PA GAIT OP RAAIS | herinneringstocht voor mijn vader

[ TWEEDE DEEL ]

Kijk, dan kom je ’s ochtends vroeg — voor sommigen is het eigenlijk nog maar nét na middernacht — en dan word je zomaar verwelkomd door deze prachtige verschijning.

Gauw de telefoon erbij en naar het raam. Want ik weet inmiddels maar al te goed: bij dit soort momenten moet je niet te lang wachten. Even met je ogen knipperen en het is alweer voorbij. Twee minuten later kan diezelfde hemel er ineens totaal anders uitzien.

Dus toch maar een paar fotootjes gemaakt, van grote hoogte. Ik was waarschijnlijk niet de enige die op dat moment even naar buiten stond te kijken.

Voor wie het wil zien: laat de wereld af en toe gewoon even de wereld en neem zoiets in je op. Geen gedoe, geen haast, gewoon even kijken en genieten van wat zich voor je neus afspeelt.

Het zijn maar een paar minuten, maar wel van die minuten waardoor ik nét even wat vrolijker aan de dag begin.

En zoals we hier dan zeggen:

’t Kon minder.

De platte pet en het schuitje

Het mysterieuze pakket uit Spijk bij Zevenaar was dus veilig aangekomen. Niet via Hemelpost, maar gewoon:

BBH.

Bij buren hiernaast.

Kijk, zo eenvoudig kan logistiek zijn.

Dus even naar de buren om het pakket op te halen. Ik ging aan de keukentafel zitten en deed de buurman natuurlijk eerst het verhaal. Want tegenwoordig kan ik blijkbaar geen doos meer openmaken zonder daar eerst een historische toelichting bij te geven.

Toen ging die open.

En daar kwam als eerste de platte pet tevoorschijn.

Daarna het schuitje.

Dat schuitje was mooi, maar die platte pet…

Daar was ik écht blij mee.

Want die was nieuw.

Een nieuwe platte pet uit ongeveer 1970.

Ho.

Wacht even.

Nieuw.

1970.

Dat zijn twee begrippen die na ruim een halve eeuw niet helemaal lekker meer naast elkaar liggen.

Maar kennelijk kan dat dus: ruim vijftig jaar oud en nooit gebruikt.

Een soort bejaarde nieuwkomer.

Ik zette hem op.

Of beter gezegd:

ik probeerde hem op te zetten.

En toen begreep ik waarschijnlijk meteen waarom dat ding sinds 1970 zo prachtig nieuw was gebleven.

Hij was een klein maatje.

Je moest voor deze pet blijkbaar beschikken over een behoorlijk strak koppie.

En daar gaat het bij ons Huizinga's natuurlijk mis.

Niet omdat we letterlijk allemaal met een buitenmaats hoofd rondlopen, maar omdat daarboven nogal wat opgeslagen moet worden.

Verhalen.

Herinneringen.

Nutteloze feitjes.

Ideeën.

Nieuwe plannen.

Oude plannen die we nog steeds eens moeten uitvoeren.

Dingen waarvan we absoluut zeker weten dat we ze ooit nog nodig hebben, maar waarvan niemand enig idee heeft wanneer.

Een Huizinga-hoofd is eigenlijk gewoon een zolder.

Niets weggooien. Kan nog van pas komen.

Dus nee, die pet zakte niet bepaald soepel over mijn hersenpan.

Maar wat geeft het.

De platte pet is binnen. Het schuitje ook. Weer twee tastbare stukjes uit de tijd waarin mijn vader zijn militaire jaren beleefde.

En die pet?

Die hoeft helemaal niet perfect te passen.

Na ruim vijftig jaar ongebruikt te zijn gebleven, heeft hij eindelijk een hoofd gevonden dat hem waardeert.

Alleen had-ie op een iets kleiner exemplaar gerekend.

Het schuitje en de ontbrekende draadjes

Ook het schuitje bleek een maatje minder.

Dat begon verdacht veel op een patroon te lijken. Kennelijk hadden militairen vroeger óf allemaal kleinere hoofden, óf wij Huizinga's zijn in de loop der generaties bovenmatig uitgedijd.

Het schuitje was, anders dan de platte pet, wél gebruikt. Maar nog altijd in een prima wollen staat. En eigenlijk vond ik dat alleen maar mooier.

Want nieuw is mooi, maar gebruikt heeft een verhaal (*).

Iemand heeft dat ding gedragen. Het heeft dienst meegemaakt, ergens gelegen, misschien regen gevoeld, zweet gezien en vermoedelijk urenlange militaire verveling doorstaan. Waar, wanneer en op wiens hoofd?

Geen idee.

Maar juist daar zag ik alweer kansen.

Nieuwe verhalen…

Alleen bleef dat maatje minder me bezighouden. Ik zette het schuitje nog eens op, keek in de spiegel en dacht:

Er ontbreekt iets.

Maar wat?

Toen wist ik het.

De draadjes!

Draadjes?

Jazeker.

Thunderbirds are Go!

De legendarische Engelse poppenserie uit de jaren zestig, compleet uitgevoerd in SUPERMARIONATION. John, Virgil, Gordon, Alan en Scott Tracy: allemaal keurig aan draadjes, klaar om de wereld te redden zodra vader Jeff Tracy vond dat het tijd was voor actie.

En ineens zag ik mijn vader daar zo tussen staan.

Jacob Huizinga — International Rescue, Groningen Division.

Schuitje op, ernstig gezicht en klaar voor vertrek.

“Japie, stand by for action!”

Het had hem waarschijnlijk uitstekend gestaan.

Alleen zie ik één praktisch probleem.

Die marionetten werden allemaal keurig bestuurd met draadjes van bovenaf.

Bij mijn vader?

Kansloos.

Daar had Gerry Anderson een complete hijsinstallatie voor moeten bouwen.

Want een paar draadjes waren beslist niet voldoende geweest om die Huizinga in bedwang te houden. Als hij eenmaal iets in zijn kop had, kon je boven aan die touwtjes trekken wat je wilde.

Waarschijnlijk had hij na twee afleveringen zelf de regie overgenomen.

“Thunderbirds are Go!”

‘Joa, rustig aan. Ik bepaal zulf wel woar ik hen goa.’

En ergens vind ik dat schuitje daardoor ineens nóg leuker.

Het past misschien niet helemaal op mijn hoofd.

Maar voor een nieuw verhaal?

Past het precies.

(*) daarna door naar de stomerij.


28 augustus — Gronings Ontzet

Vandaag is het 28 augustus.

Dé dag voor iedere zichzelf respecterende Groninger. Bommen Berend, Gronings Ontzet, bie d’olle Grieze en feest in Stad. Eigenlijk zouden mijn vader en ik vandaag dus volledig volgens protocol moeten handelen.

Groninger vlag uit. Borst vooruit. Iets te vroeg aan de eierbal. Minstens één keer verklaren dat er boven Groningen niets gaat en vervolgens richting binnenstad om daar onder de Martinitoren toe te zien hoe wij Groningers alweer voor de zoveelste keer vieren dat ze ons er in 1672 niet onder kregen.

Pa natuurlijk met zo'n blik alsof hij er destijds persoonlijk bij was geweest.

‘Hebben wie toch mooi even regeld.’

En ik ernaast.

Twee trotse Groningers op oorlogspad.

Alleen…

De werkelijkheid is aanzienlijk minder heroïsch.

Want 28 augustus mag dan voor Groningen een historische feestdag zijn, zodra die datum op een doordeweekse dag valt, is het voor een groot deel van de bevolking gewoon:

werkdag.

Dat was vroeger zo en dat is nu nog steeds zo.

Ik heb tegenwoordig zelfs de vrijheid om zo'n dag vrij te nemen. Niemand die me tegenhoudt. Maar ik weet ook hoe dat gaat. Juist op zo'n dag zijn er meestal al nét iets te weinig mensen. En dan kan ik natuurlijk thuis de Groninger vlag gaan bewaken, maar daar heeft op het werk niemand iets aan.

Dus ben ik er gewoon.

En eigenlijk vind ik dat helemaal niet erg.

I love my job.

Ik vermoed zelfs dat mijn vader het precies zo gedaan zou hebben. Niet te veel poeha. Feest is mooi, Groningen is mooi, maar als er gewerkt moet worden, dan wordt er gewerkt.

Dat is misschien óók wel Gronings.

Geen historische kostuums. Geen heldhaftig paard. Geen musket over de schouder.

Gewoon 's morgens op tijd aanwezig.

En ondertussen natuurlijk wel even beseffen welke dag het is.

Want Bommen Berend mag dan in 1672 voor de poorten van Groningen hebben gestaan, vandaag staat er bij mij gewoon een werkdag voor de deur.

En die komt wél binnen.

Moi pa. Aan het werk.

Feest vieren kan daarna wel.

Er gaat tenslotte niets boven Groningen — behalve het hart voor de zaak. 😄

Special Delivery — bestemming Fryslân

Morgen gaan we opnieuw naar Fryslân.

Dit keer officieel in het kader van Walters Culturele Ontdekkingstour.

Ik dacht dat ik alles prima had voorbereid.

Het programma zat volledig in mijn hoofd. Route bekend, bestemmingen bepaald, Walter geestelijk min of meer voorbereid.

Kortom:

niets kon meer misgaan.

Tot gisteren.

Er lag een brief in mijn brievenbus.

Nu is dat normaal gesproken geen gebeurtenis die onmiddellijk aanleiding geeft tot groot onderzoek.

Post komt wel vaker voor.

Daar is die brievenbus tenslotte ooit voor uitgevonden.

Maar bij deze envelop klopte iets niet.

Of eigenlijk:

bijna niets.

Ik keek naar de naam van de geadresseerde.

Niet voor mij.

Ik keek naar het adres.

Ook niet.

Andere straat.

Ander huisnummer.

Andere postcode.

Andere woonplaats.

Kortom: deze brief had werkelijk geen enkele aantoonbare reden om in mijn Groninger brievenbus te liggen.

Het enige wat correct leek te zijn:

er zat voldoende porto op.

Kijk.

Je moet ook oog houden voor wat wél goed gaat.

Ik draaide de envelop nog eens om en bekeek hem wat beter.

Toen zag ik dat hij ergens in Fryslân thuishoorde.

Natuurlijk.

