PA GAIT OP RAAIS | herinneringstocht voor mijn vader

[ EERSTE DEEL ]

Pa gaat mee. Of hij wil of niet.

Eind mei is mijn vader overleden. Dat is natuurlijk een tamelijk rigoureuze manier om onder gezamenlijke uitstapjes uit te komen. Helaas voor hem heb ik besloten dat hij daar niet zo makkelijk vanaf komt.

Vanaf morgen gaan we namelijk samen op pad.

Ik maak een tocht langs plekken uit zijn verleden. Plaatsen waar hij woonde, werkte, kwam of op een andere manier zijn sporen heeft achtergelaten. Sommige ken ik, andere moet ik nog ontdekken. En aangezien hij tegenwoordig bijzonder weinig commentaar geeft op de route, bepaal ik voor één keer waar we heen gaan.

Zijn plek is de bijrijdersstoel. Daar ligt de Groninger provincievlag. Bij het voeteneind staan twee Groninger klompen. Veel Groningser krijg ik het niet zonder een complete strokartonfabriek in de auto te laden.

Pa was een trotse Groninger. Dus hij reist in stijl.

Onderweg zullen herinneringen bovenkomen. Er zal vast een traan vallen, maar hopelijk veel vaker een glimlach. Ik zal tegen hem praten en waarschijnlijk antwoord geven namens hem. Dat laatste is riskant, maar bezwaar maken wordt lastig.

De komende tijd deel ik af en toe iets van onze belevenissen. Uiteindelijk verschijnt de hele tocht, met foto's, verhalen en indrukken, op mijn website.

Morgen vertrekken we.

Ik achter het stuur.
Pa ernaast.
De klompen voorin.

En pa kennende heeft hij nu al commentaar op mijn rijstijl.

En toen ging ieder weer zijn eigen weg

De laatste jaren van mijn vaders leven werden zijn wereld langzaam wat kleiner. Na ongeveer vijf jaar verzorging in woon-zorgcentrum De Dilgt in Haren kwam daar, op 86-jarige leeftijd, een einde aan.

Hij is er vredig ingeslapen.

Daarna bleef hij nog een aantal dagen op zijn eigen, vertrouwde kamer. Eigenlijk wel passend. Niet onmiddellijk weg, maar nog even blijven op de plek die de laatste jaren zijn thuis was geweest. Alsof hij nog niet helemaal haast had om aan zijn laatste reis te beginnen.

Uiteindelijk werd hij door het personeel van De Dilgt uitgeleide gedaan. Wij hadden als familie bewust besloten daar niet bij aanwezig te zijn. Ons eigenlijke afscheid zou later komen.

Pa vertrok dus alvast.

Best bijzonder voor iemand die de laatste jaren voor vrijwel alles hulp nodig had: ineens ging hij zonder ons op stap.

De bestemming was het Stadscrematorium in Groningen. Daar kwamen wij weer bij hem voor de afscheidsceremonie. Geen groot spektakel, maar een kleine, intieme setting die bij hem paste. Een gastspreekster vertelde zijn verhaal en ik mocht mij bezighouden met iets waarover ik wél graag de regie voer: de muziek.

De nummers had ik zelf uitgekozen en voorzien van beelden in een video. Nog één keer zijn leven voorbij laten komen, met een soundtrack die niet door een willekeurig crematoriumplaylistje werd bepaald.

Aan het einde verdween zijn kist langzaam achter parelwitte gordijnen.

Een merkwaardig definitief beeld. Je weet natuurlijk precies wat er gaat gebeuren en toch denkt een deel van je: doe die gordijnen nog maar even open.

Maar dat gebeurde niet.

En daarna voltrok zich dat wonderlijke Nederlandse ritueel dat blijkbaar zelfs de dood niet klein krijgt: koffie en thee met koek en cake.

Er werden handen geschud. Herinneringen gedeeld. Hier en daar een lach tussen de tranen door. Nog even praten met mensen die hem hadden gekend en daarna jassen aan, naar de auto's en weer naar huis.

Iedereen ging zijn eigen weg.

Pa ook.

Al zou later blijken dat die van hem nog een onverwacht ommetje via Assen zou maken.

Zelfs zijn laatste reis verliep dus niet helemaal volgens de oorspronkelijke routeplanning.

Een Groninger die voor zijn crematie naar Drenthe moest

We namen afscheid van mijn vader in het Stadscrematorium in Groningen. Zoals het hoorde: in zijn eigen Groningen, met familie om hem heen en alle ruimte voor herinneringen, verdriet en een waardig vaarwel.

Alleen zat er nog een klein technisch detail aan het programma.

De daadwerkelijke crematie kon daar op dat moment niet plaatsvinden. Daarom werd mijn vader voor de crematie overgebracht naar De Boskamp in Assen.

En zo kreeg mijn vader, zonder daar zelf nog enige inspraak in te hebben, na zijn afscheid ineens een enkele reis naar het buitenland.

Nou ja… Drenthe.

Hij werd naar crematorium De Boskamp in Assen gebracht. Een andere provinciehoofdstad nota bene. Voor een trotse Groninger toch een opmerkelijke laatste administratieve vernedering.

Wij waren daar als gezin en familie niet bij. Ons afscheid had immers al plaatsgevonden in Groningen. Dat laatste stukje van zijn reis maakte hij zonder ons.

En juist daarom hoort Assen bij mijn tocht.

Want als ik nu zijn levenssporen volg, kan ik moeilijk zeggen: “Tot aan de provinciegrens, pa, daarna zoek je het zelf maar uit.”

Dus rijden we straks ook naar De Boskamp.

Ik achter het stuur. De Groninger vlag op de bijrijdersstoel. De klompen erbij.

Voor de zekerheid houd ik de vlag daar maar goed zichtbaar.

Hij is tenslotte lang genoeg in Drenthe geweest.


Vader is met de gieter in de weer

Vandaag stond een bijzonder stukje van de tocht op het programma. Ik wilde de route rijden die mijn vader na zijn afscheid zelf ook nog heeft afgelegd: van het Stadscreatorium

in Groningen naar De Boskamp in Assen.

Groningen uit. Drenthe in.

Een mooie rit, had ik bedacht. Rustig rijden, onderweg wat foto's maken en ondertussen bedenken dat pa ditzelfde stukje — zij het onder iets andere omstandigheden — ook heeft afgelegd.

Alleen had iemand kennelijk bezwaar tegen het woord mooi.

Toen ik vanmorgen naar buiten keek, was de lucht grauw. Niet een beetje grijs, maar zo'n degelijke Noord-Nederlandse grauwsluier waarvan je onmiddellijk weet: dit blijft voorlopig zo.

En het regende.

Voortdurend.

Zoals ze in het Frans zeggen: il pleut.

Mijn gedachten maakten daarbij een merkwaardige omweg naar zo'n ander onvergetelijk stukje schoolfrans: papa fume une pipe.

Maar nee.

Papa rookte vandaag geen pijp.

Papa was blijkbaar met de gieter in de weer.

Want waar ik ook reed, het water bleef naar beneden komen. Groningen: regen. Onderweg: regen. Assen: regen.

Nou bedankt, ouwe!

Je zou bijna denken dat hij daar ergens boven heeft zitten wachten tot ik aan deze tocht begon.

"O, gaat-ie vandaag mijn laatste rit nog eens dunnetjes overdoen? Mooi. Even kijken waar ik die gieter heb gelaten."

Typische Huizinga-humor eigenlijk.

Geen donder en bliksem. Geen spectaculaire hemelse boodschappen. Gewoon urenlang gestage regen.

Lekker irritant.

Precies genoeg om te laten weten:

Ik ben er wel, jong.

Excuse me, Rob… I am your father

Bij De Boskamp aangekomen besloot ik nog wat extra foto's te maken en een stukje over de begraafplaats te lopen. Per slot van rekening kom je niet iedere dag terug op de plek waar je vader zonder jou zijn allerlaatste afspraak heeft afgewerkt.

Ik liep wat rond, maakte foto's en was behoorlijk in gedachten verzonken.

Ergens halverwege schoot ineens door mijn hoofd: Had ik de auto eigenlijk wel goed afgesloten?

Ik twijfelde.

Teruglopen?

Ach, het zou wel.

Mijn aandacht werd alweer getrokken door de omgeving en daarmee verdween de auto uit mijn gedachten. Hooguit een kwartiertje later liep ik terug.

Toen zag ik het.

Het portier aan de bijrijderskant stond open.

Dat was vreemd.

Van een afstand zag ik verder niets bijzonders, maar toen ik dichterbij kwam, bleek er iemand op de voorstoel te zitten. Een klein menselijk figuur. Kaal wordend, oud en zo op het eerste gezicht behoorlijk chagrijnig.

Precies het soort persoon dat je liever níét onverwacht in je auto aantreft.

‘Wat moet dat? En wie ben jij?’

Het mannetje draaide zich naar me toe en antwoordde op een valse, kurkdroge toon:

‘Excuse me, Rob. I am your father.’

Geweldig.

Even dacht ik dat ik door een scheur in het universum in zo'n vreselijke Star Wars-film terecht was gekomen. En laat ik daar nou nét niet op zitten te wachten.

Ik ben Trekkie.

Na enige uitleg — voor zover je de wartaal van een narrige oude indringer uitleg kunt noemen — begon het probleem duidelijk te worden. Dit vage individu beweerde de reïncarnatie van mijn vader te zijn.

Een heule slechte reïncarnatie, moet ik erbij zeggen.

Kennelijk was er ergens iets misgegaan in het space-timecontinuüm. Wat dat precies is weet ik niet, maar het klinkt als iets waarvoor iemand bij de gemeente waarschijnlijk een vergunning had moeten aanvragen.

Via die scheur had hij in ieder geval mijn auto gevonden.

En daar zat hij nu.

Op de plek van mijn vader.

Ik keek naar hem. Hij keek narrig terug.

Langzaam begon het tot me door te dringen dat ik voorlopig met hem opgescheept zat.

Joepie.

Ik mocht hem Walter noemen.

En terwijl ik achter het stuur stapte, hoorde ik in gedachten al die onmiskenbare stem van Jeff Dunham.

Mijn tocht met pa had zojuist een tamelijk onverwachte wending genomen.

De Groninger vlag had een medepassagier gekregen.

En ik?

Ik wist ineens weer héél zeker waarom je altijd je auto moet afsluiten.

Een spectaculaire start. Nou ja…

Het had een spectaculaire start van de tocht moeten worden.

Ik had voor vandaag namelijk nog veel meer op het programma staan. Mooie plekken, foto's, herinneringen en natuurlijk mijn vader op de bijrijdersstoel — inmiddels in welke verschijningsvorm dan ook.

Ik had alleen bij de planning één klein detail over het hoofd gezien:

Pa beheert tegenwoordig blijkbaar het weer.

En daar blijkt hij dus totaal niet mee om te kunnen gaan.

Regen, regen en nog eens regen. Voor een deel van mijn plannen heb ik toch echt iets nodig wat ze elders in Nederland schijnen te kennen als de zon. Dus heb ik besloten die plannen door te schuiven.

Jammer, maar geen ramp. Deze tocht heeft tenslotte geen haast.

Ondertussen ga ik gewoon verder met de voorbereidingen. Routes uitzoeken, plekken opsporen, foto's verzamelen en vooral graven in het verleden naar grappige anek… anecdotes… anekdoten…

Whatever.

Verhaaltjes dus.

Want hoe meer ik opdiep, hoe meer ik ontdek dat deze reis niet alleen gaat over de plekken waar mijn vader is geweest. Het zijn juist de kleine verhalen eromheen die hem langzaam weer een beetje zichtbaar maken.

Morgen doe ik het rustig aan. Even relaxen, ordenen en waarschijnlijk af en toe naar boven kijken of de dienstdoende weerman zijn gieter inmiddels heeft opgeborgen.

Vanaf maandag gaan we verder.

Meer plekken. Meer ontdekkingen. Meer herinneringen en ongetwijfeld weer de nodige onzin.

En pa?

Die gaat gewoon mee.

Maar als het maandag wéér regent, lever ik officieel een klacht in bij de directie daarboven.


Jong, ’t is ja net of 't luchtalaarm af gait…

Zaterdagavond. Voetbal op televisie, noise-cancelling koptelefoon op en ondertussen lekker knallende melodic & progressive house/techno door de oren.

Je kent het wel: opzwepende beats, drums en eindeloos herhalende piep-piep-boem-boem-geluiden waarvan de liefhebber zegt dat het muziek is.

En toen hoorde ik ineens een stem.

“Jong, ’t is ja net of 't luchtalaarm af gait.”

Meer niet.

Ik keek om me heen.

Niks.

Ik zal me wel vergist hebben. Misschien even weggedommeld. Het kon in ieder geval Walter niet zijn. Die knauwende Yank heeft zo zijn eigen irritante, valse geluid en is inmiddels helaas uitstekend herkenbaar.

Nee.

Dit klonk verdacht veel als mijn vader.

En toen kreeg ik een brainwave. Een ingeving. Visioen. Boodschap van gene zijde. Noem het wat je wilt.

Er verscheen een adres in mijn hoofd:

Nummer 2, Baron van Asbeckweg.

Geen idee.

Google erbij. Resultaat.

Luchtwachttoren 7O1, Warfhuizen.

Aha.

Die ouwe taaie wilde blijkbaar dat ik zondagmorgen vroeg naar Warfhuizen reed. Kennismaken met een stukje van zijn wereld waarover ik eigenlijk maar weinig weet: zijn militaire diensttijd.

Ik wist dat hij destijds betrokken was geweest bij de beveiliging van luchtmachttoestanden. Maar hoe dat precies zat, welke wereld daarbij hoorde en wat hij daar heeft meegemaakt?

Geen flauw idee.

En juist dát begint zo langzamerhand het mooie van deze tocht te worden. Pa vertelt niks meer, maar stuurt me kennelijk wel op pad.

Dus zondagochtend vroeg: richting Warfhuizen.

Voor het landsbelang.
Voor volk en vaderland.
Voor de Keuning — én de Keunegin.
En vooral voor mijn vader.

Maar er zijn natuurlijk grenzen aan vaderlandsliefde.

Ik moest wél op tijd terug zijn om FC Groningen in Den Haag te zien spelen.

De residentie!

Koning, krijgsmacht, luchtwacht, Den Haag, FC Groningen en mijn vader…

Kijk, zo komt uiteindelijk alles weer mooi bij elkaar. Nu nog eem winnen!

En ergens hoor ik hem alweer:

“Jong, dou dien koptelefoon toch ais wat zachter. 🎧

Ik zou het vandaag rustig aan doen…

Het plan voor vandaag was simpel: rustig aan doen.

Dat lukte uitstekend.

