PA GAIT OP RAAIS | herinneringstocht voor mijn vader
Pa gaat mee. Of hij wil of niet.
Eind mei is mijn vader overleden. Dat is natuurlijk een tamelijk rigoureuze manier om onder gezamenlijke uitstapjes uit te komen. Helaas voor hem heb ik besloten dat hij daar niet zo makkelijk vanaf komt.
Vanaf morgen gaan we namelijk samen op pad.
Ik maak een tocht langs plekken uit zijn verleden. Plaatsen waar hij woonde, werkte, kwam of op een andere manier zijn sporen heeft achtergelaten. Sommige ken ik, andere moet ik nog ontdekken. En aangezien hij tegenwoordig bijzonder weinig commentaar geeft op de route, bepaal ik voor één keer waar we heen gaan.
Zijn plek is de bijrijdersstoel. Daar ligt de Groninger provincievlag. Bij het voeteneind staan twee Groninger klompen. Veel Groningser krijg ik het niet zonder een complete strokartonfabriek in de auto te laden.
Pa was een trotse Groninger. Dus hij reist in stijl.
Onderweg zullen herinneringen bovenkomen. Er zal vast een traan vallen, maar hopelijk veel vaker een glimlach. Ik zal tegen hem praten en waarschijnlijk antwoord geven namens hem. Dat laatste is riskant, maar bezwaar maken wordt lastig.
De komende tijd deel ik af en toe iets van onze belevenissen. Uiteindelijk verschijnt de hele tocht, met foto's, verhalen en indrukken, op mijn website.
Morgen vertrekken we.
Ik achter het stuur.
Pa ernaast.
De klompen voorin.
En pa kennende heeft hij nu al commentaar op mijn rijstijl.
06:16 vrijdag 14 augustus 2026
En toen ging ieder weer zijn eigen weg
De laatste jaren van mijn vaders leven werden zijn wereld langzaam wat kleiner. Na ongeveer vijf jaar verzorging in woon-zorgcentrum De Dilgt in Haren kwam daar, op 86-jarige leeftijd, een einde aan.
Hij is er vredig ingeslapen.
Daarna bleef hij nog een aantal dagen op zijn eigen, vertrouwde kamer. Eigenlijk wel passend. Niet onmiddellijk weg, maar nog even blijven op de plek die de laatste jaren zijn thuis was geweest. Alsof hij nog niet helemaal haast had om aan zijn laatste reis te beginnen.
Uiteindelijk werd hij door het personeel van De Dilgt uitgeleide gedaan. Wij hadden als familie bewust besloten daar niet bij aanwezig te zijn. Ons eigenlijke afscheid zou later komen.
Pa vertrok dus alvast.
Best bijzonder voor iemand die de laatste jaren voor vrijwel alles hulp nodig had: ineens ging hij zonder ons op stap.
De bestemming was crematorium Selwerderhof in Groningen. Daar kwamen wij weer bij hem voor de afscheidsceremonie. Geen groot spektakel, maar een kleine, intieme setting die bij hem paste. Een gastspreekster vertelde zijn verhaal en ik mocht mij bezighouden met iets waarover ik wél graag de regie voer: de muziek.
De nummers had ik zelf uitgekozen en voorzien van beelden in een video. Nog één keer zijn leven voorbij laten komen, met een soundtrack die niet door een willekeurig crematoriumplaylistje werd bepaald.
Aan het einde verdween zijn kist langzaam achter parelwitte gordijnen.
Een merkwaardig definitief beeld. Je weet natuurlijk precies wat er gaat gebeuren en toch denkt een deel van je: doe die gordijnen nog maar even open.
Maar dat gebeurde niet.
En daarna voltrok zich dat wonderlijke Nederlandse ritueel dat blijkbaar zelfs de dood niet klein krijgt: koffie en thee met koek en cake.
Er werden handen geschud. Herinneringen gedeeld. Hier en daar een lach tussen de tranen door. Nog even praten met mensen die hem hadden gekend en daarna jassen aan, naar de auto's en weer naar huis.
Iedereen ging zijn eigen weg.
Pa ook.
Al zou later blijken dat die van hem nog een onverwacht ommetje via Assen zou maken.
Zelfs zijn laatste reis verliep dus niet helemaal volgens de oorspronkelijke routeplanning.