Want waarom zou een volkomen verkeerd bezorgde brief tijdens mijn herinneringstocht gewoon naar Assen, Zwolle of desnoods Delfzijl moeten?

Nee.

Fryslân.

En de plaatsnaam stond uiteraard keurig in het Fries vermeld.

Inmiddels kijk ik daar trouwens niet eens meer van op.

Een paar weken geleden had ik waarschijnlijk nog gedacht dat er een typefout op de envelop stond.

Nu denk ik:

Ach ja. Fryslân.

Vooruitgang.

Mijn eerste gedachte was simpel.

Brief weer in een brievenbus gooien en de post zijn werk laten doen.

Burgerplicht vervuld.

Klaar.

Tot mijn oog op twee letters viel.

Niet de naam.

Niet het adres.

Gewoon twee letters die onderdeel vormden van de postcode.

RJ.

Ik keek nog eens.

R.

J.

En toen begon het.

De R van Rob.

De J van Jacob.

Mijn vader.

Ik keek naar de envelop.

Toen richting hemel.

Toen weer naar die verrekte brief.

Morgen zou ik toevallig opnieuw naar Fryslân gaan.

En uitgerekend de dag ervoor lag er in mijn Groninger brievenbus een verkeerd bezorgde brief.

Niet voor mij.

Niet voor mijn straat.

Niet eens voor mijn woonplaats.

Maar wel voor Fryslân.

Met uitgerekend die twee letters:

RJ.

Rob.

Jacob.

Ja hoor, pa.

Ik begrijp de boodschap alweer.

Blijkbaar was mijn zorgvuldig voorbereide programma nog niet helemaal compleet.

De reisleiding vanuit hogere regionen had zonder overleg een extra opdracht toegevoegd.

Walter keek naar de envelop.

“You're not seriously going to deliver that yourself?”

‘Walter… RJ.’

Hij keek me aan.

“So?”

‘Rob en Jacob.’

Nog een paar seconden stilte.

Toen kwam zijn oordeel:

“You're both nuts.”

Dat kan.

Maar inmiddels heb ik tijdens deze tocht geleerd dat je sommige toevalligheden vooral niet te ingewikkeld moet proberen uit te leggen.

Soms moet je ze gewoon meenemen.

Letterlijk, in dit geval.

Dus morgenochtend gaat die brief mee naar Fryslân.

Niet omdat ik tegenwoordig een particuliere postdienst tussen Groningen en Friesland ben begonnen.

Ook niet omdat er een officiële opdracht ligt.

Maar gewoon omdat het kan.

Ik moet toch die kant op.

En als een brief die werkelijk niets met mij te maken heeft uitgerekend vlak voor mijn vertrek naar Fryslân in mijn brievenbus belandt, dan vind ik het eigenlijk wel mooi om ervoor te zorgen dat hij alsnog in de goede richting gaat.

Meer hoeft het misschien ook helemaal niet te betekenen.

En toeval?

Ach.

Toeval bestaat best.

Maar het doet de laatste tijd wel verdacht veel moeite om onderdeel van deze tocht te worden.

Zelfs via mijn brievenbus.

Pa, de post is binnen.

Morgen nemen we hem mee naar Fryslân.

Special delivery.

Verkeerd bezorgd

Er lag een brief in mijn brievenbus.

Op zichzelf geen gebeurtenis waarvoor onmiddellijk de Rijksrecherche hoeft uit te rukken.

Alleen was er met deze brief iets bijzonders aan de hand.

De naam klopte niet.

Het adres klopte niet.

De postcode klopte niet.

En ook de woonplaats had werkelijk niets met mijn adres in Groningen te maken.

Kortom:

verkeerd bezorgd.

En niet een beetje.

De brief was bestemd voor iemand in Fryslân.

Dat kwam toevallig goed uit, want de volgende ochtend zou ik voor mijn herinneringstocht toch al die kant op rijden.

Ik besloot daarom te kijken of ik de brief onderweg weer een stukje dichter bij de juiste bestemming kon krijgen.

Maar toen viel mijn oog nog op iets anders.

De postcode.

Niet op de cijfers.

Op de letters.

RJ.

R.

J.

Rob.

Jacob.

Ik keek naar de envelop.

Toen nog een keer.

En daarna, geheel volgens inmiddels gevestigde traditie, even richting hemel.

Ja hoor, pa.

Daar gaan we weer.

Natuurlijk weet ik ook wel dat twee letters in een postcode gewoon twee letters in een postcode zijn.

Toeval bestaat.

Sterker nog: zonder toeval zou het leven een tamelijk saaie aangelegenheid worden.

Maar tijdens deze herinneringstocht heeft toeval wel een opvallend gevoel voor timing.

Een brief die totaal verkeerd in Groningen terechtkomt.

Bestemd voor Fryslân.

Precies op de dag voordat ik daar opnieuw heen zou rijden.

En dan ook nog die twee letters.

Walter keek naar de envelop.

"You're not seriously going to do something with that?"

‘RJ, Walter.’

"So?"

‘Rob en Jacob.’

Hij keek me aan.

Lang.

"Dipstick."

Ook goed.

Ik besloot in ieder geval te proberen de brief weer op de juiste plek te krijgen.

Niet omdat daar een ingewikkelde bovennatuurlijke opdracht achter zat, maar simpelweg omdat ik de volgende dag toch in Fryslân zou zijn en het ineens wel een aardige kleine zijmissie van onze tocht vond.

Dus ging de envelop mee.

Geen uitgebreid onderzoek.

Geen groot plan.

Gewoon een verkeerd bezorgde brief die ik graag op het juiste adres wilde afleveren.

Groningen.

Fryslân.

RJ.

En een rit die de volgende ochtend toch al gepland stond.

Uiteindelijk kwam de brief terecht waar hij hoorde en kon ik verder met mijn eigen programma.

Weer een klein hoofdstuk rijker.

En pa?

Die heeft natuurlijk nergens iets mee te maken.

Absoluut niet.

Maar ik begin inmiddels wel te vermoeden dat hij daarboven een opvallend goed overzicht heeft van mijn routeplanning.

Zelfs de post lijkt zich ermee te bemoeien.


Terug naar het Weidum van mijn vader

Weidum.

Hier bracht mijn vader zijn eerste levensjaren door. Niet zomaar een paar willekeurige kinderjaren, maar ongeveer de eerste vijf jaar van zijn leven — en daarmee vrijwel de gehele Tweede Wereldoorlog.

De familie Huizinga was voor het werk van mijn opa in Fryslân terechtgekomen. En zo groeide kleine Jacob, geboren in Raalte maar met Groningse wortels, zijn eerste jaren op tussen de Friezen.

Dat alleen al vond ik een bijzondere gedachte.

Maar helemaal onbekend was deze plek voor mij niet.

In 2013 was ik hier namelijk al eens geweest.

Samen met mijn vader.

We gingen toen kijken naar de plek waar hij als klein jongetje had gewoond. Ik heb daar nog foto's van. Mijn vader, inmiddels een oude man, terug in het dorp waar hij als kind tijdens de oorlog had rondgelopen.

We bekeken de omgeving en maakten foto's.

En daarna reden we weer verder.

Meer niet.

Destijds vond ik dat blijkbaar voldoende. Het was een bezoek aan een plek uit zijn jeugd, samen met mijn vader die er zelf nog naast stond om erover te vertellen.

Dertien jaar later lag dat anders.

Nu kwam ik alleen terug.

Nou ja, alleen…

Pa ging natuurlijk mee.

Niet meer op de manier waarop dat in 2013 kon, maar inmiddels weet ik dat een overleden vader tijdens zo'n herinneringstocht verbazingwekkend veel kilometers kan maken.

Ik had een bijzondere foto meegenomen. Eigenlijk twee foto's die ik met behulp van AI in elkaar had laten overlopen. Aan de ene kant mijn vader als klein jongetje in Weidum: zwart-wit, oorlogsjaren. Aan de andere kant mijn vader in 2013, opnieuw op dezelfde plek, maar nu in kleur.

Twee momenten uit één leven.

Met ruim zeventig jaar ertussen.

En nu stond ik daar in 2026 als derde moment.

Zonder hem.

Dat maakte het bezoek totaal anders dan dertien jaar geleden.

Ik probeerde me voor te stellen hoe het hier voor hem moet zijn geweest. Mijn opa en oma, mijn vader als klein jongetje en zijn zus. Een Gronings gezin dat door het werk tijdelijk in een Fries dorp terechtkwam en daar tijdens de oorlogsjaren gewoon zijn dagelijkse leven probeerde te leiden.

Hoeveel herinnerde mijn vader zich daar later eigenlijk nog van?

Welke beelden had hij nog in zijn hoofd?

Welke geluiden?

Welke mensen?

Welke gebeurtenissen?

Dat zijn van die vragen die je achteraf bedenkt.

Als vragen stellen niet meer kan.

En juist daarom kreeg dat bezoek uit 2013 ineens veel meer betekenis.

Toen stond hij hier nog naast me.

Ik had hem van alles kunnen vragen.

Misschien had hij verhalen verteld die ik nu niet ken. Misschien had hij naar iets gewezen en gezegd: daar gebeurde dit of daar woonde die. Misschien ook helemaal niet. Mijn vader kennende had het antwoord op een zorgvuldig voorbereide historische vraag net zo goed kunnen bestaan uit drie woorden en een schouderophalen.

Ook dat zou pa zijn geweest.

Maar in 2013 was ik nog niet bezig met deze herinneringstocht. Ik verzamelde zijn leven nog niet zoals ik dat nu doe.

Waarom zou ik ook?

Hij was er toch.

Misschien is dat wel het vreemde aan herinneringen. Zolang iemand er is, denk je dat je alle tijd van de wereld hebt om nog eens iets te vragen.

Later.

Komt nog wel.

Volgende keer.

En dan bestaat die volgende keer ineens niet meer.

Toch voelde mijn terugkeer naar Weidum niet alleen als een gemiste kans. Integendeel.

Ik stond er opnieuw.

Ik wist inmiddels veel meer dan in 2013. Ik keek anders naar het dorp, naar zijn geschiedenis en vooral naar de plaats die Weidum in het leven van mijn vader had gehad.

Niet langer alleen als:

hier heeft pa vroeger gewoond.