Totdat ik vanmorgen bij de luchtwachttoren in Warfhuizen stond.

Maar goed, dat uitstapje was inmiddels van hogerhand geregeld, dus daarna netjes naar huis voor het voetbal. FC Groningen won met 4-1 van de residentieclub, dus wat mij betreft was de zondag daarmee al behoorlijk geslaagd.

En toen begon het toch weer te kriebelen.

Er ontbrak namelijk nog een stukje aan de reis van mijn vader: de rit van woon-zorgcentrum De Dilgt in Haren naar het Stadscrematorium in Groningen. Binnen hoefde ik niet meer te zijn. Ik wilde alleen die route rijden en vastleggen.

Simpel.

Dacht ik.

Want kennelijk zat daarboven iemand alweer grinnikend naar beneden te kijken.

Bij Haren begon het.

Verkeersbord.

Nog een verkeersbord.

Afzetting.

Omleiding.

En jawel hoor: de Dilgtweg lag eruit.

Uitgerekend de laatste meters naar De Dilgt.

Je verzint het niet. Ik wist het werkelijk niet van tevoren, maar begon inmiddels wel een vermoeden te krijgen wie dit geregeld had.

“Zo jong, wolst mie achternoa? Kiek moar hou dast doar komst.”

Nou bedankt, pa.

Dus eerst maar een toeristische route door Haren. Een beetje links, een beetje rechts en vooral niet de kant op die ik oorspronkelijk bedacht had.

Uiteindelijk lukte het natuurlijk wel.

Daarna kon de reis richting Groningen beginnen. De ringweg op en verder naar het Stadscrematorium. Hetzelfde traject dat mijn vader na zijn overlijden ook heeft afgelegd, alleen hoefde hij zich destijds vermoedelijk iets minder druk te maken over omleidingen.

Bij het crematorium was open die dag.

Wees welkom!

Nou, dank u vriendelijk.

Maar vrees niet.

Ik heb rondgekeken en ben weer vertrokken.

Er gaat hier voorlopig nog helemaal niets de pijp uit.

En pa?

Die heeft boven waarschijnlijk weer een geslaagde zondag gehad.

Luchtwachttoren, voetbal, wegafsluitingen en een open crematorium.

Typische Huizinga-fratsen. Zelfs rustig aan doen moet blijkbaar via een omleiding.

Navigatiestation G 

Japie Potgieter was vandaag alweer vroeg uit de veren.

Kennelijk heeft hij daarboven inmiddels een volledige dagtaak aan het verzinnen van manieren om mij het leven zuur te maken. Regen, omleidingen, vage boodschappen uit het hiernamaals… die man begint aardig op stoom te raken.

Nu ben ik uiterst positief van aard en bovendien niet voor één gat te vangen.

Maar alles heeft grenzen.

Zelfs bij mij.

Goed.

Vanmorgen kwam mijn moeder ineens met een lumineuze mededeling:

“Je vader reed tijdens zijn militaire dienst op de fiets rondjes tussen Appingedam en Holwierde. Op patrouille.”

Pardon?

Kijk, dát zijn dus van die details die je misschien iets eerder had kunnen vertellen.

Het bleek te gaan om de beveiliging van navigatiestation G. Een militair navigatiestation uit de Koude Oorlog.

Die G zal toch niet voor Groningen hebben gestaan?

Oeps.

Geheim verklapt.

Ik vermoed dat Igor en Boris destijds diep onder de indruk moeten zijn geweest. Terwijl aan de andere kant van het IJzeren Gordijn de raketten klaarstonden, hadden wij in Groningen mijn vader.

Op de fiets.

Rondjes tussen Appingedam en Holwierde.

Kom d'r moar om.

En het mooiste is misschien nog wel wat hij daar mede stond te bewaken: installaties die in het vlakke Groninger landschap vermoedelijk ongeveer de uitstraling hadden van een stel strategisch geplaatste putdeksels.

Daar moest de vijand dus vanaf blijven.

En pa hield een oogje in het zeil.

Vandaag ga ik kijken wat er nog van dat stukje militaire geschiedenis terug te vinden is. Waar fietste hij? Wat stond daar precies? En is er na al die jaren überhaupt nog iets zichtbaar?

Weer of geen weer.

Dus Japie Potgieter: doe je best daarboven.

Pak die gieter er maar weer bij.

Ik ga toch.

Voor volk en vaderland, voor het voormalige navigatiestation G…

en om eindelijk eens te controleren waar mijn vader in vredesnaam al die rondjes voor fietste.

H I E P E R D E R P I E P   H O E R A !!!

Even netjes voor de jarige

Wat een knapperd hè, pa?

Rustig maar.

Het is je zoon. Bij de kapper.

Want als jij vandaag dan toch je 87e verjaardag viert, kan ik natuurlijk niet met een verwilderde kop naast je in de auto gaan zitten.

Er zijn grenzen.

Dus eerst maar even langs de kapper. Beetje knippen, fatsoeneren en de boel weer enigszins toonbaar maken.

Je moet er tenslotte een beetje netjes uitzien op de feestdag van je vader.

Niet dan?

Daarna gaan we samen op pad.

Geen ingewikkeld draaiboek. Geen militaire precisie, geen navigatiestation G dat beveiligd moet worden en als het even kan ook geen geheimzinnige opdrachten vanuit het hiernamaals.

Gewoon jij en ik.

We zien wel waar we terechtkomen.

Beetje rijden. Beetje kijken. Misschien ergens stoppen. Herinneringen ophalen. Waarschijnlijk tegen je praten alsof je gewoon naast me zit.

En jij zegt natuurlijk weer niks terug.

Ook weleens lekker trouwens.

Dus kom op, ouwe.

Je zoon zit weer strak in de coupe.

Jij bent jarig.

We maken gewoon ff een rondje…

87 — terug naar waar het begon

Vandaag zou je 87 jaar zijn geworden.

Zou.

Want zelf besloot je dat die verjaardag niet meer hoefde.

Je vader pakte dat anders aan. Die tikte de 87 wél aan en ging daarna doodleuk nog een flink eind verder. Wat levensduur betreft heeft opa die familiewedstrijd dus overtuigend gewonnen.

En jij gaat waarschijnlijk weer van mij winnen.

Dat lijkt me tenminste de logische volgorde.

Opa goud. Jij zilver. Ik brons.

Ach.

Brons glimt ook.

Maar vandaag gaat het niet om klassementen, leeftijden of wie het langst volhoudt. Vandaag ben je gewoon jarig.

En dus vier ik je 87e verjaardag.

Niet met een kring visite, slagroomtaart en de vraag of iemand nog koffie wil, maar op mijn manier.

Door terug te gaan naar het begin.

Raalte. Overijssel. 1939.

De plaats waar jij ter wereld kwam.

Ik wilde nog één keer gaan kijken naar dat eerste stukje aarde van jouw leven. De plek waar ergens een wieg heeft gestaan, waar mensen voor het eerst naar je hebben gekeken en vermoedelijk nog geen flauw idee hadden wat ze zich met jou op de hals hadden gehaald.

Alleen heeft Raalte sinds 1939 natuurlijk niet stilgestaan.

Het geboortehuis is verdwenen.

Op die plek zit tegenwoordig Haarco, een woonwinkel voor vloeren, gordijnen en raamdecoratie op maat.

Kijk.

Dat hadden ze in 1939 waarschijnlijk ook niet zien aankomen.

Waar ooit jouw wieg stond, kun je tegenwoordig kiezen uit tientallen soorten vloerbedekking. Waar jij misschien als pasgeboren baby naar het plafond lag te staren, hangen nu stalen gordijnstof in meer kleuren dan een mens redelijkerwijs nodig kan hebben. En waar iemand ooit voorzichtig om jouw wieg heen liep, wordt nu waarschijnlijk serieus gediscussieerd over naturel eiken, lichtgrijs of warm beige.

De vooruitgang.

Een bordje met:

HIER WERD IN 1939 J. HUIZINGA GEBOREN

hebben ze voor zover ik weet nog niet tussen de gordijnen en vloerstaaltjes gehangen.

Gemiste kans.

Desnoods in een bijpassende kleur.

Dus naar binnen.

Niet voor PVC. Niet voor raamdecoratie. Niet voor deskundig interieuradvies.

Maar omdat mijn vader daar geboren was.

Ik was amper binnen of mijn aandacht werd onmiddellijk getrokken.

Er stond namelijk een dwarsdoorgesneden babyblauwe Volkswagen Kever.

Serieus.

Precies zo'n Kever als mijn vader vroeger had. Het autootje waarmee wij onze eerste vakanties maakten.

Naar waar?

Juist.

Overijssel.

Het blijft trekken.

Je gaat op de 87e verjaardag van je overleden vader naar diens geboorteplek en het eerste wat je daar tegenkomt is zo'n beetje de halve uitvoering van zijn oude auto.

Walter keek ernaar.

“It's half a car.”

‘Een Kever.’

“Half a Beetle.”

‘Mijn vader had er zo eentje.’

Hij keek nog eens.

“A whole one, I hope.”

Ja, Walter.

Een hele.

Daarna raakte ik in gesprek met een medewerker van de winkel. Ik vertelde over mijn vader, zijn verjaardag, mijn herinneringstocht en waarom ik in vredesnaam een woonwinkel was binnengelopen op zoek naar een huis dat al lang niet meer bestaat.

Ik vroeg of ik misschien een kleinigheid kon kopen. Gewoon iets tastbaars als herinnering aan de plek.

Lang verhaal kort:

ik heb niets kunnen kopen.

Dat klinkt commercieel gezien natuurlijk als een tamelijk beroerde afloop.

Maar ik ging bepaald niet met lege handen naar buiten.

Ik kreeg een paar kleine herinneringsattributen mee. En eentje daarvan was helemaal raak: iets over oud-Raalte.

Kijk.

Dáár kan ik wat mee.

En er bleek misschien zelfs nog een spoor te zijn naar oude foto's van het huis dat vroeger op deze plek stond.

Het geboortehuis van mijn vader.

Tja.

Dan kom je binnen omdat je voor een paar euro iets tastbaars wilt meenemen en loop je naar buiten met herinneringen, een nieuw spoor en misschien zelfs uitzicht op beelden van een stukje familiegeschiedenis waarvan je dacht dat het verdwenen was.

Daar kan geen rol gordijnstof tegenop.

Ik keek nog één keer naar de halve babyblauwe Kever.

Een huis verandert.

Een straat verandert.

Een dorp verandert.

De vloer waarop mensen lopen wordt vervangen. Gordijnen gaan open en dicht. Kleuren raken uit de mode en komen jaren later ineens weer terug.

En mensen verdwijnen.

Wat uiteindelijk blijft, is het verhaal dat aan zo'n plek vastzit.

Dus daar stond ik.

Op jouw 87e verjaardag.

Op de plek waar het allemaal begon.

Niet omdat er nog iets stond wat jij herkend zou hebben.

Integendeel.

Alles was veranderd.

Nieuwe vloeren. Nieuwe gordijnen. Nieuwe kleuren.

Maar onder al die lagen geschiedenis lag nog steeds dezelfde plek.

Raalte. 1939.

Daar begon jouw verhaal.

En 87 jaar later kom ik er nog één keer langs om te zeggen:

Kijk pa.

Ik ben er.

Ik weet waar het begon.

En ik ben je niet vergeten.

Chapeau, ouwe.

Van harte met je 87e. 🎂


Nog even shoppen in Raalte

Na alle familiegeschiedenis was ik natuurlijk nog lang niet klaar met Raalte.

Je bent tenslotte maar één keer op de 87e verjaardag van je overleden vader in zijn geboorteplaats. Dan mag je de lokale economie ook een beetje steunen.

Maar eerst: de innerlijke mens.

Dus naar Jorink. De echte bakker, zeggen ze er nadrukkelijk bij.

Dat schept verwachtingen.

En ik viel er bij wijze van spreken meteen met mijn neus in de boter. Er was lekkers én lunch.

Kijk, dan heb je mij.

Na de lunch nog even langs de vitrines en schappen. Daar begon het verdacht veel op Sinterklaas te lijken. Speculaas hier, speculaas daar, speculaas in allerlei Sallandse verschijningsvormen.

Mijn oog viel vooral op de ‘wereldberoemde’ Luykens Speculaas.

Wereldberoemd.

In Raalte in ieder geval.

What's in a name.

Een flinke ronde brok speculaas die — zo werd mij verzekerd — verrassend zacht van binnen en heerlijk krokant van buiten is.

Kijk.

Dat klinkt goed.

Weer eens wat anders dan hard van binnen en boterzacht van buiten.

Dus die ging mee. En omdat ik thuis natuurlijk onmogelijk kan aankomen met alleen iets voor mezelf, verdwenen er nog wat andere pakjes cookies in de tas.

Kijk mij eens internationaal bezig zijn in Salland.

Thuis lusten ze dat spul namelijk ook wel.

Daarmee zat het bezoek aan Raalte er zo langzamerhand op. Vaders geboorteplek gevonden, een halve Kever ontmoet, een stukje familiegeschiedenis dichterbij gehaald en bij de bakker mijn koopdrift alsnog de vrije hand gegeven.

Missie geslaagd.

Tijd om verder te gaan.

Op naar de Sallandse Heuvelrug.

Ik achter het stuur, Walter met ongetwijfeld commentaar naast me en ergens daartussen pa.

En een auto vol koek.

Want een herinneringstocht op een lege maag, daar beginnen we natuurlijk niet aan.

Sallanders… valt reuze mee

Salland.

Sallanders.

Hoeveel ken ik er eigenlijk?

Niet zoveel.

Maar vandaag heb ik er een aantal in het wild mogen ontmoeten en ik kan inmiddels geruststellend melden:

het valt reuze mee.

Sterker nog, het zijn hartstikke aardige mensen. Vriendelijk, gastvrij en — ook niet geheel onbelangrijk — prima te verstaan.

Al hebben ze natuurlijk wel zo hun eigenaardigheden.

Vooral op taalgebied.

Want net als wij Groningers hebben ook de Sallanders bedacht dat gewoon Nederlands wel érg gemakkelijk zou zijn. Dus hebben ze hun eigen streektaal, dialecten, woorden, uitdrukkingen en vermoedelijk een paar klanken waarvoor je je mond eerst in een stand moet zetten die bij de gemiddelde logopedist tot lichte paniek leidt.

Wat ze er allemaal precies van gemaakt hebben, moet ik nog ontdekken.

Ik heb namelijk een boekje meegenomen vol Sallandse woordenbrij.

Dat wordt dus studeren.

En daar ga ik me vermoedelijk uitstekend mee vermaken. Begrijpen en waarderen zal ik het sowieso, want uiteindelijk zijn we op taalgebied gewoon familie.