18:32 vrijdag 14 augustus 2026
Een Groninger die voor zijn crematie naar Drenthe moest
We namen afscheid van mijn vader op het Selwerderhof in Groningen. Zoals het hoorde: in zijn eigen Groningen, met familie om hem heen en alle ruimte voor herinneringen, verdriet en een waardig vaarwel.
Alleen zat er nog een klein technisch detail aan het programma.
De daadwerkelijke crematie kon daar namelijk niet plaatsvinden. De installatie voldeed op dat moment niet aan de vereisten voor de milieuvergunning. Ergens had kennelijk een Jodocus iets niet helemaal gedaan zoals je redelijkerwijs mocht verwachten. Het resultaat: geen vergunning, geen vuur en dus ook geen Groningse crematie.
En zo kreeg mijn vader, zonder daar zelf nog enige inspraak in te hebben, na zijn afscheid ineens een enkele reis naar het buitenland.
Nou ja… Drenthe.
Hij werd naar crematorium De Boskamp in Assen gebracht. Een andere provinciehoofdstad nota bene. Voor een trotse Groninger toch een opmerkelijke laatste administratieve vernedering.
Wij waren daar als gezin en familie niet bij. Ons afscheid had immers al plaatsgevonden in Groningen. Dat laatste stukje van zijn reis maakte hij zonder ons.
En juist daarom hoort Assen bij mijn tocht.
Want als ik nu zijn levenssporen volg, kan ik moeilijk zeggen: “Tot aan de provinciegrens, pa, daarna zoek je het zelf maar uit.”
Dus rijden we straks ook naar De Boskamp.
Ik achter het stuur. De Groninger vlag op de bijrijdersstoel. De klompen erbij.
Voor de zekerheid houd ik de vlag daar maar goed zichtbaar.
Hij is tenslotte lang genoeg in Drenthe geweest.
08:01 vrijdag 14 augustus 2026
Vader is met de gieter in de weer
Vandaag stond een bijzonder stukje van de tocht op het programma. Ik wilde de route rijden die mijn vader na zijn afscheid zelf ook nog heeft afgelegd: van het Selwerderhof in Groningen naar De Boskamp in Assen.
Groningen uit. Drenthe in.
Een mooie rit, had ik bedacht. Rustig rijden, onderweg wat foto's maken en ondertussen bedenken dat pa ditzelfde stukje — zij het onder iets andere omstandigheden — ook heeft afgelegd.
Alleen had iemand kennelijk bezwaar tegen het woord mooi.
Toen ik vanmorgen naar buiten keek, was de lucht grauw. Niet een beetje grijs, maar zo'n degelijke Noord-Nederlandse grauwsluier waarvan je onmiddellijk weet: dit blijft voorlopig zo.
En het regende.
Voortdurend.
Zoals ze in het Frans zeggen: il pleut.
Mijn gedachten maakten daarbij een merkwaardige omweg naar zo'n ander onvergetelijk stukje schoolfrans: papa fume une pipe.
Maar nee.
Papa rookte vandaag geen pijp.
Papa was blijkbaar met de gieter in de weer.
Want waar ik ook reed, het water bleef naar beneden komen. Selwerderhof: regen. Onderweg: regen. Assen: regen.
Nou bedankt, ouwe!
Je zou bijna denken dat hij daar ergens boven heeft zitten wachten tot ik aan deze tocht begon.
"O, gaat-ie vandaag mijn laatste rit nog eens dunnetjes overdoen? Mooi. Even kijken waar ik die gieter heb gelaten."
Typische Huizinga-humor eigenlijk.
Geen donder en bliksem. Geen spectaculaire hemelse boodschappen. Gewoon urenlang gestage regen.
Lekker irritant.
Precies genoeg om te laten weten:
Ik ben er wel, jong.
(.. km) 13:08 zaterdag 15 augustus 2026
Excuse me, Rob… I am your father
Bij De Boskamp aangekomen besloot ik nog wat extra foto's te maken en een stukje over de begraafplaats te lopen. Per slot van rekening kom je niet iedere dag terug op de plek waar je vader zonder jou zijn allerlaatste afspraak heeft afgewerkt.
Ik liep wat rond, maakte foto's en was behoorlijk in gedachten verzonken.
Ergens halverwege schoot ineens door mijn hoofd: Had ik de auto eigenlijk wel goed afgesloten?
Ik twijfelde.
Teruglopen?