Maar als een stukje van zijn levensverhaal dat ik nu zelf probeer vast te houden.

En misschien is dat uiteindelijk waar deze hele tocht om draait.

Niet proberen letterlijk terug te halen wat verdwenen is.

Niet achter iedere deur willen kijken hoe het vroeger geweest zou kunnen zijn.

Maar naar de plekken gaan die iets over hem vertellen.

Stilstaan.

Kijken.

Herinneren.

En daarna het verhaal meenemen.

In 2013 stond ik hier samen met mijn vader.

In 2026 stond ik er zonder hem.

Maar gek genoeg voelde hij deze keer misschien wel méér aanwezig.

We waren weer even samen in Weidum.


Onder de platte pet

‘En Rob, wat staat er morgen eigenlijk op de planning?’

Nou...

Daar kan ik op dit moment nog verrassend weinig over zeggen.

Niet omdat ik niets weet, maar juist omdat ik daarnet ineens een brainwave kreeg. En het verontrustende is: ik had niet eens mijn ogen dicht. Ik was wakker, zat rechtop en voor zover ik kon nagaan volledig bij bewustzijn.

Het lijkt er dus op dat ik dit bij mijn volle verstand heb bedacht.

Dat belooft wat.

Het idee kwam ineens binnenvallen en binnen een paar minuten begon dat Huizinga-hoofd alweer op volle toeren te draaien. Dit erbij, dat regelen, misschien zus, misschien zo... En hoe langer ik erover nadacht, hoe sterker het gevoel werd:

Als ik dít morgen van de grond krijg, wordt het iets ontzettend moois.

Of het gaat werken?

Geen idee.

Dat is inmiddels ook een beetje de charme van deze hele tocht. Ik bedenk iets, stap in de auto en zie onderweg wel hoeveel deuren ik daarvoor moet openen.

En aanbellen kan ik inmiddels.

Ding-dong.

Ik wil morgen in ieder geval iets doen met...

Nee.

Weet je wat?

Ik zeg nog even helemaal niets.

Een beetje spanning mag er ook wel in blijven. Bovendien heb ik de afgelopen dagen geleerd dat je plannen pas echt serieus moet nemen als ze daadwerkelijk gelukt zijn.

Dus voorlopig houd ik mijn mond.

Morgen zien we wel of deze brainwave geniaal was, of dat Walter alsnog mijn autosleutels afpakt.

Tot die tijd houd ik het idee...

onder de platte pet.

En aangezien die een maatje te klein is, kan er voorlopig ook niemand bij.

Geel-blauw mag ook

De meeste voetbalclubs zijn mij eigenlijk even lief. Of het nu het rood-wit van Feyenoord is, het zwart-wit van Heracles, het rood van FC Twente of dat van FC Emmen — ik doe daar niet zo moeilijk over. Voetbal is voetbal en een mooie club is een mooie club.

Hoewel...

Van huis uit klopt er natuurlijk gewoon een groen-wit hart.

Je kunt een Groninger overal mee naartoe slepen, maar ergens diep vanbinnen blijft dat groen-wit zitten. Dat krijg je er niet meer uit.

Maar er is ruimte genoeg in zo'n hart. Zelfs voor Friezen.

Nou ja...

Heerenveen even niet. Sorry.

Je moet natuurlijk ergens een grens trekken.

Maar Cambuur? Prima. Sympathieke club. Bovendien: geel-blauw, daar kun je moeilijk chagrijnig van worden. En dat springende hert heeft ook wel wat. Ik begin blijkbaar steeds toleranter te worden. Inmiddels laat ik zelfs amateurs toe tot mijn persoonlijke voetbaluniversum.

Welkom VV Heiligerlee.

Zo ruimhartig ben ik dan ook wel weer.

Dus op naar het Kooi Stadion in Leeuwarden. Even sfeer proeven bij Cambuur, tussen het geel en blauw, het hert en alles wat daar bij een echte volksclub omheen hoort.

En natuurlijk kwam mijn vader weer even om de hoek kijken.

Want stel dat hij niet na zijn eerste kinderjaren uit Weidum was vertrokken. Stel dat de familie Huizinga daar was gebleven en hij als Fries jongetje was opgegroeid...

Dan was de kans natuurlijk levensgroot geweest dat hij uiteindelijk bij Cambuur was beland.

Misschien langs de lijn. Sjaal om. Mopperend op de scheidsrechter alsof zijn persoonlijke eer op het spel stond.

Het idee alleen al.

Mijn vader als Cambuur-supporter.

Mijn broer zou waarschijnlijk onmiddellijk een spoedvergadering binnen de familie hebben aangevraagd.

Maar voor deze herinneringstocht vond ik het eigenlijk wel mooi. Dus werd er een Cambuur-sjaal gescoord. Geen bekering, geen transfer en mijn groen-witte hart functioneert nog steeds naar behoren.

Gewoon een klein aandenken aan een leven dat óók anders had kunnen lopen.

Van Weidum naar Leeuwarden.

Van groen-wit naar misschien geel-blauw.

Wie zal het zeggen?

Ik hing de sjaal bij de rest van mijn inmiddels behoorlijk uitdijende verzameling en stapte weer in.

Missie geslaagd.

Cambuur: goedgekeurd.

Walter keek naar het geel-blauw.

“Another football team?”

‘Cultuur, Walter.’

Hij zuchtte.

Dat woord begint hij inmiddels te haten.

Maar geen tijd voor discussie. Het volgende punt stond alweer op de route en daarvoor hoefden we Leeuwarden nog steeds niet te verlaten.

Op naar de volgende halte.

Want mijn culturele inburgering in Fryslân was nog lang niet klaar.

Operatie Oude Wijven

Ik moest en zou.

Er moest toch íéts te bedenken zijn om die Friezen langzaam maar zeker van hun vreselijke Oranjekoek af te krijgen.

Ik zat er thuis in Grunn serieus over na te denken. Want laten we wel wezen: je kunt natuurlijk niet zomaar Fryslân binnenrijden, bij de provinciegrens op de rem trappen, het raampje naar beneden draaien en roepen:

‘Mensen! Het is mooi geweest met die roze troep!’

Dat werkt niet.

Friezen zijn best vriendelijke mensen, heb ik inmiddels ontdekt, maar je moet natuurlijk ook weer niet overdrijven. Aan hun Oranjekoek komen is vermoedelijk ongeveer hetzelfde als in Groningen voorstellen om de Martinitoren een meter of twintig in te korten omdat dat praktischer is.

Dit moest subtiel.

Heel subtiel zelfs.

Het soort subtiel waarbij aanvankelijk niemand iets in de gaten heeft, maar dat uiteindelijk uitmondt in een culinaire aardverschuiving van Elfstedentocht-proporties.

Ik besloot Walter bij mijn plan te betrekken.

Dat was mijn eerste fout.

‘Walter, stel dat we de Friezen eens kennis laten maken met fatsoenlijke Groninger koek?’

Hij keek me een paar seconden aan.

“You want to start a pastry war?”

‘Nee. Een culturele uitwisseling.’

“You're trying to take their orange cake away.”

‘Niet afpakken. Een alternatief bieden.’

“That's how wars start, Rob.”

Daar had hij misschien een punt.

Mijn eerste gedachte was notenkoek van Knol oet Stad. Prachtig product. Stevig. Gronings. Geen gedoe. Een koek waarmee je, als het echt moet, waarschijnlijk ook nog een loszittende stoeptegel kunt vastzetten.

Maar toen begon ik na te denken over noten en pinda's, allergieën en alles wat tegenwoordig bij het uitdelen van eten komt kijken. Straks begon mijn grote Gronings-Friese culturele toenadering met iemand die naar een EpiPen moest grijpen.

Niet helemaal de publiciteit die ik zocht.

Dus op het laatste moment schakelde ik over.

Oudewijvenkoek.

Alleen die naam al.

Walter keek me opnieuw aan.

“Old women cake?”

‘Oudewijvenkoek.’

“You want to win over Friesland by giving them old women?”

‘Koek, Walter. Koek.’

“That's not making it better.”

Nee, aan de internationale marketing moesten we misschien nog even werken.

Maar het plan begon vorm te krijgen. Geen aanval op de Oranjekoek. Geen spandoeken. Geen protestmars door Leeuwarden. Zelfs geen bord met ORANJEKOEK? NEE BEDANKT!

Nee.

We gingen het veel slimmer aanpakken.

Ik zou ergens in Leeuwarden een pak echte Groninger oudewijvenkoek afleveren. Als vriendschappelijk proefpakket uit Stad. Geen voorwaarden, geen oordeel en vooral niet vertellen dat hier een zorgvuldig voorbereid cultureel infiltratieprogramma achter zat.

Gewoon:

‘Ik dacht, jullie laten mij steeds meer van Fryslân ontdekken. Dan krijgen jullie iets terug uit Groningen.’

Kijk.

Dát is diplomatie.

En dan wachten.

Eerst neemt iemand voorzichtig een plakje.

Dan nog eentje.

Een collega vraagt waar die koek eigenlijk vandaan komt.

Een week later rijdt iemand stiekem richting Groningen.

Een maand later verschijnt ergens in Leeuwarden de eerste oudewijvenkoek naast de Oranjekoek.

En vóór je het weet moet de Provinciale Staten van Fryslân in spoedzitting bijeenkomen.

Walter begon zowaar belangstelling te krijgen.

“So basically... we're infiltrating them with cake.”

‘Culturele uitwisseling.’

“Pastry infiltration.”

‘Gastvrijheid.’

“Operation Old Women.”

...

Daarna stapte ik met koek binnen bij Omrop Fryslân.


Het grootste geheim van Friesland

Dokkum.

Die ogenschijnlijk onschuldige Friese stad in it noarden van deze trotse provinsje. Een vriendelijk stadje ook. Mooie gevels, grachten, molens, terrassen. Alles ziet er eigenlijk heel sympathiek uit.

Maar ja.

Wat nu als juist dát Dokkum het grootste geheim van Friesland herbergt?

Zo'n groot geheim dat zelfs de meest authentieke, gezagsgetrouwe en vooral oprjochte Fries zich nauwelijks kan voorstellen dat zoiets uitgerekend daar al die tijd verborgen is gehouden.

En dan hebben we het wel over Dokkum hè.