Eén grote Nedersaksische bende.

Wij zeggen het zus, zij zeggen het zo en twintig kilometer verderop hebben ze alweer besloten dat het nóg anders moet.

Prachtig toch?

Ik ga proberen er mijn voordeel mee te doen, want één ding weet ik na vandaag inmiddels zeker:

ik kom terug.

Ik ben nog lang niet uitgekeken in Salland.

En, zoals inmiddels ruimschoots bewezen is, ook nog lang niet uitgeshopt.

Dus de volgende keer arriveer ik hopelijk met een paar zorgvuldig ingestudeerde Sallandse volzinnen. Waarschijnlijk uitgesproken met een zwaar Gronings accent en voorzien van minstens drie klinkers die ter plaatse helemaal anders blijken te moeten.

Maar een kniesoor die daarop let.

Ze verstaan me vast wel.

En anders heb ik altijd nog handen en voeten.

Of ik wijs gewoon naar de koek.

Walter lust geen groenvoer

Na Raalte ging de tocht verder en uiteindelijk belandden we in Denekamp.

Tijd voor een avondmaal.

Bij Mr. Mayor – Lunch, Bistro & Grill vonden we een mooi plekje en daar zat ik dan, met tegenover mij mijn inmiddels vaste tafelgenoot.

Walter.

Armen over elkaar. Wenkbrauwen op standje onweer en die karakteristieke blik alsof de bediening hem zojuist persoonlijk verantwoordelijk had gesteld voor de rekening.

Voor mij verscheen een enorm bord.

Groen.

Heel veel groen.

Sla, rucola, tomaatjes, groenten en daartussen gelukkig nog wat zaken waarvan je met enige goede wil kon aannemen dat ze ooit iets anders waren geweest dan een plant.

Walter keek naar mijn bord.

Toen naar mij.

Weer naar mijn bord.

En trok een gezicht alsof ik zojuist een compostbak had leeggeschud en daar mes en vork naast had gelegd.

"What the hell is that?"

‘My hot meal, Walter.’

Hij keek nog eens.

"That's no hot meal. That's landscaping."

Ik wees hem erop dat het gezond was.

Verkeerde antwoord.

Zijn toch al norse gezicht vertrok nog een stukje verder.

"I'm not eating that. I'm not a goat!"

Goed.

Duidelijk.

Gelukkig stond er ook een flinke bak friet op tafel. Daar dwaalden zijn ogen opvallend vaak naartoe. Kijk, aardappelen zijn natuurlijk óók planten, maar blijkbaar verandert dat fundamenteel zodra je ze in repen snijdt en in kokend vet gooit.

Toen was meneer ineens een stuk minder principieel.

Dus daar zaten we bij Mr. Mayor.

Ik tegenover een bord waar een gemiddelde geit inderdaad een uitstekende middag aan zou hebben gehad, Walter tegenover mij met zijn armen demonstratief over elkaar.

En natuurlijk een flesje Rivella erbij.

Ook dat bekeek hij met argwaan.

Ik heb hem maar niet verteld dat Rivella gemaakt wordt met melkserum.

Voor je het weet begint hij over koeien.

Pa zou waarschijnlijk alleen maar hebben gekeken, gegrijnsd en gedacht:

Jong, bist nou helemaal noar Twente reden om doar gras te eten?

Ach.

Het smaakte uitstekend.

En Walter?

Die mocht naar de friet kijken.


The German Side

Na het eten — nou ja, ik had gegeten en Walter had er vooral afkeurend bij zitten pruimen — werd het tijd om vanuit Denekamp weer huiswaarts te keren.

Mijn Amerikaanse tafelgenoot was nog steeds niet te genieten.

Maar goed, dat is bij Walter inmiddels geen stemming meer.

Dat is een levenshouding.

Tijdens deze hele tocht had ik me voorgenomen me door die ouwe Amerikaanse dwarsligger niet op de kast te laten jagen. Sterker nog: als Walter een beetje kon uitdelen, mocht hij zo nu en dan ook best iets terug verwachten.

En af en toe vind ik het gewoon veel te leuk om hem een klein beetje te plagen.

Dus kreeg ik een idee.

We konden natuurlijk gewoon rechtstreeks terug naar huis rijden.

Maar…

we konden ook the German side nemen.

Even Duitsland in.

Ik keek opzij.

Walter keek terug.

En aan zijn gezicht zag ik onmiddellijk dat dit een uitstekend plan was.

Voor mij dan.

"Germany?"

‘Yep, Walter. Germany.’

Daar zat-ie.

In één klap nog drie tinten chagrijniger.

We zouden vanaf Oud-Ootmarsum de grens overgaan en een stukje door Duitsland rijden richting Coevorden. Gewoon lekker over de Landstraßen en onze aanwezigheid heel even internationaal maken.

Een beetje alsof we voor de terugweg ineens een buitenlandse route hadden geboekt.

Alleen zonder reisorganisatie.

En zonder voorbereiding.

Geen paspoort bij ons trouwens.

Gewoon de grens over.

Omdat het kan.

Danger is my middle name.

Nou, je had Walter moeten zien.

Bij het passeren van de grens kromp hij volgens mij fysiek een paar centimeter ineen. Hij keek naar buiten. Toen naar mij. Vervolgens weer naar buiten.

Argwanend.

Alsof achter iedere Duitse boom iets stond waar hij persoonlijk bezwaar tegen kon maken.

‘Welkom in die Heimat, Walter.’

Verkeerde opmerking.

Die blik.

Prachtig.

En dus reed ik vrolijk verder. Duitse dorpjes, Landstraßen en ondertussen af en toe nét iets te enthousiast een Duits woord uitspreken.

Jawohl!

Walter zei vrijwel niets.

Maar dat hoefde ook niet.

Zijn gezicht verzorgde de complete gesproken tekst.

Gelukkig voor hem duurde onze internationale omweg slechts van Oud-Ootmarsum tot Coevorden. Een reisverslaggever zal er vermoedelijk geen apart hoofdstuk aan wijden.

Toen kwam Nederland weer in zicht.

Ik zag het bord.

Walter zag het bord.

We reden de grens over.

En ik zweer het: nog nooit heb ik iemand zó opgelucht zien kijken bij het binnenrijden van Drenthe.

Een paar seconden bleef het stil.

Toen keek Walter mij aan.

Gortdroog.

"Next time, dipstick… we take the highway."

Ik heb tot Groningen dubbelgelegen.

Welcome back, Walter.

Op naar Weidum

Eigenlijk had ik gisteren, al bij je op bezoek willen gaan in het dorp waar je je allervroegste jeugd hebt doorgebracht.

Nou ja, jeugd…

Je eerste vijf levensjaren.

En laat dat nou toevallig precies de vijf jaren van de Tweede Wereldoorlog zijn.

Lekker gepland, pa.

De familie Huizinga was namens de Noord-Nederlandsche Wegenbouwmaatschappij in het Friese Weidum terechtgekomen. Een klein dorp op het Friese platteland, onder de rook van Leeuwarden.

Daar bracht jij dus je eerste jaren door.

Terwijl elders in Europa de wereld compleet uit zijn voegen werd geblazen, zat de kleine Jacob tussen de Friezen.

Je kunt achteraf moeilijk bepalen wat erger was.

Rustig maar, Friezen. Grapje.

Ik kom eraan.

Eigenlijk dus gisteren. Maar inmiddels heb ik contact gehad met een paar mensen uit de omgeving en die wisten mij ervan te overtuigen mijn bezoek één dag uit te stellen.

Waarom?

Tja…

Daar deden ze nog een beetje geheimzinnig over.

En inmiddels weet ik uit ervaring dat geheimzinnigheid tijdens deze tocht meestal betekent dat ik ergens terechtkom waar mijn oorspronkelijke planning binnen vijf minuten volledig naar de knoppen gaat.

Dus vandaag gaat het gebeuren.

Weidum.

Het dorp waar mijn vader als klein jongetje rondliep. Waar hij zijn eerste herinneringen moet hebben opgedaan en waar de oorlog voor hem geen geschiedenisboek was, maar simpelweg de wereld waarin hij opgroeide.

Wat ik daar precies ga aantreffen?

Geen idee.

Maar zoals ze in Friesland zeggen:

Wêrom? Dat sille wy dan wol sjen. Ik bin benijd!

Oftewel:

Waarom?

Dat zullen we dan wel zien.

Ik ben benieuwd!

Dít is dus de reden.

Ik zou gisteren naar Weidum gaan. Op pa z'n verjaardag. Keurig gepland, dacht ik zelf.

Maar nee.

Vanuit Friesland kwamen geluiden dat ik beter vandaag kon komen.

Waarom?

Dat zouden we dan wel zien.

Nou, ik heb het inmiddels gezien.

Vandaag wordt in Weidum namelijk de 50e Frouljus PC gehouden. Hoofdklasse dameskaatsen. Een jubileumeditie nog wel.

Kijk.

Dan begin ik langzamerhand te begrijpen waarom ze mij gisteren liever nog even buiten het dorp hielden.

Ik wilde alleen maar rustig komen kijken waar mijn vader tijdens zijn eerste vijf levensjaren had gewoond.

Beetje rondkijken.

Fotootje maken.

Herinnering ophalen.

En blijkbaar hebben de Friezen gedacht:

Sa kin dat net.

Als die Groninger dan toch naar Weidum komt, dan zullen we hem ook meteen laten zien waar hij terechtgekomen is.

Kaatsen.

Nu moet ik eerlijk bekennen dat mijn actieve kennis van deze sport ongeveer ophoudt bij het feit dat er een bal bij betrokken is en dat Friezen er bijzonder serieus bij kunnen kijken.

Maar vandaag ga ik me erin verdiepen.

De 50e Frouljus PC.

In Weidum.

Toeval?

Waarschijnlijk.

Maar tijdens deze tocht ben ik inmiddels wel een beetje klaar met toevalligheden.

Dus vooruit, pa.

Ik kom eraan.

Naar het dorp waar jij als kleine jongen tijdens de oorlog rondliep en waar vandaag een compleet Fries kaatsspektakel losbarst.

Een Groninger tussen de Friezen.

Wat kan er misgaan?

En mocht ik de spelregels niet begrijpen, dan knik ik gewoon ernstig en roep af en toe: “Bêst genôch!”

Volgens mij kom je daar in Friesland een heel eind mee.

En anders zeg ik gewoon dat ik Groninger ben.

Dan verwachten ze toch al niet zoveel meer van me.


Ligt het misschien gewoon aan mij?

Na alles wat ik de afgelopen dagen heb meegemaakt — en waarvan ik hier nog maar een klein gedeelte heb verteld, want geloof me: er is zoveel meer — begin ik mezelf zo langzamerhand toch een paar vragen te stellen.

Misschien ligt het namelijk gewoon aan mij.

Want soms gebeuren er dingen die volgens iedere redelijke analyse gewoon toeval zouden moeten zijn.

Alleen begint dat toeval zich inmiddels wel opvallend vaak met mijn reis te bemoeien.

Een overleden vader die zich voortdurend met mijn routeplanning lijkt te bemoeien. Een Volkswagen Kever die precies op het juiste moment opduikt. Regenbuien waarbij ik onmiddellijk aan pa denk. Plaatsen, voorwerpen en verhalen die ineens iets met elkaar blijken te hebben.

En dan natuurlijk Walter.

Die cynische Amerikaanse mopperkont die zich inmiddels gedraagt alsof hij gewoon onderdeel van de familie is.

Je gaat toch nadenken.

Familieleden zullen ondertussen waarschijnlijk ook weleens denken:

Waar haalt-ie het allemaal vandaan?

Terechte vraag.

Ik kan het zelf ook niet altijd verklaren.

Blijkbaar heb ik een hoofd dat niet zo goed is in dingen gewoon voorbij laten komen. Er moet naar gekeken worden, over nagedacht worden en voor je het weet zit er alweer een verhaal aan vast.

Een oude foto wordt een aanwijzing. Een regenbui wordt pa met de gieter. Een halve Volkswagen Kever is ineens geen halve Volkswagen Kever meer, maar een herinnering die precies op het juiste moment komt aanrijden.

Mijn hoofd maakt er vanzelf iets van.

Misschien soms iets méér dan strikt noodzakelijk.

Maar ach.

Dat is waarschijnlijk ook precies waarom deze tocht voor mij werkt.

Ik ben begonnen met het idee dat ik de plekken uit het leven van mijn vader zou bezoeken. Feiten verzamelen. Foto's maken. Herinneringen terughalen. Een soort reis door zijn geschiedenis.

Maar onderweg gebeurt er iets anders.


Twaalf Friese famkes en een ienemienie balletje

Een kaatstoernooi dus.

En niet zomaar eentje.

De 50e editie in Weidum.

Ik was nog maar nauwelijks gearriveerd of het Fries vloog me alweer van alle kanten om de oren. Door de speakers, naast me, achter me, voor me…

Mijn hersenen schakelden automatisch de ondertiteling in.

Heel handig.

Alleen ontbreekt er één klein detail:

de Nederlandse vertaling.

Er verschijnen in mijn hoofd complete zinnen onder de gesprekken, maar wat daar precies zou moeten staan ontgaat me volledig.

“Bjusterbaarlik moai keatsen, hear.”

Ondertiteling: [FRIES GEPRAAT]

Zoiets.

Maar verder hadden ze het uitstekend voor elkaar. Ik beschikte zelfs over een gereserveerde parkeerplaats bij de kerk.

Kijk.

Zo ontvang je een Groninger.

Gratis toegang bovendien én volop consumptiebonnen.

Mijn integratie in de Friese samenleving verliep plotseling een stuk soepeler.

En toen het kaatsen zelf.

Ik heb echt geprobeerd het te begrijpen.

Serieus.

Op het veld stonden vier ploegen van drie dames, iedere ploeg herkenbaar aan een eigen kleur.

Ik kwam voor het kaatsen, dus probeerde ik vooral te begrijpen hoe het spel in elkaar zat.

Dat bleek nog niet zo eenvoudig.

Want na enige bestudering kon ik voorlopig slechts één technische conclusie trekken:

dat balletje is wel héél erg klein.

Zo klein zelfs dat ik een aanzienlijk deel van de wedstrijd vooral bezig was met de vraag waar dat kreng überhaupt gebleven was.

Er werd opgeslagen.

Er werd gerend.

Er werd teruggeslagen.

Het publiek keek gespannen.

Iemand riep iets in het Fries.

Applaus!

Ik ook maar klappen.

Geen idee waarom.

De Friese toeschouwers om mij heen leken het spel ondertussen moeiteloos te volgen. Die zagen kennelijk precies waar de bal was, welke ploeg ervoor stond en waarom iedereen ineens enthousiast werd.