Ach, het zou wel.
Mijn aandacht werd alweer getrokken door de omgeving en daarmee verdween de auto uit mijn gedachten. Hooguit een kwartiertje later liep ik terug.
Toen zag ik het.
Het portier aan de bijrijderskant stond open.
Dat was vreemd.
Van een afstand zag ik verder niets bijzonders, maar toen ik dichterbij kwam, bleek er iemand op de voorstoel te zitten. Een klein menselijk figuur. Kaal wordend, oud en zo op het eerste gezicht behoorlijk chagrijnig.
Precies het soort persoon dat je liever níét onverwacht in je auto aantreft.
‘Wat moet dat? En wie ben jij?’
Het mannetje draaide zich naar me toe en antwoordde op een valse, kurkdroge toon:
‘Excuse me, Rob. I am your father.’
Geweldig.
Even dacht ik dat ik door een scheur in het universum in zo'n vreselijke Star Wars-film terecht was gekomen. En laat ik daar nou nét niet op zitten te wachten.
Ik ben Trekkie.
Na enige uitleg — voor zover je de wartaal van een narrige oude indringer uitleg kunt noemen — begon het probleem duidelijk te worden. Dit vage individu beweerde de reïncarnatie van mijn vader te zijn.
Een heule slechte reïncarnatie, moet ik erbij zeggen.
Kennelijk was er ergens iets misgegaan in het space-timecontinuüm. Wat dat precies is weet ik niet, maar het klinkt als iets waarvoor iemand bij de gemeente waarschijnlijk een vergunning had moeten aanvragen.
Via die scheur had hij in ieder geval mijn auto gevonden.
En daar zat hij nu.
Op de plek van mijn vader.
Ik keek naar hem. Hij keek narrig terug.
Langzaam begon het tot me door te dringen dat ik voorlopig met hem opgescheept zat.
Joepie.
Ik mocht hem Walter noemen.
En terwijl ik achter het stuur stapte, hoorde ik in gedachten al die onmiskenbare stem van Jeff Dunham.
Mijn tocht met pa had zojuist een tamelijk onverwachte wending genomen.
De Groninger vlag had een medepassagier gekregen.
En ik?
Ik wist ineens weer héél zeker waarom je altijd je auto moet afsluiten.
(.. km) 20:42 vrijdag 14 augustus 2026
Een spectaculaire start. Nou ja…
Het had een spectaculaire start van de tocht moeten worden.
Ik had voor vandaag namelijk nog veel meer op het programma staan. Mooie plekken, foto's, herinneringen en natuurlijk mijn vader op de bijrijdersstoel — inmiddels in welke verschijningsvorm dan ook.
Ik had alleen bij de planning één klein detail over het hoofd gezien:
Pa beheert tegenwoordig blijkbaar het weer.
En daar blijkt hij dus totaal niet mee om te kunnen gaan.
Regen, regen en nog eens regen. Voor een deel van mijn plannen heb ik toch echt iets nodig wat ze elders in Nederland schijnen te kennen als de zon. Dus heb ik besloten die plannen door te schuiven.
Jammer, maar geen ramp. Deze tocht heeft tenslotte geen haast.
Ondertussen ga ik gewoon verder met de voorbereidingen. Routes uitzoeken, plekken opsporen, foto's verzamelen en vooral graven in het verleden naar grappige anek… anecdotes… anekdoten…
Whatever.
Verhaaltjes dus.
Want hoe meer ik opdiep, hoe meer ik ontdek dat deze reis niet alleen gaat over de plekken waar mijn vader is geweest. Het zijn juist de kleine verhalen eromheen die hem langzaam weer een beetje zichtbaar maken.
Morgen doe ik het rustig aan. Even relaxen, ordenen en waarschijnlijk af en toe naar boven kijken of de dienstdoende weerman zijn gieter inmiddels heeft opgeborgen.
Vanaf maandag gaan we verder.
Meer plekken. Meer ontdekkingen. Meer herinneringen en ongetwijfeld weer de nodige onzin.
En pa?
Die gaat gewoon mee.
Maar als het maandag wéér regent, lever ik officieel een klacht in bij de directie daarboven.
13:22 zaterdag 15 augustus 2026
Jong, ’t is ja net of 't luchtalaarm af gait…
Zaterdagavond. Voetbal op televisie, noise-cancelling koptelefoon op en ondertussen lekker knallende melodic & progressive house/techno door de oren.