De stad die in de achtste eeuw toch een wat bedenkelijke reputatie kreeg toen Bonifatius hier in 754 zijn laatste werkdag beleefde. Je zou Dokkum met enige fantasie bijna het Chicago van die tijd kunnen noemen.

Nou ja, zonder Al Capone dan.

Voor zover we weten.

Er moest dus iets zijn. Iets waar men met hart en ziel aan vasthield. Een geheim dat bewaard moest blijven. Bewaakt ook. Vooral niet zomaar naar buiten brengen, want voor je het weet ligt het op straat en dan is het gedaan met eeuwen zorgvuldig Fries geheimhoudingsbeleid.

En zo kwam ik terecht bij de firma Fortuin in Dokkum.

Voor een dichte glazen deur.

Een deur...

Ik weet het niet.

Een poort klinkt eigenlijk veel beter.

Alsof ik voor de toegang stond tot het Koninklijk Paleis, waar een heuse koningin placht te resideren met haar prinsgemaal.

Haar hubby dus.

En hoe koninklijk wil je het hebben: een glazen deur. Je kunt erdoorheen kijken, je ziet best wel wat, maar je kunt er toch niet bij.

Een beetje het idee van een glazen kooi.

Je weet dat er iets achter zit, maar het blijft een mysterie.

Het begon in mijn hoofd inmiddels steeds meer op een sprookje te lijken. Een soort Assepoesterverhaal. Om twaalf uur verandert alles weer. De koets wordt een pompoen, de lakeien veranderen in muizen en wat er in Dokkum achter die deur gebeurt...

Geen idee.

Daarvoor stond ik dus juist voor die deur.

Ik wilde namelijk mijn pas ontdekte koek-diplomatie inzetten. Ik wilde de mensen van Fortuin feliciteren met het heuglijke feit waar ik inmiddels van had gehoord.

Dat leek me wel zo netjes.

En koek-diplomatie moet tenslotte ergens beginnen.

Maar ja.

De deur zat op slot.

Er leek ook geen bewaking te zijn. Geen lakei, geen wacht, geen Fries met een indrukwekkende snor en een piek in de hand.

Of de wacht was net even het hoekje om.

Ik stond daar dus wat.

Keek naar binnen.

Nog eens aan de deur gevoeld.

Dicht.

Toen begon mijn fantasie weer mee te doen.

In mezelf mompelde ik wat ik dacht dat misschien het juiste wachtwoord zou kunnen zijn.

‘In naam van Oranje, doe open de poort!’

Niets.

Ik voelde me inmiddels een beetje de Watergeuzen in eigen persoon.

Of personen.

Ik was alleen, maar met voldoende fantasie kun je best in je eentje een volledig leger vormen.

In mijn hoofd werd de ophaalbrug al neergelaten en stond achter mij ergens de stadhouder te wachten.

Ik streed inmiddels bijna voor Volk en Vaderland.

En voor koek.

Toen ging de deur opeens van binnenuit een klein stukje open.

Niet helemaal.

Gewoon een kier.

Toen ging de deur van binnenuit op een kier en verscheen er een medewerker.

‘Wat wilt u, meneer?’

Daar ging mijn voorbereiding.

Waar ik normaal gesproken mijn verhaal redelijk gladjes afsteek, kwam het er hier ineens allemaal wat minder overtuigend uit.

Ik had van tevoren precies bedacht wat ik wilde zeggen.

Netjes beginnen.

Feliciteren.

Beetje uitleg.

Koek-diplomatie erbij.

Maar op het moment suprême kwamen de woorden wel uit mijn mond, alleen niet noodzakelijk in de volgorde waarin ik ze van tevoren had bedacht.

Ik stamelde iets over feliciteren, iets over Friesland en iets over koek.

Deze soap-acteur bakte er op dat moment niet heel veel van.

Misschien kwam het doordat ik het gevoel had dat ik hier tegenover iemand stond die rechtstreeks toegang had tot de Friese kroonjuwelen.

Je weet het niet.

Mijn koek-diplomatie werd in ieder geval ingezet.

In gedachten met de pink omhoog en de neus een beetje in de hoogte, zoals het volgens mij hoort bij koninklijke aangelegenheden.

Maar veel hielp het niet.

Geen rondleiding.

Geen geheime kamer.

Geen dossier.

Geen fluisterend:

‘Meneer, eigenlijk mag ik dit niet vertellen, maar...’

Helemaal niets.

Het grootste geheim van Friesland bleef het grootste geheim van Friesland.

Ik werd er eigenlijk geen steek wijzer van.

Maar...

ik ging ook niet helemaal met lege handen weg.

Want ik kreeg iets.

Een klein stukje.

Een fragment.

Een soort vorstelijke fooi.

In vroegere tijden had het misschien gelijkgestaan aan een halve cent. Of een duit. Een stuiver. Een halve kroon misschien, al weet ik helemaal niet of ze die hier ooit gehad hebben.

Maar goed.

Ik kreeg dus een klein fragment van de koninklijke schat.

En misschien...

heel misschien...

heb ik nu zelfs een klein stukje van het grootste geheim van Friesland in mijn bezit.

Ik kan het alleen nog niet laten zien.

Dat zou op dit moment onverantwoord zijn.

Eerst moet ik zorgen dat deze schat op een passende manier wordt beveiligd en tentoongesteld.

Je kunt zoiets natuurlijk niet zomaar op tafel leggen.

Ik denk aan fluweel.

Misschien een glazen stolp.

Een paar Friese vlaggen ernaast.

Eventueel een kleine erewacht.

Want we hebben het hier tenslotte wel over een schat van onvoorstelbare waarde.

Voorlopig blijft ook bij mij de poort dus nog even gesloten.

Maar binnenkort...

wordt het onthuld.

Het grootste geheim van Friesland.

Of in ieder geval een heel klein stukje ervan.

Later meer.

Aan de overkant — Dokkumer Vlaggen Centrale

De ontmoeting bij de firma Fortuin liep totaal anders dan mijn bezoek even daarvoor, nota bene bij een buurman aan de andere kant van de straat: de Dokkumer Vlaggen Centrale.

Mijn komst had ik niet aangekondigd. Niemand wist dat ik kwam en wat ik kwam doen was al helemaal in nevelen gehuld. Toch stond ik al binnen in de grote hal, waar ik eerst maar eens de kunst en de trappen stond te bewonderen, toen iemand naar me toe kwam.

‘Kan ik u helpen, meneer?’

Zeker.

Ik opende mijn tas en haalde er, met gepaste excuses op Friese bodem, mijn Groninger vlag uit. Zelf liep ik ook nog rond in een hoodie met daarop GRONINGEN en 050, dus veel moeite deed ik niet om mijn afkomst te verbergen.

‘Hebben jullie deze toevallig ook in de Friese uitvoering?’

‘Hoe groot is die?’

‘Eén bij anderhalve meter.’

Die hadden ze.

Mooi.

En nu we toch bezig waren:

‘Hebben jullie toevallig ook een RMS-vlag?’

Ook die bleek er te zijn.

Die RMS-vlag wilde ik bewust hebben. Ik heb veel respect voor de Molukse gemeenschap in Nederland en veel waardering voor de manier waarop zij, ondanks hun geschiedenis in Nederland en de onvervulde verwachtingen rond de RMS, hun identiteit, geschiedenis en idealen levend hebben gehouden.

Daarom wilde ik die vlag.

En zo stond daar binnen de kortste keren een Groninger met een Groninger vlag, een Friese vlag én een RMS-vlag.

Dat is op zichzelf al een aardig internationaal gezelschap voor één boodschappentas.

Wat me daarnaast vooral bijbleef, was het vertrouwen. Ik kwam daar onaangekondigd binnen, vertelde mijn verhaal en werd gewoon geholpen alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

En omdat goede betrekkingen natuurlijk van twee kanten moeten komen, liet ik ook hier een Groninger koek achter.

Die werd meteen aangesneden.

Kijk.

Zo werkt vlaggendiplomatie.

Geen ingewikkelde verdragen, geen eindeloze onderhandelingen.

Gewoon een paar vlaggen op tafel en een koek erbij.

Dan komen Groningen en Fryslân er samen wel uit.

Operatie Aaierbal

Vandaag had ik mezelf iets beloofd: Bolsward. Van daaruit wilde ik nu eindelijk serieus werk gaan maken van het verzamelen van zoveel mogelijk Elfstedentocht-stempels. Niet alleen op de officiële stempelkaart, maar natuurlijk ook in mijn  Frysk Paspoart. Als je dan toch bezig bent met een versnelde inburgeringscursus Fryslân, moet je het ook goed doen.

Ik had bij De Ossekop alvast per e-mail laten weten dat ik binnenkort weer eens zijn kant op zou komen. Ik vroeg uit pure Groninger gastvrijheid of ik nog iets uit onze provincie kon meenemen. Nou... misschien... een eierbal? Of zoals wij dat thuis wat beschaafder uitspreken: aaierbal.

Kleine moeite, groot plezier, dacht ik. Tenminste, dat dacht ik om ongeveer vijf voor acht. Want een aaierbal is natuurlijk geen pak koek dat je drie weken achter in de auto kunt laten liggen en daarna nog met droge ogen cadeau kunt doen. Het is een versproduct. Gekoeld bewaren, niet bevroren. Daar moet je dus een beetje zorgvuldig mee omgaan.

Geen probleem. Om acht uur stond ik bij de Appie. Doosje van twee halen, koeltas in en daarna linea recta richting Fryslân. Perfect plan. Alleen ontbrak er bij de uitvoering één vrij essentieel onderdeel: de aaierbal.

Geen voorraad. Nul. Uitverkocht.

‘Ze gingen deze week heel hard,’ kreeg ik als verklaring. Kijk, dat begrijp ik dan weer volledig. Het zou pas zorgwekkend zijn geweest als Groningers ineens massaal waren gestopt met het eten van aaierballen.

‘Vandaag krijgen we nieuwe. Probeer het later nog eens. En anders morgenochtend.’

Morgenochtend?!

Dat was natuurlijk geen oplossing. Ik had mezelf vandaag Bolsward beloofd. Ik had ook gewoon mijn schouders kunnen ophalen en kunnen denken: dan gaan we morgen.