Zij wel.

Ik probeerde ondertussen vooral het balletje te volgen en deed alsof ik de rest volledig begreep.

Af en toe ernstig knikken.

Beetje deskundig kijken.

En op het juiste moment:

“Bêst genôch!”

Volgens mij was ik bijna ingeburgerd.

Maar naarmate de dag vorderde, begon er warempel iets te gebeuren.

Ik begon het spel een beetje te begrijpen.

Niet meteen overdrijven natuurlijk. Als iemand mij op dat moment een officieel examen Kaatsen voor Groningers had voorgelegd, was ik waarschijnlijk met vlag en wimpel gezakt. Maar langzaam begon ik te zien dat er achter dat heen-en-weer rennen met dat kleine witte balletje een spel zat vol techniek, tactiek en vooral ontzettend veel vaardigheid.

En respect.

Want later, toen ik zo'n kaatsbal zelf eens in handen kreeg, ontdekte ik pas hoe hard zo'n ding eigenlijk is. Vanaf mijn veilige plek achter de reclameborden had het er nog betrekkelijk onschuldig uitgezien. Maar wie zo'n bal met de blote hand het veld over jaagt, moet weten wat ze doet.

Dat veranderde mijn blik op het spel behoorlijk.

Wat aanvankelijk voor mij vooral een vrolijk Fries raadsel was — vier gekleurde ploegen, een bijna onzichtbare bal en een verzameling termen waarvan ik geen chocola kon maken — werd gedurende de dag steeds meer een sport die ik begon te waarderen.

En dat was uiteindelijk het leukste van die hele dag.

Ik kwam naar Weidum zonder verstand van kaatsen.

Ik vertrok nog steeds bepaald niet als deskundige, maar inmiddels begreep ik ongeveer waarom iedereen om mij heen er zo fanatiek mee bezig was.

Al met al een prachtige kennismaking met het Friese kaatsen.

En dat allemaal dankzij een ienemienie wit balletje.

EVEN NAAR JELLE.

Daar zat ik dan.

Met m'n neus boven op het kaatsveld, direct achter de reclameborden.

Euh, pardon:

de buorden mei Fryske reklames.

En mijn oog viel onmiddellijk op een bord met de veelzeggende tekst:

EVEN NAAR JELLE.

Mét punt.

Echt.

Die punt stond er ook.

Dat was dus mijn officiële kennismaking met de Friese reclamewereld rond het kaatsen. Een bord dat niet vroeg of ik misschien even naar Jelle wilde.

Nee.

Even naar Jelle. Punt.

Friese duidelijkheid.

Ik voelde me meteen thuis.

Eenmaal gesetteld tussen de mensen rond het veld viel het trouwens allemaal reuze mee. Om me heen bleef het natuurlijk voortdurend Fries, maar na verloop van tijd begon mijn ingebouwde ondertitelingssysteem zowaar resultaat te boeken.

Friese klanken worden nét even anders uitgesproken dan in het Grunnegs of Nederlands. Hier wat inslikken, daar wat verdraaien, een paar letters waarvan kennelijk collectief is besloten dat je ze best anders kunt uitspreken…

Maar warempel:

ik begon er iets zinnigs van te maken.

En de mensen waren aardig. Ze probeerden deze verdwaalde Groninger zelfs uit te leggen waar hij eigenlijk naar zat te kijken.

Aan het eind van de dag begon ik zowaar patronen te herkennen. Ik zag langzamerhand hoe punten ontstonden.

Hoera!

Toen moest ik alleen het scorebord nog begrijpen.

Of scorebord…

Er stonden een soort kruisingen tussen paasbomen en kerstbomen langs het veld. Daar werden bordjes, plankjes en andere versieringen in gehangen.

Rood en wit.

SPUL. EARST. KEATS.

En daaronder allerlei gekleurde dingen die verdacht veel op paaseieren leken.

Ik telde er volgens mij zes.

Geen idee waarom.

Maar inmiddels had ik geleerd dat je bij het kaatsen niet bij ieder Fries woord onmiddellijk vragen moet stellen. Soms is het verstandiger om gewoon ernstig te kijken en te doen alsof je precies weet wat er gebeurt.

Op iedere hoek zat bovendien nog iemand.

Maar deze mensen zaten minstens een meter hoger dan de rest.

Dus die moesten wel héél belangrijk zijn.

Ze stonden duidelijk in hoog aanzien.

Letterlijk.

En dan liepen er ook nog mensen rond met Karmaster of iets dergelijks op hun rode shirt.

Geen idee.

Wat karma met sterrenkunde én kaatsen te maken heeft, moet ik nog uitzoeken.

Mensen in bruine shirts droegen ondertussen het opschrift BESTJOER.

Dat begreep ik dan weer onmiddellijk.

Die waren dus de baas.

Waarschijnlijk.

En alsof er nog niet genoeg personeel rondliep, was er ook een compleet kinderleger van bekerbern.

Dat vond ik dan weer glashelder.

Kinderen die bekers verzamelen.

Kijk, Fries kan ontzettend eenvoudig zijn als je maar weigert na te denken.

Ondertussen klonk er Friese muziek. Muziek die zelfs Shazam niet herkende, wat mij toch een behoorlijke prestatie lijkt.

Een man met een gitaar.

Een dweilorkest of zoiets.

Gelukkig zat ik daar een behoorlijk eind vandaan.

Maar alle gekheid op een stokje — rood-wit uiteraard — het was vooral ontzettend gezellig.

Ik kwam binnen als een Groninger die nauwelijks begreep wat er op en rond dat kaatsveld gebeurde.

Ik vertrok als een Groninger die inmiddels ongeveer begreep waarom het gebeurde.

En dat vind ik na één dag al een enorme overwinning.

De taal bleek steeds beter te volgen.

De mensen waren hartstikke aardig.

Het kaatsen begon zowaar ergens op te lijken.

En die merkwaardige verzameling rode mensen, stokken, blokjes, bomen, eieren, karmasters, bestjoerders en bekerbern?

Daar kom ik nog wel achter.

Ik ben tenslotte nog niet uitgekeken op Friesland.

Al met al een prachtige dag die ik niet snel zal vergeten.

Tankewol, Fryslân!

En Jelle?

Daar moet ik blijkbaar nog even naartoe.

Punt.

It wite goud fan Fryslân

Gisteren dacht ik nog heel naïef:

Even kaatsen kijken in Weidum en daarna door naar de volgende stop.

Even.

Dat liep dus anders.

Wedstrijd na wedstrijd. Regenbui na regenbui. Daar zat ik met mijn plu, als een verzopen Groninger tussen de Friezen, terwijl op het veld vier ploegen van drie dames onverstoorbaar doorgingen met dat voor mij nog tamelijk mysterieuze spel.

Tot het einde van de middag.

Mijn oorspronkelijke planning kon de prullenbak in.

Maar het kaatsen had me inmiddels wel nieuwsgierig gemaakt. Vooral dat kleine witte balletje dat ik vanaf mijn plek achter de reclameborden regelmatig volledig uit het oog verloor.

Dus de volgende dag moest ik zo'n kaatsbal maar eens van dichtbij bekijken.

Even googelen.

Bolsward.

Daar moest ik bij Sporthuis A.P. van der Feer zijn. Een van de weinige adressen waar je nog de echte handgemaakte kaatsballen kunt krijgen.

En toen kreeg ik zo'n ding in handen.

Pardon?

Dít is dat ienemienie balletje?

Zo'n kaatsbal weegt ongeveer twintig gram, is gevuld met paardenhaar, wordt met de hand gemaakt en kost zo'n 35 euro per stuk.

Vijfendertig euro!

Voor één balletje!

Dat is geen sportmateriaal meer.

Dat is gewoon:

it wite goud fan de provinsje.

Ik begrijp inmiddels ook waarom ze er op dat veld zoveel mensen omheen zetten. Als er drie van die dingen tegelijk verdwijnen, kun je een middelgrote hypotheek afsluiten.

Maar de grootste verrassing moest nog komen.

Die balletjes zijn namelijk bikkelhard.

Vanaf mijn veilige plek achter de reclameborden had dat kleine witte ding er de dag ervoor nog tamelijk onschuldig uitgezien. Klein, wit, nauwelijks te volgen.

Totdat je er zelf eentje in je hand krijgt.

Toen veranderde mijn kijk op het kaatsen behoorlijk.

Want dáár slaan die spelers dus met hun blote hand tegenaan.

Niet één keer.

Steeds opnieuw.

En dan niet zomaar een beetje aantikken. Zo'n bal moet met snelheid en precisie het veld over. Dat vraagt techniek, timing, kracht, oefening en volgens mij ook een behoorlijke dosis lef.

Ik had de dag ervoor vooral geprobeerd te begrijpen waar die bal heen ging, hoe de puntentelling werkte en waarom iedereen om mij heen kennelijk precies wist wat er gebeurde terwijl ik nog steeds naar dat ienemienie witte stipje zocht.

Nu begreep ik ineens iets anders.

Hoe knap het eigenlijk is.

Je kunt vanaf de zijlijn naar een sport kijken en denken: aardig spelletje.

Maar soms hoef je het materiaal maar één keer zelf vast te houden om te beseffen wat de mensen op het veld werkelijk presteren.

Dat gebeurde hier.

Dat kleine witte balletje bleek helemaal niet zo onschuldig.

En daarmee groeide ook mijn respect voor de spelers die er de hele dag mee in de weer waren.

Ik was naar Weidum gekomen als iemand die nauwelijks iets van kaatsen wist. Een dag later stond ik in Bolsward met zo'n bal in mijn hand en keek ik toch heel anders tegen die sport aan.

Niet omdat ik inmiddels alle regels begreep.

Verre van.

Maar ik begon wel te begrijpen hoeveel vaardigheid ervoor nodig is.

En die ene kaatsbal?

Die ging natuurlijk mee.

Eén exemplaar.

Voor 35 euro.

Mijn eigen stukje:

it wite goud fan Fryslân.

En voortaan weet ik één ding zeker:

als ik weer eens langs een kaatsveld sta en dat kleine witte balletje door de lucht zie vliegen, kijk ik er niet meer naar als dat grappige ienemienie ding dat ik nauwelijks kon volgen.

Ik weet nu hoe hard het is.

En vooral hoeveel kunde ervoor nodig is om ermee te kunnen kaatsen.

Respect.

De opslag bij het kaatsen.


Een winkel waar ik blij van werd

‘Hier word ik nou blij van.’

Dat vertelde ik de man achter de toonbank van De Ossekop in Bolsward.

En dat is op zichzelf al een opmerkelijke uitspraak, want we hebben het hier over een gereedschapswinkel.

Ik.

Gereedschap.

Mijn natuurlijke habitat is het niet direct.

Maar De Ossekop bleek méér. Tussen al het gereedschap stond ongeveer een halve woonkamer vol met Fryske toeristische snuisterijen. Vlaggen, hebbedingetjes, souvenirs en andere spullen waarvan je bij binnenkomst denkt: dat heb ik absoluut niet nodig.

Om er vervolgens mee naar buiten te lopen.

En achter de toonbank stond ook nog een meneer met wie je gewoon een leuk gesprek kon voeren.

Oprjocht geïnteresseerd.

Daar heb je het weer.

Het blijft Fryslân.

Natuurlijk kwam het kaatsen ter sprake. Inmiddels begin ik daar zelf al bijna deskundig over te praten. Het beroemde ienemienie kaatsballetje kwam zelfs nog even tevoorschijn.

Kijk mij eens geïntegreerd zijn.

Maar vervolgens nam het gesprek een onverwachte afslag.

Groningen.

De man bleek namelijk zelf graag in onze provincie te komen. Blauwestad, Winschoten en de omgeving daar. Hij vertelde hoe mooi het was om daar over de brug naartoe te fietsen.

Ho, wacht even.

Een Fries die uit eigen beweging vertelt dat hij Groningen mooi vindt?

Dan moet daar toch wel iets héél bijzonders aan de hand zijn.

Ik heb het voor kennisgeving aangenomen.

Misschien moet ik er zelf ook maar eens gaan kijken.

Wie weet.

Ondertussen begon mijn bezoek aan Fryslân ook logistieke gevolgen te krijgen.

Vrij naar Henk Wijngaard:

Met de wagen volgeladen…

Alleen niet met spullen voor de handel, maar met tassen vol Friese goodies.

Aanvankelijk had ik daar nog een uitstekend excuus voor: ik zou mijn broer, uiteraard FC Grunn, ermee op stang jagen.

Ha!

Kijk mij eens thuiskomen met Friese spullen.

Dat zal hem leren.

Alleen moet ik inmiddels iets bekennen.

Ik vond die spullen zelf gewoon veel te leuk om te laten liggen.

Zelfs het Frysk Folksliet op een tegel ging mee.

Ik!

Een Groninger!

Met het Friese volkslied op een tegel!

Ergens is tijdens deze herinneringstocht iets ernstig misgegaan.

En alsof dat nog niet genoeg was, kwam ik na mijn eerste bezoek ook nog terug voor een tweede ronde.

Ik was namelijk de Friese vlag vergeten.

Dat kon natuurlijk niet.

Dus opnieuw naar binnen.

Vlag erbij.

Auto nóg voller.

Mijn inburgering begint inmiddels zorgwekkende vormen aan te nemen.

Maar wat een leuke winkel. En vooral: alweer zo'n onverwacht prettig gesprek met iemand die gewoon belangstelling toont, een verhaal vertelt en de tijd neemt.

Dus ben je ooit in Bolsward, loop dan eens binnen bij De Ossekop.

Kijk rond.

Koop iets waarvan je vijf minuten eerder nog niet wist dat je het nodig had.

Maak een praatje.

En je zult merken:

het gaat heel natuurlijk.

Voor je het weet sta je buiten met een Friese vlag en het Frysk Folksliet onder je arm.

Ik kan het weten.

Beton. Ja, echt.

Ooit werkte mijn vader bij Nedam.

Ik weet nog van een werf in Peizermade, maar die is inmiddels verdwenen. En aangezien ik tijdens deze tocht niet alleen herinneringen wil ophalen, maar ze het liefst ook een beetje wil aanraken, zocht ik naar een hedendaagse verbinding met dat verleden.

Nedam werd uiteindelijk onderdeel van wat we nu kennen als Ballast Nedam.

Kijk.

Daar kon ik wat mee.

Mijn vader begon zijn carrière ooit als praktikant. Tussen het beton, de heipalen, bekistingen en andere zaken waarvan mijn hart niet onmiddellijk sneller gaat kloppen.

Het zij zo.

Niet iedereen kan dezelfde passies hebben.

Pa kende blijkbaar de charme van stenen en cement.

Ik wil daar niet over oordelen.