Je kent het wel: opzwepende beats, drums en eindeloos herhalende piep-piep-boem-boem-geluiden waarvan de liefhebber zegt dat het muziek is.
En toen hoorde ik ineens een stem.
“Jong, ’t is ja net of 't luchtalaarm af gait.”
Meer niet.
Ik keek om me heen.
Niks.
Ik zal me wel vergist hebben. Misschien even weggedommeld. Het kon in ieder geval Walter niet zijn. Die knauwende Yank heeft zo zijn eigen irritante, valse geluid en is inmiddels helaas uitstekend herkenbaar.
Nee.
Dit klonk verdacht veel als mijn vader.
En toen kreeg ik een brainwave. Een ingeving. Visioen. Boodschap van gene zijde. Noem het wat je wilt.
Er verscheen een adres in mijn hoofd:
Nummer 2, Baron van Asbeckweg.
Geen idee.
Google erbij. Resultaat.
Luchtwachttoren 7O1, Warfhuizen.
Aha.
Die ouwe taaie wilde blijkbaar dat ik zondagmorgen vroeg naar Warfhuizen reed. Kennismaken met een stukje van zijn wereld waarover ik eigenlijk maar weinig weet: zijn militaire diensttijd.
Ik wist dat hij destijds betrokken was geweest bij de beveiliging van luchtmachttoestanden. Maar hoe dat precies zat, welke wereld daarbij hoorde en wat hij daar heeft meegemaakt?
Geen flauw idee.
En juist dát begint zo langzamerhand het mooie van deze tocht te worden. Pa vertelt niks meer, maar stuurt me kennelijk wel op pad.
Dus zondagochtend vroeg: richting Warfhuizen.
Voor het landsbelang.
Voor volk en vaderland.
Voor de Keuning — én de Keunegin.
En vooral voor mijn vader.
Maar er zijn natuurlijk grenzen aan vaderlandsliefde.
Ik moest wél op tijd terug zijn om FC Groningen in Den Haag te zien spelen.
De residentie!
Koning, krijgsmacht, luchtwacht, Den Haag, FC Groningen en mijn vader…
Kijk, zo komt uiteindelijk alles weer mooi bij elkaar. Nu nog eem winnen!
En ergens hoor ik hem alweer:
“Jong, dou dien koptelefoon toch ais wat zachter. 🎧
(50 km) 01:28 zondag 16 augustus 2026
Ik zou het vandaag rustig aan doen…
Het plan voor vandaag was simpel: rustig aan doen.
Dat lukte uitstekend.
Totdat ik vanmorgen bij de luchtwachttoren in Warfhuizen stond.
Maar goed, dat uitstapje was inmiddels van hogerhand geregeld, dus daarna netjes naar huis voor het voetbal. FC Groningen won met 4-1 van de residentieclub, dus wat mij betreft was de zondag daarmee al behoorlijk geslaagd.
En toen begon het toch weer te kriebelen.
Er ontbrak namelijk nog een stukje aan de reis van mijn vader: de rit van woon-zorgcentrum De Dilgt in Haren naar het Selwerderhof in Groningen. Binnen hoefde ik niet meer te zijn. Ik wilde alleen die route rijden en vastleggen.
Simpel.
Dacht ik.
Want kennelijk zat daarboven iemand alweer grinnikend naar beneden te kijken.
Bij Haren begon het.
Verkeersbord.
Nog een verkeersbord.
Afzetting.
Omleiding.
En jawel hoor: de Dilgtweg lag eruit.
Uitgerekend de laatste meters naar De Dilgt.
Je verzint het niet. Ik wist het werkelijk niet van tevoren, maar begon inmiddels wel een vermoeden te krijgen wie dit geregeld had.
“Zo jong, wolst mie achternoa? Kiek moar hou dast doar komst.”
Nou bedankt, pa.
Dus eerst maar een toeristische route door Haren. Een beetje links, een beetje rechts en vooral niet de kant op die ik oorspronkelijk bedacht had.
Uiteindelijk lukte het natuurlijk wel.
Daarna kon de reis richting Groningen beginnen. De ringweg op en verder naar het Selwerderhof. Hetzelfde traject dat mijn vader na zijn overlijden ook heeft afgelegd, alleen hoefde hij zich destijds vermoedelijk iets minder druk te maken over omleidingen.