Maar zo werkt dat niet in een Huizinga-hoofd. Als ik eenmaal iets bedacht heb, dan moet het ook gebeuren. Linksom, rechtsom of via een volstrekt onnodige omweg van twintig kilometer.

Ik had nog een Knol's koek als reserve achter de hand. Ook Gronings. Ook lekker. Ook uitstekend geschikt voor diplomatieke betrekkingen met het Heitelân. Maar kom op. Iemand vraagt om een aaierbal en dan kom je met koek aanzetten? Dat is alsof iemand vraagt om een nieuwe fiets en je zegt: ‘Ik heb wel een hele mooie fietspomp voor je.’

De teleurstelling zou onverteerbaar zijn. Letterlijk misschien zelfs.

Dus moest er een nieuw plan komen. En gelukkig beschikt onze familie over contacten in hogere kringen. Nou ja... horecagroothandel. 

Ik dus die kant op, naar de balie.

‘Goedemorgen. Ik heb een Fries aaierballen beloofd.’

Daar kwam-ie. Niet een lullig doosje met twee, maar een complete doos met tien grandioze Groningse aaierballen. Ik keek ernaar alsof zojuist een partij goudstaven uit de kluis was gehaald.

Tien!

Eén eierbal was genoeg geweest. Maar ja, ik kon natuurlijk moeilijk zeggen: ‘Doe mij er eentje en leg die andere negen maar terug.’ Zo zijn wij Groningers niet. Bovendien begon het geheel inmiddels de omvang van een officiële handelsmissie aan te nemen.

Koeltas erbij. Koelelementen erin. Doos zorgvuldig opgeborgen. Temperatuur bewaken. Niet te lang onderweg. Geen onnodige tussenstops. Het had werkelijk iets weg van een transport van donororganen. Ik verwachtte ieder moment een motoragent voor me die het verkeer stil zou leggen.

SPOEDTRANSPORT — GRONINGEN → BOLSWARD. Prioriteit één. Tien aaierballen. Toestand: stabiel.

Walter keek naar de koeltas.

“What's in there?”

‘Aaierballen.’

“Ten of them?”

‘Ja.’

“Didn't the guy ask for one?”

‘Details, Walter.’

Hij keek nog eens naar de tas.

“You're driving across Friesland with ten refrigerated egg balls because some shop?”

‘Dat heet gastvrijheid.’

“That's not hospitality. That's trafficking.”

Ach. Laat hem maar.

De buit was binnen, de koelelementen deden hun werk en Operatie Aaierbal kon beginnen. Bolsward wachtte. En ergens tussen Groningen en het Heitelân reed die ochtend een auto met een koeltas waarvan de inhoud voor een buitenstaander volstrekt onbeduidend was.

Maar voor mij? Topprioriteit.

Want ik had iets beloofd. Nou ja... aan mezelf.

En dat zijn doorgaans de gevaarlijkste beloftes.


Als je in Leeuwarden langs een zaak loopt met de naam Jacob, dan moet je natuurlijk even naar binnen.

In dit geval was het Jacob Mannenmode.

Niet omdat ik ineens dringend een nieuwe garderobe nodig had, maar sommige namen kun je gewoon niet achteloos voorbijlopen. Zeker Jacob niet.

Dus deur open, even rondkijken en constateren dat Leeuwarden blijkbaar ook op modegebied precies weet hoe je mijn aandacht trekt.

Soms heb je geen ingewikkelde reden nodig om ergens binnen te stappen.

Jacob op de gevel was voldoende.

Bolsward — stempels, koek en aaierballen

Bolsward. Deze sympathieke Friese stad was vandaag het beginpunt van mijn tocht door vooral Súdwest-Fryslân. Geen vrijblijvend rondje meer van we zien wel waar we uitkomen, maar eindelijk eens serieus meters maken. Stempels op mijn stempelkaart, stempels in het Fryske Paspoart en ondertussen natuurlijk alles meepakken wat onderweg mijn belangstelling trok.

En niet onbelangrijk: De Ossekop  wachtte.

Tien aaierballen waren onderweg. Koeltas. Koelelementen. Temperatuur onder controle. De donororganen waren stabiel.

Bestemming Bolsward.

Maar eerst moest er nog een andere stop worden gemaakt, aan Sporthuis A.P. van der Feer. Daar was ik eerder terechtgekomen nadat ik in Weidum een hele dag bij het kaatsen had gezeten. Na uren kijken naar die Friese sport wilde ik daar iets tastbaars aan overhouden en dus kocht ik bij Van der Feer één echte handgemaakte kaatsbal. Zo'n klein, keihard, met paardenhaar gevuld stukje Fries cultureel erfgoed.

Bovendien heeft Van der Feer een bijkomend voordeel dat voor een Groninger nauwelijks te overschatten valt: parkeren. Gratis.

Op de Stoombootkade, naast Sonnema.

Dat is weelde.

Je zet de auto neer, loopt via de achterkant zo de zaak binnen en kunt vervolgens de stad in. Dan vind ik het niet meer dan normaal dat je bij binnenkomst even een praatje maakt, iets koopt of — zoals in dit geval — iets aflevert. Want mijn koek-diplomatie draait inmiddels op volle toeren. Ik had dus een smakelijke Groninger hap meegenomen.

‘Voor het gratis parkeren,’ zei ik.

Kijk, zo onderhouden we de betrekkingen tussen Groningen en Fryslân. Geen ingewikkelde verdragen, geen commissies en geen ambtelijke werkgroepen. Gewoon een parkeerplaats beschikbaar stellen en af en toe wat koek over de provinciegrens schuiven.

Maar het werd nog leuker. Want ik kwam via de achterkant binnen en nog voordat ik goed en wel mijn mond kon opentrekken, kwam de vraag:

‘En? Ben je zelf al aan het keatsen geweest?’

Kijk.

Dat vond ik nou mooi.

Ze wisten nog precies waar we het de vorige keer over hadden gehad. De logische volgende stap was kennelijk dat ik zelf het veld op zou gaan.

‘Nee, natuurlijk niet.’

Er zijn grenzen aan mijn Friese inburgering.

Walter keek op.

“Finally, a sensible decision.”

‘Ik heb niet gezegd dat ik het nooit ga doen.’

“There it is.”

Nee, voorlopig hield ik het bij kijken. Ik heb inmiddels gezien met welke snelheid zo'n klein wit projectiel door de lucht kan komen en ik bezit er zelf eentje. Dat laatste is voldoende om te weten dat je hem liever in je tas hebt dan tegen je hoofd.

Maar juist die vraag bij binnenkomst vond ik leuk. Niet het gebruikelijke: ‘Kan ik u ergens mee helpen?’ terwijl je elkaar eerder uitgebreid hebt gesproken. Nee, meteen verdergaan waar het vorige gesprek ongeveer was opgehouden. Blijkbaar was blijven hangen dat die Groninger misschien nog eens daadwerkelijk aan het keatsen zou slaan.

Dat soort contact waardeer ik. Als mensen belangstelling tonen, krijgen ze die van mij dubbel en dwars terug. Even praten, even lachen, vertellen waar ik nu weer mee bezig ben en horen wat er aan de andere kant speelt.

Dat is eigenlijk één van de leukste dingen aan deze hele tocht geworden. Ik kom ergens voor een stempel, een kaatsbal, een vlag, een koek of desnoods alleen een parkeerplaats en voor je het weet ontstaat er een gesprek. De volgende keer kom je terug en ben je niet helemaal meer die onbekende man uit Groningen.

Je bent dan hooguit nog:

die Groninger die hier al eens eerder was.

Ook goed.

Vooruitgang is vooruitgang.

Dus de koek werd afgeleverd. Een kleine tegenprestatie voor de gastvrijheid én voor het parkeren.

En ik moet natuurlijk ook een beetje aan de toekomst denken.

Ik wil daar nog wel eens parkeren.

Walter keek naar de koek.

“So this is relationship management?”

‘Nee Walter. Dit heet gewoon iemand bedanken.’

“With cake.”

‘Ja.’

“Cake diplomacy.”

‘Precies.’

“And next time?”

‘Misschien weer koek.’

“Very strategic.”

‘Relatiebeheer, Walter.’

Ach.

Mijn auto stond mooi geparkeerd, de Groninger koek was afgeleverd en de betrekkingen tussen beide provincies waren weer uitstekend.

Nu kon het echte werk beginnen.

Bolsward in. Stempels halen.

En daarna naar De Ossekop.

Want ergens in mijn auto lag nog altijd een gekoelde doos met tien Groningse aaierballen.

En die waren niet helemaal naar Súdwest-Fryslân gekomen om alleen maar van het uitzicht te genieten.

Operatie Aaierbal bereikt De Ossekop

Na mijn parkeerbezoek aan Van der Feer was het tijd voor het eigenlijke doel van Bolsward: De Ossekop. De tien aaierballen lagen nog altijd keurig gekoeld in de auto, maar zo langzamerhand voelde het alsof ze dwars door de koeltas heen begonnen te branden. Ze moesten afgeleverd worden.

Dus op naar De Ossekop. Het is zo'n winkel waar je als man eigenlijk nooit moet zeggen: ‘Ik kijk alleen even rond.’ Voor je het weet heb je namelijk iets in je handen waarvan je vijf minuten daarvoor nog niet wist dat je het nodig had. Gereedschap op allerlei gebied en daarnaast een indrukwekkend assortiment aan spijkers, schroefjes, moertjes, boutjes, nippeltjes, stopjes, plugjes en al dat andere kleine spul waarvoor je tegenwoordig in sommige winkels meteen een plastic verpakking van honderd stuks moet kopen.

Je kunt er dat soort dingen nog gewoon los kopen. Eén boutje nodig? Dan koop je één boutje. Revolutionair concept.

En er is  niet alleen veel, er wordt ook met enthousiasme verkocht. Men denkt mee, zoekt mee en is altijd bereid tot een praatje. Dat gesprek kan over een schroef beginnen.

Maar De Ossekop heeft nóg een afdeling die voor mijn huidige toestand buitengewoon gevaarlijk is: Friese souvenirs. De één noemt het misschien prachtige stukjes Fries erfgoed, zorgvuldig geselecteerde herinneringen aan het Heitelân. Een ander noemt het gewoon: spul.