Nou ja…

Een beetje dan.

Maar als dit onderdeel was van zijn wereld, wilde ik er tijdens mijn tocht ook iets mee doen. Niet alleen een verhaal schrijven over beton.

Nee.

Ik wilde er zogezegd voeten aan geven.

Iets tastbaars.

En toen vond ik precies de verbinding waarnaar ik zocht.

Want waar kun je in Friesland voor een serieuze kennismaking met beton beter terecht dan in Kootstertille?

Bij Haitsma.

Specialisten in beton.

En het mooie?

Haitsma maakt deel uit van Ballast Nedam.

Bingo.

Nedam. Mijn vader. Beton. Ballast Nedam. HAITSMA. Kootstertille.

De cirkel was rond.

Dus trok ik de stoute schoenen aan en reed zonder afspraak naar de hoofdlocatie.

Inmiddels begint dat trouwens een beproefde onderzoeksmethode te worden.

Geen afspraak.

Geen ingewikkeld draaiboek.

Gewoon naar binnen en vertellen waarom ik er ben.

Bij de receptie vertelde ik over mijn vader, zijn werk, mijn herinneringstocht en mijn nogal merkwaardige wens om iets tastbaars mee te krijgen uit een wereld waarin beton kennelijk emoties kan oproepen.

Toen stelde ik eigenlijk maar één vraag:

‘Kun je mij enthousiast maken voor beton en Haitsma?’

Nou.

Dat konden ze.

Laat ik het zo zeggen:

ik vertrok met meer gewicht dan waarmee ik binnenkwam.

En een gedeelte daarvan was ook nog eens letterlijk in beton gegoten.

Kijk, dát bedoel ik dus met een herinnering tastbaar maken.

Mijn vader begon ooit tussen beton, bekistingen en heipalen. Ruim zestig jaar later loop ik in Friesland een betonbedrijf binnen om te ontdekken wat hij daar in vredesnaam zo interessant aan kon vinden.

En verdomd.

Ik begon het nog een beetje te begrijpen ook.

Want zo'n stuk beton is natuurlijk gewoon een stuk beton.

Totdat er een verhaal aan vastzit.

Dan wordt het ineens iets anders.

Een verbinding met een wereld waarin mijn vader als jonge man aan zijn loopbaan begon. Een wereld van bouwplaatsen, beton, heipalen en constructies waarvan hij waarschijnlijk aanzienlijk meer begreep dan ik ooit zal doen.

En precies daarom wilde ik hier naartoe.

Niet omdat ik plotseling een bovengemiddelde belangstelling voor betonconstructies heb ontwikkeld.

We moeten het wel geloofwaardig houden.

Maar omdat ook dit bij zijn leven hoorde.

Dat vind ik misschien wel een van de mooiste kanten van deze tocht. Je stapt ergens zonder afspraak naar binnen met een verhaal over je overleden vader en een tamelijk vreemde vraag…

En mensen doen gewoon mee.

Met enthousiasme.

Met belangstelling.

En in Friesland tot nu toe opvallend vaak met een enorme dosis vriendelijkheid.

Mooi man.

Dus bij dezen: hartelijk dank aan Haitsma voor de ontvangst en medewerking.

Pa zou het vast hebben kunnen waarderen.

En ik?

Ik heb inmiddels bewezen dat zelfs een herinneringstocht zwaarder kan worden naarmate je verder komt.

Letterlijk.

Nog even naar school, pa

En zo belandde ik aan het einde van alweer een bijzonder leuke dag van mijn herinneringstocht in Gorredijk.

Ook daar lag natuurlijk weer een spoor van mijn vader.

Hij had er ooit op de lagere school gezeten en vertelde me jaren geleden dat hij daar nog les had gehad van Hans de Jong, die later bekend werd als weerman van Radio Fryslân.

Kijk, zelfs het weer zat dus al vroeg in zijn leven.

Dat verklaart misschien die gieter van de afgelopen dagen.

Ik was al eens eerder bij die school geweest.

Mét hem.

Maar deze keer stond ik er alleen.

Nou ja, alleen…

Walter tel ik voor het gemak even niet mee.

Ongeveer twintig minuten voor sluitingstijd stapte ik ineens pontificaal zijn oude lagere school binnen. Geen afspraak, geen uitgebreide voorbereiding.

Gewoon naar binnen.

Dat begint zo langzamerhand een methode te worden.

‘Kan ik u helpen?’ klonk het.

Tja.

Hoeveel tijd heeft u?

Dus daar kwam het verhaal weer.

Mijn vader. Zijn overlijden. De herinneringstocht. Zijn jeugd. Gorredijk. Deze school. En waarom ik ineens twintig minuten voor sluitingstijd midden in het gebouw stond.

En ik merk iets.

Iedere keer dat ik dit verhaal vertel, vertel ik het met een beetje meer trots.

Niet alleen over mijn vader, maar ook over de tocht zelf. Want al die losse plaatsen beginnen langzaam één groot verhaal te worden.

En opnieuw werd er enthousiast meegedacht.

Ik vertrok uiteindelijk zelfs met een boek:

De Vlecke Gorredijk.

Prijs?

Twee euro.

TWEE EURO!

Ik keek nog even of ik per ongeluk alleen de inhoudsopgave had gekocht.

Maar nee.

Een compleet boek.

Voor twee euro.

Daar kun je tegenwoordig nergens meer een kop koffie voor krijgen, als ik al zou overwegen dat te drinken.

En toen kwam er ook nog een prachtige anekdote over geld.

Eentje waarbij ik even dacht:

Dit kan toch niet waar zijn?

Maar daarover zo meer…

Want dat verdient zijn eigen verhaal.

Voor nu overheerste opnieuw hetzelfde gevoel dat ik de afgelopen dagen steeds vaker heb: wat kom ik toch ontzettend leuke mensen tegen.

Mensen die luisteren.

Meedenken.

Iets opzoeken.

Een verhaal vertellen.

Of gewoon enthousiast worden omdat een wildvreemde Groninger ineens binnenloopt met een overleden vader op sleeptouw.

Voor ik vertrok lag daar nog het gastenboek.

En natuurlijk moest daarin geschreven worden.

Niet alleen namens mezelf.

Dus heb ik uiteindelijk ook namens mijn vader het gastenboek getekend.

Zo'n tachtig jaar nadat hij hier als jongetje rondliep, stond zijn naam opnieuw in zijn oude school.

Alleen hield deze keer zijn zoon de pen vast.

Kijk pa.

Zo kom je nog eens ergens.

En voor twee euro hadden we ook nog een boek.


Boven 'mijn' tientje, daaronder een moderne versie.

Een tientje met een verhaal

Voor dit verhaal hebben we eigenlijk maar drie dingen nodig:

de oude lagere school in Gorredijk, een paar behulpzame medewerkers en een biljet van tien euro.

Meer niet.

Kort daarvoor had ik voor vijf euro iets contant afgerekend. Pinnen voor zo'n astronomisch bedrag vond ik ook weer wat overdreven en ik had nog precies één flap in mijn portemonnee:

een tientje.

Prima.

Afrekenen, wisselgeld terug en klaar.

Dacht ik.

Ik was inmiddels mijn bezoek aan pa z'n oude school aan het afronden en zat in het gastenboek mijn verhaaltje en eerbetoon neer te krabbelen. Een mooi moment. Mijn naam erbij en pa, zo'n tachtig jaar later, nog even symbolisch terug op zijn oude school.

Toen kwam een van de medewerkers enigszins verbaasd naar me toe.

‘Meneer… u heeft mij zojuist een heel vreemd biljet van tien euro gegeven.’

Vreemd?

‘Is er iets mis mee?’

Nee, gelukkig niet.

Interpol kon voorlopig thuisblijven.

Maar het biljet zag er wel merkwaardig uit.

‘Heeft u dat wel gezien?’

Nee.

Wat had ik moeten zien?

Er stond een 10 op en de Europese Centrale Bank leek er vrede mee te hebben. Voor mij waren daarmee de belangrijkste technische kenmerken van een tientje wel afgevinkt.

Er werd een ander biljet van tien euro bijgepakt en de twee werden naast elkaar gelegd.

En inderdaad.

Ze zagen er behoorlijk verschillend uit.

Blijkbaar had ik al die tijd een biljet uit de eerste serie eurobankbiljetten in mijn portemonnee gehad. Zo'n ouder model dat je tegenwoordig niet zo vaak meer tegenkomt.

Een collectors item!

Oh?

Kijk.

Nu werd het interessant.

‘Dus die is zeker 250 euro waard?’

Nee.

Tien euro.

Jammer.

Ik zag mijn financiële toekomst alweer instorten.

‘Nou, als-ie 250 euro waard is, delen we de opbrengst.’

Dat leek me een uitstekend voorstel.

Een andere mogelijkheid was natuurlijk:

‘Dan wil ik hem gewoon terug en vergeten we dat ik ermee betaald heb.’

Ook een optie.

Maar nee.

De waarde bleef gewoon:

tien euro.

Dus vooruit.

‘Hou hem maar. Word er gelukkig mee.’

Want eerlijk gezegd maakt het mij weinig uit of ik een oude of een nieuwe versie van een bankbiljet in mijn handen heb. Ik gebruik die dingen nogal traditioneel:

om ermee te betalen.

En zo liep ik even later de oude school van mijn vader uit met een boek, een mooi verhaal, een bijzondere ontdekking én zonder mijn historische tientje.

Ergens in Gorredijk ligt nu dus een collectors item dat precies waard is wat erop staat.

Tien euro.

Mijn financiële nalatenschap aan Friesland is daarmee voorlopig veiliggesteld.

En mocht dat biljet over vijftig jaar tóch 250 euro waard blijken te zijn?

Dan hoop ik dat iemand zich onze afspraak nog herinnert.

Delen.

Drie hangende keukens. Uit Groningen?

Vandaag nog even een snel bezoekje aan Appingedam gebracht.

De stad van de drie (!) wereldberoemde — nou ja, laten we ze gewoon famous noemen — hangende keukens boven het Damsterdiep.

Je kunt tenslotte niet iedere dag alleen maar beton, kazernes en militaire installaties bekijken. Een mens heeft ook cultuur nodig.

Dus even door het centrum en natuurlijk nog wat tastbare herinneringen scoren. Bij de Zilverkamer en de Damster Boekhandel lukte dat uitstekend.

Mijn verzameling begint inmiddels trouwens zulke vormen aan te nemen dat ik straks óók een herinneringstocht moet organiseren om te achterhalen waarom ik al die spullen ooit gekocht heb.

Maar toen viel me iets op.

Die drie hangende keukens.

Hét toeristische visitekaartje van Appingedam. Je zegt Appingedam en een beetje Nederlander denkt aan die keukens.

Zou je denken.

Want op souvenirs en andere toeristische hebbedingetjes bleek ineens vooral Groningen goede sier te maken met die beroemde Damster keukens.

Pardon?

Kijk, als trotse stad heb je drie keukens die al decennialang boven je eigen Damsterdiep hangen. Dan zou je verwachten dat daar met grote letters APPINGEDAM bij staat.

Maar nee.

De provincie heeft de keuken blijkbaar gevorderd.

“Mooi spul, Appingedam. Geef moar hier.”

En hup:

GRONINGEN.

Ik heb er op beide plekken over gesproken en ook daar werd er enigszins verbaasd naar gekeken.

Want het blijft natuurlijk merkwaardig.

Maar misschien zit er gewoon een keiharde economische theorie achter.

Zet je Appingedam op zo'n souvenir, dan moet je eerst uitleggen waar dat ligt.

Dat kost letters.

Letters kosten geld.

En voordat je het weet kost zo'n koelkastmagneet €14,95.

Groningen kent iedereen.

Veel efficiënter.

Jammer alleen dat die keukens toevallig in Appingedam hangen.

Maar goed.

Ik kwam natuurlijk niet alleen voor het toerisme.

Mijn vader heeft hier tijdens zijn militaire diensttijd ook gezeten. In de Pieter Bieremakazerne.

Klein probleem:

die bestaat niet meer.

Gesloopt.

Weg.

Geen kazerne.

Geen wachtgebouw.

Geen jonge Japie Huizinga die klaarstaat om op de fiets richting Holwierde te vertrekken voor de verdediging van navigatiestation G.

Wat resteert is onder andere een straatnaam die nog verwijst naar Pieter Bierema, de naamgever van de voormalige kazerne.

Dat is dus voorlopig mijn aanknopingspunt.

Een straatnaam.

Beetje weinig.

Maar inmiddels weet ik één ding van deze tocht: als een plek verdwenen is, betekent dat nog niet dat het verhaal verdwenen is.

Dus ook hier ga ik verder zoeken.

Foto's, verhalen, herinneringen, misschien mensen die er nog iets van weten.

Er moet toch ergens nog iets van die oude kazerne terug te vinden zijn.

En anders vraag ik de provincie Groningen wel.

Misschien hebben die hem, net als de hangende keukens, ergens meegenomen.

Ik kom op bezoek

Mijn vader begon zijn carrière ooit in de haven van Delfzijl.

Tussen het beton, de bekistingen, kademuren en alles wat er verder bij komt kijken om ervoor te zorgen dat een haven niet langzaam de Eems in dondert.

Na mijn avontuur bij Haitsma Beton dacht ik daarom: laat ik eens aankloppen bij de beheerder en organisator van de Groninger zeehavens.

Want bij Haitsma was het me gelukt iets tastbaars aan het verhaal van mijn vader toe te voegen. Dus waarom zou dat in Delfzijl niet lukken?

Vol goede moed naar de haven.

Daar aangekomen meldde ik me bij de toegang tot het havenkantoor. Ik vertelde dat ik op bezoek kwam en waarvoor ik kwam.

Even later ging de slagboom open en kon ik naar binnen.

Kijk.

Dat ging gemakkelijker dan verwacht.

Eenmaal binnen wachtte de volgende hindernis: een behoorlijke verzameling houten treden.

Een soort architectonische stormbaan.

Het geheel deed mij denken aan het geraamte van een houten schip dat driehonderd jaar geleden is gezonken, vervolgens onder een zandbank is verdwenen en pas onlangs door archeologen weer is blootgelegd.

Met één belangrijk verschil:

dit geraamte was helemaal niet oud.

Dus klimmen maar.

Boven aangekomen sprak ik met een paar medewerkers en deed ik mijn verhaal.

Over mijn vader. Over Delfzijl. Over zijn eerste stappen in zijn carrière. Over de kademuren, het beton en het fotoboek waarin hij dat allemaal keurig heeft vastgelegd.

En natuurlijk over mijn herinneringstocht.

Mijn vraag was inmiddels ook bekend:

Is er misschien iets tastbaars waarmee ik dat stukje van zijn leven aan deze reis kan verbinden?