Bij het crematorium wachtte vervolgens de volgende verrassing.
De poort stond gewoon wagenwijd open.
Wees welkom!
Nou, dank u vriendelijk.
Maar vrees niet.
Ik heb alleen even rondgekeken en ben daarna keurig weer vertrokken.
Er gaat hier voorlopig nog helemaal niets de pijp uit.
En pa?
Die heeft boven waarschijnlijk weer een geslaagde zondag gehad.
Luchtwachttoren, voetbal, wegafsluitingen en een openstaand crematorium.
Typische Huizinga-fratsen. Zelfs rustig aan doen moet blijkbaar via een omleiding.
(38 km) 15:58 zondag 16 augustus 2026
Navigatiestation G — oeps, staatsgeheim
Japie Potgieter was vandaag alweer vroeg uit de veren.
Kennelijk heeft hij daarboven inmiddels een volledige dagtaak aan het verzinnen van manieren om mij het leven zuur te maken. Regen, omleidingen, vage boodschappen uit het hiernamaals… die man begint aardig op stoom te raken.
Nu ben ik uiterst positief van aard en bovendien niet voor één gat te vangen.
Maar alles heeft grenzen.
Zelfs bij mij.
Goed.
Vanmorgen kwam mijn moeder ineens met een lumineuze mededeling:
“Je vader reed tijdens zijn militaire dienst op de fiets rondjes tussen Appingedam en Holwierde. Op patrouille.”
Pardon?
Kijk, dát zijn dus van die details die je misschien iets eerder had kunnen vertellen.
Het bleek te gaan om de beveiliging van navigatiestation G. Een militair navigatiestation uit de Koude Oorlog.
Die G zal toch niet voor Groningen hebben gestaan?
Oeps.
Geheim verklapt.
Ik vermoed dat Igor en Boris destijds diep onder de indruk moeten zijn geweest. Terwijl aan de andere kant van het IJzeren Gordijn de raketten klaarstonden, hadden wij in Groningen mijn vader.
Op de fiets.
Rondjes tussen Appingedam en Holwierde.
Kom d'r moar om.
En het mooiste is misschien nog wel wat hij daar mede stond te bewaken: installaties die in het vlakke Groninger landschap vermoedelijk ongeveer de uitstraling hadden van een stel strategisch geplaatste putdeksels.
Daar moest de vijand dus vanaf blijven.
En pa hield een oogje in het zeil.
Vandaag ga ik kijken wat er nog van dat stukje militaire geschiedenis terug te vinden is. Waar fietste hij? Wat stond daar precies? En is er na al die jaren überhaupt nog iets zichtbaar?
Weer of geen weer.
Dus Japie Potgieter: doe je best daarboven.
Pak die gieter er maar weer bij.
Ik ga toch.
Voor volk en vaderland, voor het voormalige navigatiestation G…
en om eindelijk eens te controleren waar mijn vader in vredesnaam al die rondjes voor fietste.
(72,2 km) 07:46 maandag 17 augustus 2026
H I E P E R D E R P I E P H O E R A !!!
87 — maar je bedankte voor de eer
Vandaag zou je 87 jaar zijn geworden.
Zou.
Want zelf heb je voor die eer bedankt.
Jouw vader deed dat beter. Die haalde de 87 wél en ging er vervolgens ook nog eens ruim overheen. Daarmee heeft hij die wedstrijd overtuigend van je gewonnen.
En jij gaat straks weer van mij winnen.
Dat lijkt me tenminste logisch.
Opa goud. Jij zilver. Ik brons.
Brons is ook mooi.
Maar vandaag telt die eindstand even niet. Vandaag ben je gewoon jarig en vier ik je 87e alsof je naast me zit.
En wat kun je op zo'n verjaardag beter doen dan samen nog één keer teruggaan naar waar het allemaal begon?
Raalte in Overijssel.
Jouw geboorteplaats.
Dus gaan we kijken naar de plek waar je in 1939 ter wereld kwam. Al is er één klein probleem: Raalte heeft in de tussentijd niet stilgestaan.
Bij ons vorige bezoek bleek op jouw geboorteplek namelijk een modewinkel te zijn neergeplempt.
En als ik de locatie goed heb gereconstrueerd, moet jouw wieg ongeveer hebben gestaan waar tegenwoordig de dames hun nieuwe garderobe passen.