En juist dat is het geniale van die winkel. Je komt binnen omdat je een pieletje, palletje, ringetje of boutje nodig hebt en terwijl er ergens in een laatje naar precies het juiste exemplaar gezocht wordt, sta jij tussen de Friese souvenirs. Twee vliegen in één klap. Sterker nog: ik begin inmiddels een systeem te vermoeden.

Maar eerst de hoofdzaak. Daar stond ik dan, midden tussen het gereedschap en de Friese hebbedingen, met mijn koeltas.

‘Goedemorgen. Ik hoop dat je hier een koelkast hebt?’

Nee.

Geen koelkast.

Ai.

Tien aaierballen afleveren bij iemand zonder koelkast was logistiek gezien natuurlijk niet de sterkste zet uit Operatie Aaierbal.

‘Nou, in dat geval hou de koeltas eerst maar. Met de koelelementen erbij. Kom ik die later wel een keer ophalen.’

Kijk. Probleem opgelost. 

Op dat moment ging de telefoon. ‘Sorry, moet ik even opnemen,’ zei de verkoper.

‘Natuurlijk.’

En toen gebeurde het. Hij draaide zich om en ik keek een beetje rond.

Fout.

Want zo doen die Friezen dat dus. Heel geslepen. Ze verkopen je op dat moment helemaal niets. Ze laten je gewoon even alleen. Geen verkooppraatje, geen ‘kan ik u helpen?’, geen ‘we hebben trouwens ook nog...’ Niks.

En dan ga jijzelf kijken.

Nog erger: je gaat zelf nadenken.

Hé, dat is leuk. Dat past mooi bij de rest. Die heb ik nog niet.

En voor je het weet sta je met alweer een Fryslân-goodie in je handen, terwijl je er heilig van overtuigd bent dat je dat volledig zelfstandig hebt bedacht.

Ik begin ze door te krijgen.

Walter zou zeggen:

“That's not shopping, Rob. That's psychological warfare.”

Misschien had hij nog gelijk ook.

Zo. Aaierballen. Laat niemand ooit nog beweren dat Groningen niets doet voor de ontwikkeling van de Friese eetcultuur.

Ik wist het wel: als ik dichter bij Bolsward zou wonen en ik had plotseling een boutje, moertje of ringetje nodig, dan hoefde ik geen seconde na te denken.

Op naar De Ossekop.

‘Ik moet een ringetje hebben.’

Dan zou hij waarschijnlijk vragen welke maat.

‘Geen idee.’

Dan zoeken we dat uit.

En vervolgens hebben we het een halfuur over Groningen, Fryslân, aaierballen en waarschijnlijk nog zeven onderwerpen die met dat ringetje helemaal niets te maken hebben.

Uiteindelijk zou ik weer naar buiten lopen met het juiste ringetje, een Fries souvenir dat ik absoluut niet van plan was te kopen en een uitstekend humeur.

Dán is mijn dag geslaagd.

En die tas?

Die moet ik natuurlijk nog een keer ophalen.


Weidumer Folksliet

Tusken âld en tusken Nijlân
Bij lans de hege dyk
Der leit ús doarpke Weidum
Wij fiele ús der ryk

refrein

En wy wolle derom sjonge
Sa dat in elts it wit
Wer fyne jo sa'n doarpke
Dêr 't ek sa'n pit yn sit

refrein

We neame mar it keatsen
It korps forjit dat net
En dan ús Weidumer Merke
Ja better kin 't net

refrein

Gjin rangen en gjin standen
Mar altyd mei elkoar
Yn sa'n doarpke to wenjen
Dan hat men al wat foar

refrein

Refrein

(wize dan komt de maltiid)

Kom bij ús in Weidum,
Dêr is plak foar eltsenien
Set hjir hwat huzen
Der binne dochs wol stien
Elts dy 't hjir wennet
Dy hat it wol nei 't sin
Dus begjin to bouwen } bis
En leafst sa gau as't kin } bis

Volkslied van Weidum

Tussen oud en tussen nieuw land
Langs de hoge dijk
Daar ligt ons dorpje Weidum
Wij voelen ons er rijk

refrein

En daarom willen wij zingen
Zodat iedereen het weet
Waar vindt u zo’n dorpje
Waar ook zoveel pit in zit

refrein

We noemen maar het kaatsen
Het korps vergeet dat niet
En dan onze Weidumer Merke (kermis/dorpsfeest)
Ja, beter kan het niet

refrein

Geen rangen en geen standen
Maar altijd met elkaar
Om in zo’n dorpje te wonen
Dan heeft men het goed voor elkaar

refrein

Refrein

(op de wijs van „Dan komt de maaltijd”)

Kom bij ons in Weidum,
Daar is plaats voor iedereen
Zet hier wat huizen neer
Er zijn toch stenen genoeg
Iedereen die hier woont
Die heeft het hier naar zijn zin
Dus begin te bouwen } 2×
En liefst zo gauw als het kan } 2×

'Boots on the ground'

Zo’n Amerikaanse legerterm die zomaar van toepassing had kunnen zijn op deze dag. Terug naar Fryslân. Terug naar Weidum. Niet meer vanuit de auto een beetje rondkijken, maar gewoon het dorp in. Voeten op Friese bodem en zien wat er gebeurt.

Regen of geen regen.

It ken net.

Of juist wel.

Ligt er maar net aan uit welke provincie je komt.

Da’s krekt wat ik je brom...

Mijn tactiek voor vandaag was eenvoudig: Weidum in en gesprekken aanknopen. Gewoon rondlopen, kijken wat ik tegenkom, af en toe een praatje maken en vertellen waarom ik hier eigenlijk was. Geen strak onderzoeksplan, geen afsprakenagenda en al helemaal geen garantie dat het iets zou opleveren.

Eigenlijk precies zoals ik dit soort dingen het liefst doe.

Walter had er uiteraard zijn eigen militaire analyse voor.

“So what's the mission?”

‘Achtergrondinformatie verzamelen.’

“By walking around?”

‘En praten met mensen.’

Walter keek bedenkelijk.

“That's the entire strategy?”

‘Precies.’

“We're doomed.”

Hou toch op.

Ik was onder andere op zoek naar informatie over Weidum en, als het even kon, naar het boek Weidum, ús doarp. Niet omdat ik verwachtte daarin ineens een compleet hoofdstuk De Huizinga’s, 1940–1945 aan te treffen. Sterker nog, voor zover ik wist stond er geen spat over onze familie in.

Maar dat maakte niet uit.

Alle achtergrondinformatie was welkom. Hoe zag het dorp eruit? Wat gebeurde er in die jaren? Welke namen duiken steeds weer op? Wat was er nog bekend over het Weidum waarin mijn vader zijn eerste kinderjaren doorbracht?

Je moet ergens beginnen.

Eerst de omgeving leren kennen en daarna verder zoeken.

En in een dorp werkt dat soms anders dan in een archief.

Terwijl ik de kerk bewonderde en fotografeerde, raakte ik op het kerkhof in gesprek met de beheerder.

Kijk, daar begint het dus mee.

Niet alleen zoeken op Google.

Geen ingewikkelde database.

Gewoon een gesprek.

‘Moi.’

Nou ja, misschien hier beter iets met goeie.

Ik vertelde waarom een Groninger zo geïnteresseerd rond een kerk in Weidum liep. Over mijn vader, die hier als klein jongetje tijdens de oorlogsjaren had gewoond. Over mijn zoektocht naar dat stukje familiegeschiedenis en mijn pogingen om het Weidum van toen een beetje terug te vinden in het Weidum van nu.

En natuurlijk kwam ook mijn zoektocht naar dat boek ter sprake.

De beheerder dacht mee en vertelde dat er in en rond het dorp mensen waren die veel van de geschiedenis van Weidum wisten.

Kijk.

Daar kan geen zoekmachine tegenop.

Nog geen halfuur in het dorp en mijn uiterst geavanceerde onderzoeksstrategie — rondlopen en gesprekken voeren — leverde alweer een nieuw aanknopingspunt op.

Geen compleet antwoord.

Wel een richting.

En eerlijk gezegd is dat vaak al genoeg.

Walter keek naar mij.

“So now what?”

‘Verder lopen.’

“That's the plan?”

‘Dat is het plan.’

Hij zuchtte.

Maar ik was tevreden.

Boots on the ground.

En kijken welk verhaal zich vervolgens vanzelf aandient.


Hulde voor USA!

Mijn Amerikaanse neef heeft onlangs iets gepresteerd waarvoor hij wat mij betreft onmiddellijk in aanmerking komt voor versnelde Friese inburgering.

Hij heeft namelijk de hele Frouljus PC in Weidum via Omrop Fryslân op YouTube uitgezeten.

Niet een samenvatting.

Niet even de hoogtepunten.

Nee.

De hele wedstrijd.

Urenlang kaatsen, keatsen, perk, opslag, kaatslijnen en natuurlijk commentaar waarbij een gemiddelde Amerikaan waarschijnlijk na tien minuten denkt dat zijn internetverbinding spontaan op een onbekende taal is overgeschakeld.

Maar hij hield vol.

Van begin tot eind.

Dat verdient maar één reactie:

Hulde!

Ik vermoed dat hij inmiddels meer van kaatsen weet dan menig Nederlander buiten Fryslân. Nog even en hij roept vanuit Amerika zelfstandig “Boppe!” naar zijn beeldscherm.

En vandaag is er nóg een reden om hem in het zonnetje te zetten.

Happy Birthday! 🎉

May your birthday be great, your cake be big...

and your next kaatswedstrijd slightly shorter.

Een nieuw spoor — maar eerst een schaatser

En zo liep ik ’s morgens vroeg door een druilerig, maar daarom niet minder pittoresk Weidum. Het gesprek bij de kerk had me in ieder geval één ding duidelijk gemaakt: wie meer over het oude Weidum wilde weten, moest niet alleen in boeken zoeken.

Er waren ook verhalen.

En mensen die die verhalen kenden.

Kijk, daar word ik natuurlijk enthousiast van. Ik hoef maar te horen dat er ergens meer informatie te vinden is en mijn complete onderzoeksapparaat treedt in werking.

Dat onderzoeksapparaat bestaat voornamelijk uit mijzelf.

Lopen.

Kijken.

Praten.

Veel ingewikkelder moet je het soms ook niet maken.

En nog voordat ik goed en wel verder was, kwam ik alweer iemand tegen. Je kunt dan natuurlijk vriendelijk knikken en doorlopen.