Een voorwerp. Een herinnering. Iets waarvan je later kunt zeggen: dát komt uit de haven waar pa ooit zijn loopbaan tussen het beton begon.

Er werd vriendelijk geluisterd en meegedacht.

Maar nee.

Niet direct.

Natuurlijk kon ik foto's maken.

Maar foto's maak ik overal al.

Ik wilde juist iets anders. Iets dat je kunt vasthouden. Iets met een verhaal.

Misschien moest ik maar eens in de haven zelf rondkijken naar aanknopingspunten.

En daarmee eindigde mijn missie deze keer zonder een stuk kademuur, meerpaal, halve bekisting of andere handige Delfzijlster souvenirs achter in de auto.

Misschien maar goed ook.

Na Haitsma begint het laadvermogen inmiddels een rol te spelen.

Maar ik geef nog niet op.

Dit was tenslotte de plek waar mijn vader aan zijn carrière begon. Daar moet toch ergens een verhaal te vinden zijn dat verder gaat dan een paar foto's.

Dus ik ga nog wat graven.

Figuurlijk graag.

Want als ik zelf met een stuk kademuur uit de haven vertrek, vermoed ik dat men bij de uitgang toch een paar aanvullende vragen heeft.


Jacob Huizinga — in steen

De vracht aan herinneringen die ik de afgelopen week in de noordelijke provincies heb verzameld, begint inmiddels serieuze vormen aan te nemen.

Eén tasje?

Vergeet het maar.

Friese vlaggen, boeken, folders, souvenirs, een kaatsbal, beton en andere zaken waarvan ik een week geleden werkelijk niet had kunnen voorspellen dat ik ze dringend nodig zou hebben.

Mijn herinneringstocht begint logistiek zo langzamerhand op een verhuizing te lijken.

Dus vandaag maar even op en neer naar Hoogezand.

En natuurlijk kon ik daar weer een lijntje naar mijn vader trekken. Hoogezand is namelijk de geboorteplaats van zijn moeder.

Kijk.

Zo kan ik tegenwoordig overal naartoe.

Ik hoef alleen achteraf nog even uit te zoeken waarom.

De eerste winkels waren vooral de bekende landelijke ketens. Prima natuurlijk, maar voor mijn tocht zoek ik inmiddels toch een beetje naar dat andere.

Een winkel met iemand achter de toonbank.

Iemand die nog terugpraat.

En zo hield ik halt bij Onderdelenshop QB's.

Daar zag ik iets.

Een stuk leisteen.

Normaal gesproken zo'n bord dat je naast de voordeur hangt met:

Familie Jansen
Huisnummer 12

Maar ik zag iets anders.

Leisteen is natuursteen. Geen plastic prul, geen massaproduct met een foto erop. Gewoon een stuk steen.

Natuurlijk, sober en blijvend.

Dat paste.

Dus vroeg ik wat zoiets zou kosten als ik er geen huisnummer op wilde hebben, maar alleen:

Jacob Huizinga
1939 – 2026

Meer niet.

Geen volledige geboorte- en overlijdensdatum. Dat werd me te veel administratie op een steen en daar gaat het me ook helemaal niet om.

Zijn naam.

Het jaar waarin zijn verhaal begon.

Het jaar waarin het eindigde.

Klaar.

Het bord zou in Urk worden gegraveerd.

Kijk.

Dan begint bij mij onmiddellijk dat deel van het Huizinga-hoofd te werken dat denkt:

Ik heb zojuist de naam van mijn vader aan Urk toevertrouwd.

Dat klinkt toch ineens als een behoorlijke verantwoordelijkheid.

Gelukkig had ik de tekst eenvoudig gehouden:

Jacob Huizinga. 1939–2026.

Vier woorden, twee jaartallen en één streepje.

Dat moet lukken.

Kom op Urk. Ik heb vertrouwen in jullie.

Ondertussen ontstond in de winkel weer zo'n prettig gesprek zoals ik er tijdens deze tocht inmiddels verrassend veel heb gehad.

En ik begin ook te begrijpen waarom ik zaken als deze zo leuk vind.

Je komt binnen voor één ding.

Dat is tenminste het plan.

Vervolgens zie je een stuk gereedschap.

Een handig onderdeeltje.

Iets waarvan je werkelijk geen idee hebt waarvoor het dient, maar waarvan je onmiddellijk begrijpt dat je het ooit dringend nodig gaat hebben.

En drie kwartier later sta je nog steeds in de winkel.

Dat soort winkels zijn gevaarlijk.

Niet voor je gezondheid.

Voor je planning.

Hoe dan ook: prima geholpen en opnieuw iets toegevoegd aan de steeds groter wordende verzameling.

Alleen voelt dit anders dan een souvenir.

Straks heb ik een eenvoudig stuk natuursteen met daarop de naam van mijn vader.

Geen groot monument.

Geen ingewikkelde tekst.

Gewoon:

Jacob Huizinga
1939 – 2026

Soms hoeft een herinnering niet meer te zeggen.

En ergens in Urk wordt daar nu voor gezorgd.

Ik wacht rustig af.

Nou ja…

Huizinga-rustig.

Dus waarschijnlijk controleer ik straks bij het uitpakken eerst de naam, daarna de jaartallen en vervolgens voor alle zekerheid nog een keer de naam.

Want vertrouwen is goed.

Maar een Huizinga controleert toch even of er daadwerkelijk Huizinga staat.

Zeg het vooral niet te hard

Zoals ik al eens eerder heb gezegd: Huizinga's zijn geen sterren in het elkaar vertellen hoeveel ze om elkaar geven. Voor anderen kunnen we daar best aardig in zijn. Complimentje hier, vriendelijk woord daar, belangstelling tonen — geen enkel probleem. Maar zet twee Huizinga's tegenover elkaar en vraag ze eens iets diepgevoeligs tegen elkaar te zeggen. Dan wordt het ingewikkeld.

Hartjes, dikke knuffels en teksten als ‘ik hou ontzettend veel van je’? Ho, ho. Doe even normaal. We weten het toch?

Dat hele nadrukkelijke uitspreken voelt al snel wat ongemakkelijk. Een beetje onnatuurlijk zelfs. Alsof je tijdens een gewone autorit ineens samen een therapiesessie bent begonnen. Mijn vader en ik waren daarin niet anders. We hoefden elkaar niet voortdurend te vertellen hoeveel we om elkaar gaven. Dat deden we op onze eigen manier. Een opmerking, een gebaar, samen ergens naartoe of iets voor elkaar regelen zonder daar vervolgens een emotionele persconferentie over te organiseren.

Huizinga-liefde. Je moet alleen even weten waar je moet kijken.

En misschien is deze hele herinneringstocht daar wel het grootste voorbeeld van. Want laten we eerlijk zijn: ik rijd inmiddels half Noord-Nederland door achter de sporen van mijn vader aan. Ik bezoek zijn geboorteplaats, zijn scholen en de plekken waar hij woonde en werkte. Ik sta bij oude militaire locaties, zoek naar verdwenen kazernes, praat met wildvreemden over beton, koop Friese vlaggen, kaatsballen en boeken, laat zijn naam in steen zetten en probeer uit ieder klein stukje van zijn verleden weer een verhaal naar boven te halen.

En ondertussen zit er ook nog een cynische Amerikaanse oude gek naast me commentaar te leveren. Als dát geen liefde is, weet ik het ook niet meer.

Ik hoef dus niet voortdurend te zeggen: ‘Pa, ik hield van je.’ Deze hele reis zegt het. Iedere kilometer, iedere foto, ieder gesprek en iedere totaal overbodige aankoop die ik vervolgens met een volkomen serieus gezicht tot belangrijk herinneringsobject promoveer.

Subtiel? Nou… misschien niet helemaal.

Want daar zit dan weer die andere kant van mij. Als iemand het verdient om in het zonnetje gezet te worden, vind ik het namelijk óók heerlijk om de boel eens flink op stelten te zetten. Geen klein kaarsje in een hoekje. Nee. Licht aan, gordijnen open, iedereen kijken.

Deze man was mijn vader. Hij was hier. Hij heeft geleefd. Hij heeft zijn sporen achtergelaten. En ik ben voorlopig nog niet klaar met het terugvinden daarvan.

Misschien is dat uiteindelijk gewoon mijn manier om te zeggen wat wij Huizinga's onderling niet zo gemakkelijk hardop zeggen. Niet met grote woorden en normaal gesproken al helemaal niet met hartjes, maar wel met heel mijn ziel en hart.

En vooruit, pa… voor deze ene keer dan: ❤️

Maar niet verder vertellen.

We hebben tenslotte een reputatie hoog te houden.

Een rondje om de kerk in Ezinge

Na mijn bezoek aan de geboorteplaats van mijn Huizinga-grootmoeder kon de geboorteplaats van mijn grootvader — de vader van mijn vader — natuurlijk niet achterblijven.

Dus op naar Ezinge.

Een dorp op het Groninger Hogeland waar een behoorlijk interessant hoofdstuk uit de geschiedenis van de Huizinga's ligt. Al vóór mijn grootvader daar werd geboren, was zijn opa al tientallen jaren actief met een beurtveer tussen Ezinge en Groningen en vice versa.

Kijk, daar heb ik wat mee.

Kennelijk zit dat heen-en-weer reizen er al generaties lang in.

Alleen hadden ze toen geen auto, airco en navigatie. Gewoon een schip, water en gaan.

Ik besloot eerst maar eens letterlijk een rondje om de kerk te maken. De kerk van Ezinge stamt uit de dertiende eeuw en ik was er al vaker omheen gelopen, maar nog nooit binnen geweest.

En precies toen ik erlangs reed, stond daar een bordje:

KERK OPEN.

Tja.

Dan kun je tijdens zo'n herinneringstocht natuurlijk moeilijk zeggen:

Vandaag even niet, Heer.

Dus naar binnen.

Een eenvoudige, oude kerk. Geen overdreven pracht en praal, maar precies wat je bij zo'n eeuwenoud gebouw verwacht: dikke muren, houten ornamenten en natuurlijk een orgel.

Want zonder orgel telt het volgens mij officieel niet als oude Groninger kerk.

Binnen raakte ik aan de praat met iemand die aanwezig was. We hadden het over de kerk, Ezinge en natuurlijk kwam ook het verhaal van mijn vader en mijn herinneringstocht weer voorbij.

En terwijl ik daar stond, realiseerde ik me opnieuw hoe lang mijn familiegeschiedenis hier eigenlijk teruggaat.

Mijn familie loopt hier al sinds mensenheugenis rond.

Na zoveel Huizinga's, schippers, beurtveren en voorouders begon ik me bijna bevoegd te voelen om zelf bezoekers welkom te heten.

‘Welkom in de kerk van Ezinge!’

Je moet natuurlijk wel oppassen.

Nog even en ik ga bij de ingang staan met een sleutelbos.

Bij het verlaten van de kerk heb ik nog een kleine gift achtergelaten.

Niet dat ik ineens overdreven vroom ben geworden, maar je kunt natuurlijk nooit weten hoe de administratie daarboven precies werkt.

Misschien bestaat er toch een soort puntensysteem.

Kerk bezocht: één punt.

Gift achtergelaten: bonuspunt.

Overleden vader geëerd: wellicht dubbele punten.

En mocht ik ooit bij de hemelpoort staan en blijken dat ik nét iets tekortkom, dan kan ik in ieder geval zeggen:

‘Kijk nog even bij Ezinge. Daar heb ik betaald.’

Hoe dan ook.

Pa is daar al.

Dus uiteindelijk kom ik er toch wel in.

Ik ken iemand binnen.


Stoute schoenen in Ezinge

Gelukkig had ik in Ezinge mijn stoute schoenen nog aan.

En dat was maar goed ook.

Want met de hele geschiedenis van het Huizinga-beurtveer inmiddels op mijn schouders kon ik natuurlijk niet gewoon de kerk bezoeken, een rondje door het dorp rijden en daarna tevreden naar huis gaan.

Nee.

Er was nog een plek die mijn aandacht trok.

Uit mijn stamboomonderzoek en alles wat ik inmiddels over de Huizinga's in Ezinge heb verzameld, blijkt namelijk dat ergens in dit deel van het dorp mogelijk een huis staat waar mijn schippersfamilie in de tweede helft van de negentiende eeuw heeft gewoond.

Mogelijk.

Dat woord is belangrijk.

Want met familieonderzoek kun je soms een heel eind komen, maar voor je het weet sta je honderdveertig jaar later naar een gevel te kijken alsof je persoonlijk bij de bouwvergunning aanwezig bent geweest.

Dat leek me wat voorbarig.

Maar interessant was het wel.

En als je dan bij zo'n plek staat, heb je twee mogelijkheden.

Je maakt een foto en rijdt verder.

Of…

je trekt de stoute schoenen nog iets steviger aan.

Nou, drie keer raden.

Ik besloot mijn verhaal te vertellen.

Daar gaan we weer.

Mijn vader. De herinneringstocht. Mijn familiegeschiedenis. Ezinge. De Huizinga's. Schippers. Het beurtveer naar Groningen. Negentiende eeuw.

Kortom: mijn inmiddels behoorlijk goed ingesleten introductiecursus Huizinga voor beginners.

Er ontstond een prettig gesprek en ik legde uit waarom juist deze plek mijn belangstelling had gewekt.

Niet omdat ik zeker wist dat mijn familie hier had gewoond.

Juist niet.

Ik wilde proberen uit te zoeken óf dat werkelijk zo was.

En dat vind ik eigenlijk één van de leukste kanten van deze tocht.

Soms weet je precies waar je naar zoekt.

Soms heb je alleen een naam, een oude akte of een adres uit een andere tijd.

En soms sta je ergens in Ezinge naar een huis te kijken en denk je:

hier zou best eens een verhaal achter kunnen zitten.

Misschien hebben mijn voorouders ergens op deze plek ooit aan tafel gezeten.

Misschien kwam hier een Huizinga thuis na een tocht met het beurtveer uit Groningen.

Misschien liep hier 's morgens een schipper naar buiten om weer richting het water te gaan.

Of misschien blijkt mijn hele theorie uiteindelijk nergens op te slaan.

Kan ook.

Dat is tenslotte ook onderzoek.

Maar dát wil ik dus uitzoeken.

En zo veranderde een plek waar ik aanvankelijk alleen even wilde kijken ineens in een nieuw spoor van mijn herinneringstocht.

Stoute schoenen aan.

Verhaal vertellen.

Luisteren.

En kijken wat er gebeurt.

Volgens mij begint dat zo langzamerhand mijn belangrijkste onderzoeksmethode te worden.

Langs het tuinpad van mijn vader

Na de open kerk en mijn verdere zoektocht naar de sporen van de Huizinga's was ik in Ezinge natuurlijk nog lang niet klaar.