Een pashokje dus.
Je verzint het niet.
Het is daar niet meer zoals in 1939.
Gelukkig maar trouwens, want anders was het over een paar weken oorlog.
Hoewel…
Nu ik erover nadenk, kan het vandaag óók nog oorlog worden.
Ik moet tenslotte straks die winkel binnen en aan een paar nietsvermoedende jonge dames uitleggen dat mijn overleden vader zich op zijn 87e verjaardag opnieuw in hun pashokje bevindt.
"Maakt u zich geen zorgen, juffrouw. Hij is hier geboren."
Dat gaat vast helpen.
Maar ach, als je wieg bijna 87 jaar later dan tóch ergens moet hebben gestaan, dan is de damesconfectie eigenlijk zo gek nog niet.
Er zijn slechtere plekken om je reis te beginnen.
Dus vandaag gaan we terug naar het begin, pa.
Naar Raalte. Naar 1939. Naar jouw eerste stukje wereld.
En mogelijk naar een pashokje.
Chapeau, ouwe. Van harte gefeliciteerd met je 87e. 🎂
19:11 maandag 17 augustus 2026
Even netjes voor de jarige
Wat een knapperd hè, pa?
Rustig maar.
Het is je zoon. Bij de kapper.
Want als jij vandaag dan toch je 87e verjaardag viert, kan ik natuurlijk niet met een verwilderde kop naast je in de auto gaan zitten.
Er zijn grenzen.
Dus eerst maar even langs de kapper. Beetje knippen, fatsoeneren en de boel weer enigszins toonbaar maken.
Je moet er tenslotte een beetje netjes uitzien op de feestdag van je vader.
Niet dan?
Daarna gaan we samen op pad.
Geen ingewikkeld draaiboek. Geen militaire precisie, geen navigatiestation G dat beveiligd moet worden en als het even kan ook geen geheimzinnige opdrachten vanuit het hiernamaals.
Gewoon jij en ik.
We zien wel waar we terechtkomen.
Beetje rijden. Beetje kijken. Misschien ergens stoppen. Herinneringen ophalen. Waarschijnlijk tegen je praten alsof je gewoon naast me zit.
En jij zegt natuurlijk weer niks terug.
Ook weleens lekker trouwens.
Dus kom op, ouwe.
Je zoon zit weer strak in de coupe.
Jij bent jarig.
We maken gewoon ff een rondje…
Het HAD Elle kunnen zijn…
Het HAD Elle kunnen zijn.
Eén van die dames op de door mij met AI gefabriceerde foto van een damesmodezaak, precies op de plek waar ooit het geboortehuis van mijn vader stond.
Misschien heeft Elle trouwens héél veel verstand van damesmode. Geen idee. Dat onderwerp hebben we niet uitgediept.
Want de werkelijkheid bleek anders.
Op het adres waar mijn vader in 1939 zijn eerste kreten liet horen, zit tegenwoordig HAARCO. Geen damesmode, geen pashokjes met geschrokken dames, maar een woonwinkel voor vloeren, gordijnen en raamdecoratie op maat.
En daar werd ik allerhartelijkst ontvangen door Elle.
Ik was amper binnen of mijn aandacht werd onmiddellijk getrokken.
Niet door Elle.
Sorry Elle.
Er stond namelijk een dwarsdoorgesneden babyblauwe Volkswagen Kever.
Serieus.
Precies zo'n Kever als mijn vader vroeger had. Het autootje waarmee wij onze eerste vakanties maakten. Naar waar?
Juist.
Overijssel.
Het blijft trekken.
Je gaat op de 87e verjaardag van je overleden vader naar diens geboorteplek en het eerste wat je daar tegenkomt is zo'n beetje de halve uitvoering van zijn oude auto.
Alsof toeval niet bestaat.
Daarna raakte ik met de sprankelende verkoopster in gesprek. Ik vertelde over mijn vader, zijn verjaardag, mijn herinneringstocht en waarom ik in vredesnaam haar winkel was binnengelopen op zoek naar een huis dat allang niet meer bestaat.
Ik vroeg of ik misschien een kleinigheid van HAARCO kon kopen. Gewoon iets als tastbare herinnering aan de plek.
Lang verhaal kort:
ik heb niets kunnen kopen.
Dat klinkt commercieel gezien natuurlijk als een dramatische afloop.