Dat kan.

Maar dan moet je niet Rob Huizinga heten.

Dus we raakten aan de praat. Ik vertelde over mijn Huizinga’s, mijn vader die hier tijdens de oorlogsjaren als klein jongetje had gewoond en mijn zoektocht naar verhalen en informatie over het Weidum van toen.

En prompt kwam er een verhaal terug.

Een voorouder van mijn gesprekspartner, Sietze de Groot, had tijdens de Tweede Wereldoorlog de Elfstedentocht gewonnen. Sterker nog, volgens het familieverhaal had hij in die periode misschien wel vaker kunnen winnen.

Alleen had de beste man een probleem.

Zijn vader was slager.

En die had kennelijk een iets andere kijk op topsport dan tegenwoordig.

Schaatsen?

Elfstedentocht?

Kansen om geschiedenis te schrijven?

Allemaal prachtig, jongen.

Maar er moest ook gewoon gewerkt worden.

In de slagerij.

Ik zag het al helemaal voor me.

‘Heit, der is in Alvestêdetocht!’

‘Moai. Earst dy woarsten.’

Walter keek me aan.

“Wait. He could have won the Eleven Cities Tour, but his dad made him work?”

‘Slagerij.’

“That's insane.”

‘Er moest brood op de plank.’

“He was a butcher.”

‘Dan vlees.’

“Thank you.”

Graag gedaan.

En eigenlijk was het natuurlijk een prachtig verhaal. Tegenwoordig zou zo iemand een trainingsschema hebben, een coach, voedingsdeskundige, materiaalman en waarschijnlijk drie sponsors op zijn muts. Destijds kon een vader blijkbaar gewoon zeggen:

‘Leuk, dat schaatsritje. Maar jij staat morgen achter de toonbank.’

Pech.

Geen topsportcontract.

Gewoon familiebedrijf.

En daar stond ik dus. Ik was naar Weidum gekomen om informatie over mijn eigen familie te zoeken en kreeg onderweg zomaar een stukje familiegeschiedenis van iemand anders cadeau.

Precies daarom zijn die gesprekken onderweg zo waardevol.

Je weet nooit welk verhaal ineens naar boven komt.

En soms hoef je alleen maar te vertellen waarom jij ergens rondloopt om iemand anders óók zijn geschiedenis te laten vertellen.

Mijn eigen zoektocht was daarmee natuurlijk nog niet klaar.

Integendeel.

Ik had weer een paar nieuwe aanknopingspunten en vooral het gevoel dat er in Weidum nog genoeg verhalen lagen om verder uit te zoeken.

Walter keek me aan.

“So we're still investigating?”

‘We zijn net begonnen.’

Hij zuchtte.

“Of course we are.”

En dus liepen we verder.

Van Fryslân Tour naar Grunneger Goodwill Tour

Mijn verlengde Fryslân Tour lijkt inmiddels langzaam maar zeker te zijn uitgegroeid tot een heuse Grunneger Goodwill Tour. Ik vertrok ooit om wat plekken te bezoeken, herinneringen aan mijn vader op te halen en hier en daar een stempel te verzamelen. Inmiddels reis ik door Fryslân alsof ik namens de provincie Groningen op een uiterst informele diplomatieke missie ben.

En het mooie is:

het werkt.

Leuke mensen, mooie ontmoetingen en steeds weer nieuwe verhalen. Soms gepland, maar minstens zo vaak omdat onderweg toevallig iets op mijn pad komt.

Walter vindt mijn aanpak nog altijd wat twijfelachtig.

“You need a plan, Rob.”

‘Heb ik.’

“No, you don't.”

‘Jawel. Ik ga op pad en kijk wat er gebeurt.’

“That's not a plan.”

‘Voor mij wel.’

En eerlijk gezegd is dat inmiddels ongeveer de beste omschrijving van deze hele onderneming.

Niet alles hoeft vooraf vast te liggen.

Soms kom je ergens binnen, ontstaat er een gesprek en blijkt er ineens een heel verhaal achter een plek, een sport, een voorwerp of een herinnering te zitten.

Dat zijn vaak juist de leukste momenten.

Ondertussen gaat ook mijn eigen kleine stukje Groninger goodwill gewoon door. Overal waar ik kom deel ik zo nu en dan mijn pennen uit. Van die pennen met mijn webadres erop.

Geen wereldschokkend diplomatiek instrument.

Wel handig.

En inmiddels beginnen ze zowaar bijna collector’s items te worden, want de voorraad raakt snel op.

Geen paniek.

De opvolger is al geregeld.

Walter keek me aan.

“You made more?”

‘Natuurlijk.’

“Why?”

‘Marketing.’

“You give them away.”

‘Goodwillmarketing.’

“You lose money on every pen.”

‘Maar ik maak het goed met de aantallen.’

Hij zweeg.

Soms moet je Amerikanen gewoon even de tijd geven.

En ondertussen blijkt mijn aanwezigheid in het Heitelân ook in de kaatswereld niet helemaal onopgemerkt te blijven. Mijn stukje over de wedstrijd in Weidum zal namelijk worden gedeeld op een Friese site.

Kijk.

Dan begint het toch serieuze vormen aan te nemen.

Eerst ga je naar Weidum omdat je vader daar als jongetje heeft gewoond. Vervolgens zit je uren bij een kaatswedstrijd, begrijp je aanvankelijk nauwelijks wat er gebeurt, koop je een kaatsbal, schrijf je er een verhaal over en voor je het weet wordt dat verhaal ook gelezen door mensen die de sport daadwerkelijk begrijpen.

Dat noem ik vooruitgang.

Walter zou waarschijnlijk zeggen:

“First the cake, now sports journalism.”

Koek-diplomatie, pennen-diplomatie, kaatsjournalistiek...

Ik noem het liever gewoon:

kennismaken met Fryslân.

En als dit zo doorgaat, kan het natuurlijk niet lang meer duren voordat de volgende logische stap wordt gezet.

Mijn boek.

De verzamelde werken van Rob Huizinga.

Deel 1 tot en met 37.

Met als ondertitel:

Hoe één Groninger naar Fryslân ging voor een paar herinneringen en terugkwam met stempels, kaatsballen, souvenirs, nieuwe kennissen, tien aaierballen minder en genoeg verhalen voor een complete boekenkast.

Publicatiedatum nog onbekend.

Omvang eveneens.

Waarschijnlijk groeiende.

Inschrijven kan natuurlijk nu al.

En voor iedereen die zich tijdig aanmeldt heb ik een bijzondere aanbieding:

je krijgt alvast een stempeltje.

Walter keek me aan.

“You don't even have a book.”

‘Details.’

“Do you at least have a publisher?”

‘Nee.’

“A manuscript?”

‘Dat groeit.’

“A title?”

‘Komt.’

“And you're already taking reservations?”

Ik keek hem aan.

Walter...

Je moet ergens beginnen.


D’Olle Grieze

‘Kijk Walter, dat is nou de Martinitoren. D’Olle Grieze.’

Walter keek omhoog. Tenminste, een beetje.

‘Mooi hè?’

“It's a tower.”

‘Een toren? Walter, dit is niet zomaar een toren. Dit is d’Olle Grieze. Het symbool van Groningen.’

“Still a tower.”

Kijk. Daar begon het alweer.

‘En hij is hoog hè?’

Walter keek nog een keer omhoog.

“I've seen higher.”

‘Ja, natuurlijk heb jij hogere gezien. Jij komt uit Amerika. Daar bouwen jullie een wolkenkrabber van zestig verdiepingen als iemand een nieuwe snackbar nodig heeft.’

“Exactly.”

‘Maar dit is geschiedenis, Walter.’

We stonden op de Grote Markt en ik deed mijn best hem enige Groninger beschaving bij te brengen. Na al die weken Fryslân mocht daar zo langzamerhand ook wel eens iets tegenover staan.

‘Bijna honderd meter hoog.’

“Cute.”

Cute?! Niemand noemt de Martinitoren cute.

‘En gebouwd op koeienhuiden.’

Nu had ik hem.

Walter draaide langzaam zijn hoofd naar mij.

“What?”

‘Koeienhuiden.’

Hij keek naar de toren. Toen naar de grond. Toen weer naar mij.

“You're telling me this whole thing is standing on dead cows?”

‘Volgens het verhaal wel.’

“That's your engineering?”

‘Eeuwenlang blijven staan, Walter.’

“You people didn't have concrete?”

‘Niet zoals tegenwoordig.’

“So somebody said: Let's build a giant tower... put some cows underneath it?”

‘Je maakt het nu wel erg simpel.’

“Am I?”

Hij keek opnieuw omhoog.

“And you make fun of the Frisians?”

...

Au. Die kwam onverwacht hard aan.

Ik besloot snel door te gaan met de rondleiding. De toren had branden doorstaan, oorlogen meegemaakt, blikseminslagen overleefd en al eeuwen over Stad en Ommeland uitgekeken. Walter bleef echter onvermurwbaar.

“We have older things.”

‘Nee, dat hebben jullie niet.’

Stilte.

“We have bigger things.”

‘Dat geloof ik meteen.’

“Better things.”

‘Walter.’

“Taller things.”

‘Ja, Walter.’

“With elevators.”

‘Er zit een lift in.’

Hij keek op.

“Really?”

‘Nee.’

“Dipstick.”

Ik begon zo langzamerhand te vermoeden dat mijn poging om hem onder de indruk te krijgen jammerlijk ging mislukken.

Totdat...

de klokken begonnen te luiden.

Walter keek omhoog. Dat geluid kwam niet uit een luidsprekertje. Geen digitaal belletje. Geen Amerikaans pretparkgeluid. Gewoon de zware klanken van de Martinitoren die over de Grote Markt rolden.

Hij zei even niets.

En bij Walter is dat een gebeurtenis die je eigenlijk officieel moet laten vastleggen.

‘Nou?’

“Loud.”

‘Mooi.’

“I said loud.”

Maar hij bleef kijken. Ik zag het. Heel even was hij tóch onder de indruk.

Natuurlijk zou hij dat nooit toegeven.

“How old is this thing again?”

Aha.

Daar was-ie.