Sterker nog, mijn eigenlijke missie was nog niet eens volbracht.

Ik wilde een beetje dat melancholische ‘langs het tuinpad van mijn vader’-gevoel. Beetje Wim Sonneveld. Terug naar plekken waar generaties vóór mij hadden gelopen, kijken naar wat er nog is en ondertussen enigszins betekenisvol voor me uit staren.

Dat soort werk.

Maar alleen melancholisch rondkijken is natuurlijk niet genoeg.

Ik MOEST iets tastbaars uit Ezinge meenemen.

Een herinnering.

Dus:

op naar Museum Wierdenland.

Daar trof ik medewerkers die bereid waren mijn inmiddels steeds omvangrijker wordende verhaal aan te horen.

En vervolgens gebeurde wat tijdens deze tocht inmiddels bijna traditie begint te worden.

Ik kwam binnen om even iets te halen…

…en bleef hangen.

Er werd handel ingeslagen. Er ontstond weer een buitengewoon leuk gesprek. Ik kreeg zelfs nog wat te drinken.

Kijk, zo kom je natuurlijk nooit meer weg uit zo'n dorp.

Ik vertelde over mijn vader, de Huizinga's in Ezinge, het beurtveer en mijn zoektocht naar de sporen die mijn familie hier heeft achtergelaten.

En ondertussen groeide mijn eigen voorraad tastbare herinneringen alweer verder.

Missie geslaagd.

Voor ik vertrok heb ik ook nog een gift achtergelaten.

Mede namens mijn vader.

Die ouwe begint op deze manier postuum behoorlijk gul te worden.

Maar goed, ik vind dat hij tijdens deze tocht best af en toe mag trakteren.

Ik besloot zelfs dat ik vriend van Museum Wierdenland wilde worden.

Dat kon.

Alleen niet daar.

Dat moest via de website.

Dus ik sta fysiek ín het museum, tegenover echte mensen, en om officieel vriend te worden moet ik eerst naar huis en via internet terugkomen.

Vooruitgang heet dat.

Maar ineens begreep ik ook waar dat bekende spreekwoord vandaan komt:

liever een verre vriend dan een goede buur.

Of…

Wacht.

Was het niet juist andersom?

Hoe dan ook: in Ezinge kun je tegenwoordig blijkbaar prima op afstand bevriend raken met een museum waar je vijf minuten eerder nog gewoon binnen stond.

En zo reed ik uiteindelijk toch tevreden het dorp uit.

Kerk bezocht. Gift achtergelaten. Verder gezocht naar de geschiedenis van mijn familie. Museum bezocht. Handel ingeslagen. Weer een gift gedaan en zelfs een nieuwe vriendschap in voorbereiding.

Mijn tuinpad van mijn vader was daarmee toch behoorlijk compleet.

Alleen één probleem:

mijn tas met herinneringen wordt alweer te klein.

Pa, straks heb ik voor deze tocht geen grotere auto nodig vanwege de kilometers…

maar vanwege de souvenirs.

Een kleine hint voor het museum…

Toen ik toch in Museum Wierdenland was, kon ik het natuurlijk niet laten om nog even een bijzonder intrigerende vraag op tafel te leggen.

Wanneer denken jullie eigenlijk aandacht te gaan besteden aan het beurtveer Ezinge–Groningen v.v.?

En, niet geheel onbelangrijk:

aan mijn Huizinga's?

Want kom op.

We hebben het hier over een familie die tientallen jaren vanuit Ezinge een beurtveer op Groningen onderhield. Folkert Huizinga was schuitenvaarder en het verhaal gaat over veel meer dan alleen een boot die een beetje heen en weer voer. Mijn eigen onderzoek is inmiddels zelfs uitgelopen op een compleet dossier met onder andere de route, tarieven, financiën, het reglement, de komst van de stoombootvaart en natuurlijk de mensen erachter. (eyeberents.nl)

Dat lijkt mij toch verdacht veel op:

museumspul.

Er werd mij verteld dat er binnen het museum ooit al eens was gebrainstormd over het idee om ‘iets met water’ te doen.

Ho!

Stop maar met brainstormen.

Hier heb je water.

Ezinge. Groningen. Een beurtveer. Schippers. Passagiers. Goederen. Een trekschuit. Veranderend vervoer. Concurrentie van de stoomvaart. En midden in dat verhaal een stel Huizinga's dat kennelijk vond dat heen en weer varen tussen Ezinge en Groningen een uitstekende manier was om de kost te verdienen.

Ik lever de hint gratis aan.

Geen dank.

Sterker nog: mocht dat ‘iets met water’ ooit daadwerkelijk van de brainstormtafel afkomen en het museum in drijven, dan houd ik mij bijzonder aanbevolen.

Ik heb namelijk nog wel wat informatie.

Een beetje.

Nou ja…

Mijn dossier over het beurtveer Ezinge–Groningen

Kijk daar maar eens.

En als jullie daarna denken:

Verdorie, die Huizinga had toch een punt…

Dan hoor ik het graag.

Ik kom met liefde terug naar Ezinge.

Maar waarschuw me op tijd.

Want voor je het weet neem ik zelf een halve trekschuit mee als tastbare herinnering.


Pa en eten — niemand pakt het van je af

Voordat ik naar Ezinge vertrok, had ik het met mijn moeder over een ander belangrijk onderdeel van het leven van mijn vader: eten. Want wat was nou écht typisch pa?

Hij was in ieder geval een behoorlijke zoetekauw. Dat wist ik natuurlijk wel, maar mijn moeder kwam ineens met zachte noga. Gewoon normale stukken trouwens, geen halve bouwmaterialen. Maar hij hield vroeger óók van die lange, duimdikke kaneelstokken. Daar kon hij blijkbaar echt trek in hebben.

En achteraf bezien had ik dat kaneel natuurlijk kunnen weten.

Want dan was er nog zoiets als ‘omgeroerd meel’. Zo noemden wij dat maar. Geen culinair hoogstandje waarvoor Michelin onmiddellijk een inspecteur op pad zou sturen, maar gewoon patentbloem, water, boter en basterdsuiker. Mengen, roeren en klaar.

Alleen had pa daar zijn eigen receptuur voor.

Kaneel.

Veel kaneel.

Nee, nóg wat meer.

Als je op een gegeven moment voorzichtig suggereerde dat er misschien voldoende kaneel in zat, kwam ongeveer de meest sluitende culinaire argumentatie die een mens kan geven:

‘Vind ik lekker.’

Ja.

Daar kun je als kok natuurlijk niet tegenop.

Geen exacte hoeveelheden, geen afgestreken theelepeltjes en geen gezeur met een keukenweegschaal. Gewoon kaneel erin totdat iemand anders begon te twijfelen. Dán zat je ongeveer goed.

Zijn favoriete gebak? Mokka. Zo lekker, maar ook zo… nou ja. Mokka. Je moet ervan houden. Verder een dropje hier, een chocolaatje daar. Allemaal prima besteed aan pa.

En vis. Vis vond hij erg lekker. Daar kon je hem absoluut voor wakker maken. Geen idee of hij bij het ontwaken eerst gevraagd zou hebben welke vis, maar de belangstelling was er zeker.

Bij het avondeten hoefde het allemaal niet ingewikkeld. Gewoon de degelijke Hollandse pot: AGV. Aardappelen — piepers dus — groente en vlees. Daar kon weinig aan misgaan.

Hoewel er bij het vlees blijkbaar toch een soort natuurlijke rangorde bestond. Pa had graag het grootste stuk.

Misschien verklaart dat wel iets bij mij. Ik neem namelijk vaak juist het kleinste stuk en laat het grootste voor een ander liggen. Misschien probeer ik onbewust een generatie later de vleesboekhouding van de familie weer recht te trekken.

Een soort culinaire erfenis.

Zo doen wij Huizinga's dat. Een ongeschreven erecode. Blijkbaar.

Pa kon bij eten sowieso iets aandoenlijks hebben. Een beetje als een puppy die bij iedere maaltijd opnieuw bang is dat hij deze keer wordt overgeslagen. Dus graag voldoende op het bord, liefst iets meer dan noodzakelijk en vervolgens in een behoorlijk tempo naar binnen werken.

Rustig maar, pa.

Niemand pakt het van je af.

Waar dat vandaan kwam? Misschien toch iets van vroeger. Van een generatie waarin eten minder vanzelfsprekend was en je als jongetje gewoon door je moeder naar de grutter werd gestuurd.

Bijvoorbeeld voor zuurkool.

Niet uit zo'n modern plastic zakje natuurlijk. Nee, zuurkool uit het vat.

Dus daar zie ik hem in gedachten al gaan. Kleine Japie op weg naar de winkel. Zuurkool halen voor moeder. Bestelling mee en weer terug naar huis.

Maar onderweg begint dat spul natuurlijk verdacht lekker te ruiken.

Even proeven.

Klein hapje.

Nog eentje.

Kan geen kwaad.

En voordat je het weet kom je thuis, schop je bij de achterdeur je klompen uit — die klompen voeg ik voor de romantiek zelf maar even toe — en lever je trots de bestelling af.

Moeder kijkt in de zak.

Kijkt naar Japie.

Weer naar de zak.

‘Wa's dat nou, jong… woar is de aand're helft?’

Tja.

Misschien begon het daar wel. Die liefde voor eten en dat lichte wantrouwen dat er straks misschien niets meer voor jou overblijft.

Zachte noga, kaneelstokken, mokkagebak, drop, chocolade, vis, piepers, een behoorlijk stuk vlees en natuurlijk omgeroerd meel met een hoeveelheid kaneel waarbij ieder normaal mens zou vragen of het de bedoeling was dat je het meel óók nog kon proeven.

Eigenlijk geen ingewikkelde man.

‘Vind ik lekker.’

Daarmee was de discussie gewoon afgelopen.

En mocht ik tijdens het vervolg van mijn herinneringstocht ergens zo'n ouderwetse kaneelstok tegenkomen, dan weet ik al wat er gebeurt.

Die gaat mee.

Misschien zelfs twee.

Maar de zuurkool draag ik zelf wel, pa. We kennen je inmiddels.

Eten, kind én Fryslân

Eten dus.

Kind.

En Fryslân.

Dat leek me eigenlijk een prachtige combinatie in het kader van de herinneringen aan mijn vader. En laten we eerlijk zijn: na alles wat ik de afgelopen week heb uitgespookt, is zo'n opdrachtje nauwelijks nog een uitdaging.

Daar draai ik mijn hand niet meer voor om.

Zoiets doe ik tegenwoordig vanuit de losse pols.

Dus waarheen?

Juistem.

Fryslân.

Sinds mijn geslaagde versnelde inburgering, inclusief officieel Frysk Paspoart, kijk ik tijdens deze herinneringstocht toch met andere ogen naar Fryslân.

Niet als bestemming op zich, maar als een provincie waar opvallend veel lijnen uit het leven van mijn vader samenkomen.

Nog even en ik moet thuis gaan uitleggen waarom er naast de Groninger vlag ineens ook een Fryske vlag ligt en waarom ik bij het horen van Bêst genôch spontaan begin te knikken.

Maar goed.

Eten, jeugdherinneringen en Fryslân.

Ik dacht aan een boerderij. Zuivel. Iets lekkers. Iets lokaals. Iets wat op de een of andere manier weer bij pa zou passen.

En dat allemaal vanuit Ezinge.

Dus hup.

Richting Buitenpost.

De eerste serieuze halte net over de grens met it Heitelân.

Ik reed rustig die kant op en dacht eigenlijk nergens meer aan.

Totdat ik ineens een plaatsnaambord zag.

BURUM.

Ho.

Wacht.

Burum?

Daar gingen bij mij onmiddellijk alle alarmbellen af.

Ssssst…

Topgeheim.

Want daar staan ze.

De grote oren.

Van die enorme schotels die ogenschijnlijk heel onschuldig naar de hemel staan te luisteren.

Natuurlijk.

Naar de hemel.

Jazeker.

En laat ik nou net de afgelopen week buitengewoon verdachte communicatie met iemand daarboven hebben gehad.

Pa!

Straks onderscheppen ze je kaarten nog.

Ik reed dus maar uiterst onopvallend verder. Niet kijken. Geen verdachte bewegingen maken. Walter vooral zijn mond laten houden.

Better be prepared. Top secret.

Geen idee wie er allemaal meeluistert, maar na navigatiestation G, luchtwachttorens en mijn vaders militaire verleden neem ik geen enkel risico meer.

Igor en Boris zullen ook wel ergens zitten.

Dus snel door naar Buitenpost.

Missie uitvoeren.

Eten.

Kind.

Fryslân.

Inladen.

En daarna linea recta terug over de provinciegrens.

Naar het veilige Grunn.

Even rust, pa…

Na Ezinge zat het er voor deze week eigenlijk wel op.

Bijna.

Er volgde nog één klein bezoekje. Een bonusronde, zullen we maar zeggen.

Maar voor nu is het klaar.

De eerste etappe van mijn herinneringstocht voor mijn vader zit erop.

En wat voor eentje.

Nu eerst ruim een week rust.

Dat doe ik wel op het werk.

Daarna heb ik eventueel weer twee weken de tijd om aan deel twee te beginnen. Waar dat me gaat brengen?

Geen idee.

En na deze week lijkt me dat eigenlijk de beste voorbereiding die ik kan hebben.

Want op Weidum na was vrijwel niets van deze tocht echt voorbereid. Ik stapte in de auto, had ergens een gedachte, kreeg onderweg een ingeving, zag iets, belde ergens aan of liep gewoon een gebouw binnen met mijn inmiddels beproefde openingszin:

‘Goedemiddag, ik ben bezig met een herinneringstocht voor mijn vader…’

En dan zag ik wel wat er gebeurde.

Veel ging op gevoel. Ongedwongen en improviserend. Misschien was dat achteraf ook wel precies waarom het zo'n bijzondere week werd.

Want vrijwel overal waar ik kwam, waren mensen bereid om even naar mijn verhaal te luisteren. Soms werd er meegedacht, soms iets opgezocht, soms kreeg ik informatie of een onverwachte herinnering mee en soms ontstond er gewoon een prettig gesprek.

En juist die ontmoetingen hebben deze tocht veel meer gegeven dan ik vooraf had kunnen bedenken.

Dus aan iedereen die mij deze week heeft ontvangen, geholpen, aangehoord, iets heeft meegegeven, informatie heeft gezocht, koffie heeft aangeboden, uitleg heeft gegeven of simpelweg een paar minuten tijd voor mijn verhaal heeft gemaakt:

heel hartelijk bedankt.

Jullie zijn, misschien zonder het zelf te beseffen, onderdeel geworden van deze herinneringstocht.

