is dat ook waarom het militaire Pixar-thema zo goed past. Niet omdat ik mezelf zie als een held in grote woorden, maar omdat het iets laat zien van de strijdlust, de humor en de veerkracht die nodig waren om hier doorheen te komen. De beelden helpen om dat op een toegankelijke manier te vertellen. Ze verzachten de harde werkelijkheid, maar nemen de kern niet weg. Ze laten zien dat er gewonden waren, dat er verzorgd moest worden, dat er iets verloren is gegaan — maar ook dat herstel, moed en vooruitgang evenzeer deel van het verhaal zijn.

Dat is uiteindelijk ook de reden dat ik dit wil delen. Niet om zielig gevonden te worden, en ook niet om mensen te laten schrikken. Juist niet. Ik wil laten zien dat je veel kunt meemaken en toch vooruit kunt blijven kijken. Natuurlijk mag je jezelf soms even zielig vinden. Dat hoort erbij. Maar blijf er niet te lang in hangen. Pak jezelf op. Adem in, adem uit, kijk wat de volgende stap is en ga verder. Voor mij werkt dat in ieder geval heel goed. Zonder professionele begeleiding, maar met een flinke dosis eigen wilskracht, humor, relativering en de steun van mensen om me heen.

En dus vertel ik dit verhaal zoals het is: eerlijk, met alles wat erbij hoort. Alleen de verpakking is soms wat vriendelijker geworden. Niet minder waar, wel beter te bekijken. Misschien juist daardoor inzichtelijker