Ik vertelde het hem nog eens. Over de eeuwen geschiedenis. Over de toren die generaties Groningers heeft zien komen en gaan. Over het uitzicht over Stad en Ommeland.

Walter keek opnieuw omhoog naar d’Olle Grieze.

“Not bad.”

Ik draaide me naar hem toe.

‘Wat zei je?’

“Nothing.”

‘Volgens mij zei jij: not bad.’

“I said the bells are too loud.”

‘Nee hoor.’

“Shut up, Rob.”

Ik glimlachte. Missie geslaagd.

We liepen verder over de Grote Markt toen Walter nog één keer achteromkeek. Heel stiekem.

Maar ik zag het.

“Rob?”

‘Ja?’

“Those cows...”

‘Ja?’

“How many?”

Kijk.

Nu hadden we hem.

D’Olle Grieze: 1. Walter: 0.

Even informeren

In het centrum van Sneek liep ik langs, Goons & Queens, een tattoo en piercing shop.

Nu kom ik daar normaal gesproken nooit over de vloer, maar tijdens mijn inmiddels behoorlijk uitgebreide omzwervingen door Fryslân was mijn nieuwsgierigheid gewekt. Je ziet overal Friese vlaggen, pompeblêden en andere verwijzingen naar de provincie. Zou dat bij tattoos eigenlijk ook een ding zijn?

Dus naar binnen.

“No.”

‘Wat no?’

“Whatever you're thinking: no.”

‘Ik wil alleen iets vragen.’

“That's what people say before they come out with a dragon on their ass.”

‘Ik wil informatie, Walter.’

“Sure.”

Dat sure klonk precies zoals alleen Walter sure kan zeggen.

Binnen stelde ik een vrij eenvoudige vraag:

‘Hebben jullie eigenlijk speciale tattoos met een Friese insteek?’

Ik verwachtte eerlijk gezegd dat er misschien een map of boek met voorbeelden tevoorschijn zou komen. Een soort Fries assortiment: vlaggen, pompeblêden, contouren van de provincie, misschien een skûtsje, een Fries paard of andere motieven die hier vaker worden gevraagd.

Maar zo'n voorbeeldenboek bleek er niet te zijn.

“Great. Question answered. Coffee?”

Nee Walter.

In plaats daarvan werd er gewoon even op internet gezocht.

En daar kwam natuurlijk van alles voorbij. Friese vlaggen, pompeblêden, provinciecontouren en allerlei combinaties daarvan. Van klein en subtiel tot ontwerpen waarbij zelfs iemand aan de andere kant van het Sneekermeer waarschijnlijk nog kon zien dat Fryslân het onderwerp was.

Walter keek kritisch mee.

“That's a lot of hearts.”

‘Het zijn pompeblêden.’

“They're red and they look like hearts.”

‘Pompeblêden.’

“Fine. Angry Frisian hearts.”

Meer gebeurde er eigenlijk niet.

Geen ontwerp uitgezocht, geen afspraak gemaakt en al helemaal geen naald in de buurt van mijn arm. Ik wilde gewoon weten of er zoiets bestond als typisch Friese tattoos en wat je daar dan zoal bij moest voorstellen.

Informatie ingewonnen, wat voorbeelden bekeken en weer naar buiten.

Precies zoals wel vaker tijdens mijn tochten door Fryslân: ergens langs lopen, nieuwsgierig worden en gewoon even naar binnen stappen.

Walter was zichtbaar opgelucht.

“So, no dragon?”

‘Geen dragon.’

“Good. Because with your luck they'd give it a Frisian flag.”

En daarmee konden we Sneek weer in.

Een stukje steen

Soms zit een herinnering niet in iets groots. Soms past ze gewoon op een stukje leisteen.

Ik had de steen besteld bij Onderdelenshop QB's in Hoogezand. Daarvandaan ging hij naar Urk, waar mijn vaders naam en de jaartallen 1939 – 2026 erin werden aangebracht. Geen ingewikkelde tekst, geen spreuk. Alleen zijn naam en de jaren waartussen zijn hele leven zich heeft afgespeeld.

Toen de leisteen terugkwam, zat hij keurig verpakt in bubble wrap. Ik haalde hem voorzichtig tevoorschijn en zag hem voor het eerst zoals hij bedoeld was.

Jacob Huizinga
1939 – 2026

Mooi geworden.

En juist op dat moment scheen de zon. Zo'n moment waarop je eigenlijk zonder veel nadenken je telefoon pakt en denkt: ik zet 'm even op de foto.

In de tuin lag een stapel grote stenen. Leisteen ertussen, beetje groen eromheen, zon erop. Klaar.

Pas toen ik de foto bekeek, zag ik het zelf ook.

Het lijkt verdorie wel een graf.

Maar dat is het dus nadrukkelijk niet. Het is gewoon een stapel stenen in mijn tuin die toevallig buitengewoon overtuigend auditie deed voor een laatste rustplaats.

Eigenlijk vind ik dat contrast achteraf juist mooi.

Want de leisteen is natuurlijk ter herinnering aan mijn vader. Maar niet als iets zwaars of sombers. Ik wil hem niet alleen herinneren aan zijn overlijden of aan wat er niet meer is. Daarvoor waren er vóór 2026 veel te veel jaren.

Er staat 1939 – 2026.

En tussen die twee jaartallen zit alles.

Een jeugd, een leven, werk, familie, verhalen, eigenaardigheden, goede momenten en ongetwijfeld genoeg dingen waar we nu nog om kunnen lachen. En inmiddels ook de ritten die ik maak om stukjes van dat leven opnieuw op te zoeken.

Daar hoort deze steen bij.

Niet als grafsteen.

Meer als een klein tastbaar bordje waarop staat:

je bent er geweest.
Je hoort bij mijn verhaal.
En je wordt niet vergeten.

Dat de zon er precies op scheen toen ik hem uitpakte, maakte het plaatje eigenlijk af.

Een beetje warmte op een stukje steen.

Zo mag een herinnering wat mij betreft ook zijn.


Geen huiswerk, maar een schadeformulier

Vandaag was ik in Bears, op een steenworp afstand van Weidum.

Bears speelt inmiddels een kleine maar interessante rol in mijn zoektocht naar de jeugd van mijn vader. Toen de lagere school in Weidum in 1934 werd opgeheven, moesten de kinderen uit Weidum voor hun onderwijs naar Bears. Mijn vaders oudere zus heeft daar vrijwel zeker op school gezeten. Of mijn vader zelf er nog korte tijd leerling is geweest, weet ik niet. Daarvoor ontbreekt vooralsnog net dat laatste stukje bewijs.

Bij een eerder bezoek aan Bears dacht ik de betreffende school al gevonden te hebben.

Niet zo'n vreemde gedachte, want het gebouw heet tegenwoordig nota bene d'Ald Skoalle.

De oude school.

Veel duidelijker kun je een mens toch eigenlijk niet op weg helpen.

Alleen bleek het achteraf de verkeerde oude school te zijn.

Je verwacht het misschien niet van een dorp van het formaat Bears, maar er waren hier niet één, maar twee voormalige schoolgebouwen die in dit verhaal een rol spelen. D'Ald Skoalle aan de Bearsterdyk is inderdaad een oude school, maar niet de school waar vanaf 1934 de kinderen uit Weidum terechtkwamen.

Die stond een stukje verderop.

De school die ik moest hebben, was in 1904 gebouwd voor de kinderen uit Bears en Jellum. Toen de school in Weidum dertig jaar later werd gesloten en de Weidumer leerlingen erbij kwamen, werd het gebouw zelfs uitgebreid met een derde lokaal.

Dat was dus de school die ik wilde zien.

Vandaag moest ik daarom nog maar eens poolshoogte nemen in Bears.

Gewoon even kijken.

Meer niet.

Walter had bij die formulering waarschijnlijk al argwaan gekregen.

“You never just look.”

Dit keer had hij helaas gelijk.

Want ik kan inmiddels met absolute zekerheid zeggen:

Ik HEB de oude school bekeken.

Van buiten.

En van binnen.

Alleen verliep dat laatste iets anders dan gepland.

Met mijn auto kwam ik namelijk in contact met een auto uit de buurt.

Letterlijk.

En daarmee veranderde een klein stukje familieonderzoek plotseling in een heel ander soort administratief onderzoek.

Geen oude leerlingenregisters.

Geen vergeelde schriften.

Geen lei en griffel.

Geen nostalgische gedachten over mijn vader die hier misschien ooit zijn eerste letters heeft geleerd.

Een schadeformulier.

En waar kun je dat in Bears beter invullen dan binnen in de oude school?

Zo zat ik uiteindelijk tóch in het gebouw dat ik zo graag eens van dichtbij wilde bekijken. Alleen niet om uit te zoeken of mijn vader er ooit in een schoolbank had gezeten.

Ik zat er zelf.

Aan tafel.

Papieren voor mijn neus.

Walter hoefde daar niet lang over na te denken.

“So you finally made it into the school.”

Ja.

“And immediately got paperwork.”

Ook ja.

“Sounds authentic.”

Er zijn van die momenten waarop je hem beter gewoon kunt negeren.

Toch heeft de geschiedenis hiermee een merkwaardig klein rondje gemaakt.

Mijn vaders oudere zus ging hier naar school. Mijn vader kan hier, afhankelijk van het moment waarop het gezin Weidum verliet, misschien nog korte tijd leerling zijn geweest. Dat laatste blijft voorlopig onbewezen.

En vele jaren later wilde zijn zoon alleen maar even kijken waar dat allemaal geweest kon zijn.

Dat lukte.

Meer dan me lief was.

Ik weet nu in ieder geval hoe de oude school er van buiten uitziet.

Ik weet hoe hij er van binnen uitziet.

En mocht mijn vader hier inderdaad ooit huiswerk hebben moeten maken, dan hebben we nu in ieder geval één ding gemeen:

Ook ik heb in de oude school van Bears met een formulier voor mijn neus gezeten.

Alleen stond boven het mijne niet:

Naam leerling.

Maar zo ongeveer:

Naam verzekerde.

Privacy

Ik probeer zorgvuldig om te gaan met informatie over anderen. Mocht op deze pagina toch informatie staan die naar uw mening niet openbaar hoort te zijn, neem dan contact met mij op. Ik zal dit beoordelen en waar nodig aanpassen of verwijderen.

Wat vooraf ging :

.

.