En daarmee ook een klein beetje van het verhaal van mijn vader.

Wat begon als een rit langs een paar plekken uit zijn verleden, werd binnen een week iets veel groters. Ik heb gelachen, gezocht, ontdekt, mensen ontmoet, verhalen gehoord, spullen verzameld en af en toe iets gevonden waarvan ik vooraf niet eens wist dat ik ernaar zocht.

Het was prachtig.

En het mooiste?

We zijn nog niet klaar.

Nu dus even niks.

Ruim een week bijkomen, werken en ondertussen mijn hoofd zijn gang laten gaan. Er zullen vanzelf wel weer nieuwe ideeën opduiken. Nieuwe plekken. Nieuwe verbanden. Nieuwe onverwachte aanknopingspunten om verder te zoeken.

En daarna?

Dan gaan we weer, pa.

Deel twee.

Walter zal ongetwijfeld ook wel weer ergens opduiken. Zo gemakkelijk kom je tenslotte niet van die ouwe mopperkont af.

Maar Walter of geen Walter:

jij en ik gaan verder.

En volgens mij gaan we samen nog ontzettend veel plezier beleven.

Tot over een dikke week, ouwe.

Even pauze. Niet weglopen hè.


Terug naar de grauwe werkelijkheid

Tja, en dan heb je zo'n geweldige eerste week van je herinneringstocht achter de rug en dan komt onvermijdelijk het moment waarop je weer terug moet naar…

de grauwe werkelijkheid.

Het werk.

Haha.

Nee hoor. Zo erg is het natuurlijk ook weer niet. Mij krijg je niet zo gemakkelijk van mijn stuk. Ik pak de dingen zoals ze komen, liefst met beide handen, en mocht er ergens onderweg negativiteit opduiken, dan blaas ik die gewoon van z'n sokkel.

Mocht die sokkel er überhaupt staan.

Want wat heb je eraan om overal problemen te zien? Voor je het weet houd je jezelf én anderen tegen en loop je met z'n allen rondjes in dezelfde kleine cirkel.

Niet mijn ding.

Vooruit kijken. Oplossing zoeken. En als die oplossing nergens te vinden is, dan maken we er in ieder geval een goed verhaal van.

Dus arriveerde ik na mijn avonturen in Friesland, Groningen, Overijssel en Drenthe weer keurig op het werk.

Alleen ontbrak er één klein detail.

Mijn werkpas.

Ach.

Kan gebeuren.

Een week lang had ik van alles bij me gehad. Herinneringen, souvenirs, verhalen, plannen en waarschijnlijk nog een halve provincie aan spullen.

Maar dat ene voorwerp dat op mijn eerste werkdag daadwerkelijk handig was geweest?

Nee.

Dat lag natuurlijk ergens anders.

Welkom terug, Huizinga.

Ik vond het eigenlijk wel een passende afsluiting van de week. Dagenlang door Noord-Nederland trekken, overal spullen verzamelen en vervolgens bij terugkeer ontdekken dat je kennelijk uitstekend kunt onthouden waar je vader tachtig jaar geleden heeft gewoond, maar niet waar je zelf je werkpas hebt gelaten.

Prioriteiten.

Hoe het verder praktisch werd opgelost, doet voor dit verhaal niet zoveel ter zake.

Het belangrijkste is:

ik kwam weer op mijn werk terecht.

Daar stond ik weer.

Alsof ik nooit was weggeweest.

De herinneringstocht maakte plaats voor de gewone werkweek en alle verhalen, kilometers en verzamelde spullen moesten het voorlopig even zonder mij stellen.

Maar goed, pa: de eerste werkdag hebben we overleefd.

Nog een dikke week en dan mogen we weer verder met onze herinneringstocht.

En de werkpas?

Die neem ik de volgende keer gewoon mee.

Waarschijnlijk.

Een pen die terugkwam

Tijdens mijn herinneringstocht heb ik zo nu en dan een pen met mijn webadres achtergelaten.

Geen groot marketingplan.

Geen uitgekiende campagne.

Gewoon een aardigheidje.

Een pen.

Met een webadres erop.

Veel ingewikkelder hoeft reclame soms niet te zijn.

Meestal weet je natuurlijk niet wat er daarna mee gebeurt. Misschien wordt er een boodschappenlijstje mee geschreven. Misschien verdwijnt hij in een tas, een bureaulade of ergens tussen drie andere pennen waarvan niemand meer weet waar ze vandaan komen.

Prima.

Maar soms gebeurt er iets anders.

Dan verschijnt er ineens een e-mail in je inbox.

En deze eindigde met:

“Mei groetnis út Fryslân.”

Kijk.

Een paar weken eerder had ik daar waarschijnlijk nog even over moeten nadenken, maar inmiddels begint mijn Fries zowaar tekenen van leven te vertonen.

Ik beschik tenslotte over een Frysk Paspoart, heb inmiddels behoorlijk wat uren in Fryslân doorgebracht en begin zelfs af en toe een Friese zin te begrijpen zonder onmiddellijk technische ondersteuning in te schakelen.

Vooruitgang.

Maar het leukste zat in de bijlage.

Foto's.

Tijdens mijn dag in Fryslân bleek iemand mij op het terrein een paar keer op de foto te hebben gezet. We hadden elkaar gesproken en kennelijk was mijn pen met webadres daarna niet spoorloos in een jaszak verdwenen.

De foto's vonden uiteindelijk hun weg naar mij.

En dat vond ik geweldig.

Want ineens keek ik niet naar een foto die ik zelf bewust had gemaakt als onderdeel van mijn tocht, maar naar mezelf midden in het verhaal.

Daar zat ik.

Een Groninger.

Onder een paraplu.

Midden in de striemende Friese moesson, terwijl het water met bakken tegelijk naar beneden kwam.

Of, zoals ik inmiddels bijna overtuigend durf te zeggen:

“It giet mei bakken út ’e loft.”

En toch zat ik er nog.

Niet naar huis.

Niet terug over de provinciegrens.

Gewoon blijven.

Want ik was daar voor het kaatsen en een beetje regen — vooruit, héél veel regen — ging daar niets aan veranderen.

Bovendien wist ik natuurlijk allang wie werkelijk verantwoordelijk was voor dat weer.

Pa zat daarboven gewoon weer met z'n gieter te klooien.

Dus bedankt, pa.

Bedankt, Fryslân.

En vooral bedankt aan degene die de moeite nam mij de foto's toe te sturen.

Zo werd een simpel pennetje ineens iets heel anders.

Geen reclameartikel meer.

Maar het begin van een klein lijntje terug naar een dag die ik graag wilde onthouden.

En precies daarom passen die foto's zo mooi bij deze tocht.

Ik verzamel onderweg namelijk niet alleen spullen.

Soms krijg ik zomaar een herinnering teruggestuurd.


Aan de andere kant van het diep

Aan het Damsterdiep stond in de jaren vijftig een huis waar mijn vader woonde.

Op zichzelf niets bijzonders.

Ware het niet dat aan de overkant nóg een huis stond.

En daar woonde mijn moeder.

Mijn vader hier.

Mijn moeder daar.

Nog geen honderd meter van elkaar verwijderd, maar wel met het Damsterdiep ertussen.

Aan d’aander kaant daip.

Je zou bijna denken dat het zo geschreven moest worden. Een jonge man komt aan de ene kant van het water wonen, aan de andere kant woont een meisje en ergens daarna begint een verhaal waarvan ik uiteindelijk zelf een van de gevolgen ben.

Ach.

Details.

Water heeft de Huizinga's wel vaker niet tegengehouden.

Tijdens mijn herinneringstocht wilde ik daarom ook terug naar deze omgeving. Niet omdat er nog iets spectaculairs te zien moest zijn, maar juist omdat zo'n plek ineens betekenis krijgt wanneer je weet wat er ooit is gebeurd.

Hier woonde mijn vader.

Daar, aan de andere kant van het diep, woonde mijn moeder.

In 1957 konden ze onmogelijk weten waar dat allemaal toe zou leiden.

Zij leefden gewoon hun leven.

En bijna zeventig jaar later stond hun zoon daar opnieuw naar datzelfde water te kijken.

Dat vond ik eigenlijk al bijzonder genoeg.

Ik heb uit mijn vroege jeugd nog foto's waarop ik samen met mijn Huizinga-opa en Huizinga-oma sta. Maar van de tijd waarin mijn vader hier woonde heb ik zelf natuurlijk geen herinneringen.

Daarvoor moet ik het hebben van verhalen, foto's en de plekken die nog bestaan.

En precies daarom maak ik deze tocht.

Een adres uit een oud verhaal zegt weinig.

Een jaartal op papier ook.

Maar zodra je ergens staat en beseft:

hier speelde het zich af,

wordt geschiedenis ineens een stuk minder abstract.

Het Damsterdiep ligt er nog.

De afstand tussen beide kanten is nog altijd ongeveer dezelfde.

En als ik daar sta, kan ik me tenminste een klein beetje voorstellen hoe het ooit geweest moet zijn.

Een huis aan deze kant.

Een huis aan de overkant.

En daartussen alleen het water.

De rest kwam later.

Heel veel later.

Pa, ik ben er weer even geweest.

Niet om achter deuren te kijken of het verleden letterlijk terug te vinden.

Gewoon om op de plek te staan waar een deel van jouw verhaal begon.

En om nog één keer naar de overkant te kijken.

Aan d’aander kaant daip.


Voor volk en vaderland

Dan is er natuurlijk nog een hoofdstuk uit het leven van mijn vader waar ik tot nu toe vooral aan heb lopen snuffelen: zijn militaire diensttijd.

De precieze militaire loopbaan komt later nog. Ik heb inmiddels gegevens van Defensie ontvangen en daarvan wil ik een mooie overzichtskaart maken. Een beetje orde in de troepen: wanneer, waar, welke functie, welk onderdeel en wat hij daar precies heeft uitgespookt.

Voor zover Defensie dat na al die jaren tenminste nog durft vrij te geven.

Want inmiddels weten we al dat mijn vader begin jaren zestig op de fiets tussen Appingedam en Holwierde patrouilleerde en betrokken was bij de beveiliging van luchtmachtinstallaties. Navigatiestation G, luchtwachttorens, Russen achter iedere Groninger knotwilg…

Serious business.

Maar één ding staat voor mij alvast als een paal boven water: hij heeft zijn dienstplicht gewoon naar eer en geweten vervuld.

Voor volk en vaderland.

Voor de Koningin.

Voor Groningen.

En vermoedelijk vooral omdat Defensie destijds vrij weinig belangstelling had voor de vraag of Japie Huizinga daar zelf eigenlijk zin in had.

Dienstplicht heette dat niet voor niets.

Maar laten we vooral het belangrijkste historische feit vastleggen:

gedurende zijn militaire diensttijd is Nederland niet binnengevallen.

Toeval?

Dat mag iedereen zelf beoordelen.

De Russen bleven aan hun kant.

Igor en Boris hebben waarschijnlijk één keer door hun verrekijker gekeken, Japie op zijn dienstfiets door het Groninger land zien naderen en tegen elkaar gezegd:

“Njet. Vandaag niet.”

Missie geslaagd.

Ik hoop later nog wat anekdotes uit zijn soldatenleven boven water te krijgen. Want achter zo'n keurige militaire registratie zitten natuurlijk de verhalen die veel leuker zijn: de kameraadschap, het wachten, de oefeningen, het eten, de verveling en ongetwijfeld militaire logica waarvan niemand begreep waarom het moest, behalve degene die het bevel had gegeven.

Die verhalen horen er óók bij.

Voor nu volstaat de conclusie:

Mijn vader stond zijn mannetje.

Hij diende zijn land.

En Nederland heeft het overleefd.

Dus namens volk en vaderland alsnog bedankt, pa.

Je kunt weer rustig gaan zitten.

De wacht zit erop.

Privacy

Ik probeer zorgvuldig om te gaan met informatie over anderen. Mocht op deze pagina toch informatie staan die naar uw mening niet openbaar hoort te zijn, neem dan contact met mij op. Ik zal dit beoordelen en waar nodig aanpassen of verwijderen.

Het vervolg :

Met dank aan de organisaties, bedrijven, musea en instellingen die tijdens deze tocht tijd voor mijn verhaal hebben gemaakt: Muzeeaquarium | Delfzijl, Kapsalon Accent | Groningen, Haarco BV | Raalte, Jorink. De Echte Bakker | Raalte, Bruna | Raalte, Tourist Info| Nijverdal, Tourist Info | Ootmarsum, Boekhandel Brummelhuis | Denekamp, Mr. Mayor Lunch, Bistro & Grill | Denekamp, Camping de Rammelbeek | Lattrop, Keatsferiening Nije Kriich Weidum | Weidum, Groningen store Martini Ziekenhuis | Groningen, Sporthuis A.P. van der Feer | Bolsward, De Ossekop | Bolsward, Breimer's Bakkerij | Bolsward, Tourist Info | Leeuwarden, De Skeve Toren | Leeuwarden, Jagersma modelauto's & miniaturen | Kootstertille, Haitsma Beton | Kootstertille, Tourist Info | Drachten, Tourist Info | Gorredijk, Damster Boekhandel | Appingedam, Zilverkamer | Appingedam, Groningen Seaports | Delfzijl, Bruna | Hoogezand, Onderdelenshop QB's | Hoogezand, Blokker | Hoogezand, Protestantse Kerk | Ezinge, Museum Wierdenland | Ezinge, Boerderijwinkel Uitland | Buitenpost, MediaMarkt | Groningen, Military Collectibles 4U | Spijk (Zevenaar), Schoenmakerij Corpus | Groningen, Stadidee | Leeuwarden, Keatsmuseum | Franeker, Nico's Speelgoed & More | Franeker, Martena Museum | Franeker, SC Cambuur (voetbalshop.nl) | Leeuwarden, Omrop Fryslân | Leeuwarden, Museum Dokkum | Dokkum, Dokkumer Vlaggen Centrale BV | Dokkum, Fortuin Dockum BV | Dokkum, Jacob Mannenmode | Leeuwarden,  Tourist Info | Bolsward, Breimer's Bakkerij | Workum, Boekhandel Stumpel | Workum, Museum Hindeloopen | Hindeloopen, Tourist Info | Harlingen, Bruna | Harlingen, Van der Velde | Sneek, Sigarenmagazijn Sipma | Sneek, Goons & Queens | Sneek, HEMA | Sneek, Scheepvaartmuseum | Sneek, Tourist Info | Sneek, Museum Sloten | Sloten, Tourist Info | Stavoren, Hotel Vrouwe van Stavoren | Stavoren, Tourist Info | IJlst, Dorpsbelang It Nut | Weidum.