Maar ik ging bepaald niet met lege handen naar buiten.
Elle voorzag me namelijk van een paar herinneringsattributen. En eentje daarvan was helemaal raak: iets over oud-Raalte.
Kijk.
Dáár kan ik wat mee.
En alsof dat nog niet genoeg was, vertelde ze dat ze waarschijnlijk ook oude foto's voor me kon vinden van het huis dat vroeger op deze plek stond.
Het geboortehuis van mijn vader.
Tja.
Wat wil je dan nog meer?
Ik kwam binnen om misschien een kleinigheid te kopen en liep naar buiten met herinneringen, een nieuw spoor én uitzicht op foto's van een stukje familiegeschiedenis waarvan ik dacht dat het verdwenen was.
Dat was Elle.
Dat was HAARCO.
En had ik al gezegd dat je bij Elle en HAARCO moet zijn als je ooit in Raalte bent?
Bij deze.
Pa, je geboortehuis is weg.
Maar wees gerust.
Met de vloer, gordijnen en raamdecoratie op jouw geboorteplek zit het tegenwoordig uitstekend.
20:42 dinsdag 18 augustus 2026
Nog even shoppen in Raalte
Na mijn bezoek aan Elle was ik natuurlijk nog lang niet uitgeshopt in Raalte.
Je bent tenslotte maar één keer op de 87e verjaardag van je overleden vader in zijn geboorteplaats. Dan moet je de lokale economie ook een beetje steunen.
Maar eerst: de innerlijke mens.
Dus naar Jorink. De echte bakker, zeggen ze er nadrukkelijk bij. Dat schept verwachtingen.
En ik viel er bij wijze van spreken meteen met mijn neus in de boter. Er was lekkers én lunch.
Kijk, dan heb je mij.
Na de lunch nog even langs de vitrines en schappen. En daar begon het verdacht veel op Sinterklaas te lijken. Speculaas hier, speculaas daar, speculaas in allerlei Sallandse verschijningsvormen.
Mijn oog viel vooral op de ‘wereldberoemde’ Luykens Speculaas.
Wereldberoemd.
In Raalte in ieder geval.
What's in a name.
Het betreft een flinke ronde brok speculaas die — zo werd mij verzekerd — verrassend zacht van binnen en heerlijk krokant van buiten is.
Kijk, dat klinkt goed.
Weer eens wat anders dan hard van binnen en boterzacht van buiten.
Dus die speculaas ging mee. En omdat ik thuis natuurlijk onmogelijk kan aankomen met alleen iets voor mezelf, verdwenen er nog wat andere pakjes cookies in de tas.
Kijk mij eens internationaal bezig zijn in Salland.
Thuis lusten ze dat spul namelijk ook wel.
En daarmee zat het bezoek aan Raalte er zo langzamerhand op. Vader z'n geboorteplek gevonden, een halve Kever ontmoet, bij Elle niet kunnen winkelen maar toch met spullen naar buiten gekomen en vervolgens bij de bakker alsnog mijn koopdrift kunnen botvieren.
Missie geslaagd.
Tijd om verder te gaan.
Op naar de Sallandse Heuvelrug.
Ik achter het stuur, Walter ongetwijfeld met commentaar naast me en ergens daartussen pa.
En een auto vol koek.
Want een herinneringstocht op een lege maag, daar beginnen we natuurlijk niet aan.
21:06 dinsdag 18 augustus 2026
Sallanders… valt reuze mee
Salland.
Sallanders.
Hoeveel ken ik er eigenlijk?
Niet zoveel.
Maar vandaag heb ik er een aantal in het wild mogen ontmoeten en ik kan inmiddels geruststellend melden:
het valt reuze mee.
Sterker nog, het zijn hartstikke aardige mensen. Vriendelijk, gastvrij en — ook niet geheel onbelangrijk — prima te verstaan.
Al hebben ze natuurlijk wel zo hun eigen eigenaardigheden.
Vooral op taalgebied.
Want net als wij Groningers hebben ook de Sallanders bedacht dat gewoon Nederlands wel erg gemakkelijk zou worden. Dus hebben ze hun eigen streektaal, dialect, woorden, uitdrukkingen en vermoedelijk klanken waarvoor je je mond eerst in een stand moet zetten die bij de gemiddelde logopedist tot lichte paniek leidt.
Wat ze er allemaal precies van gemaakt hebben, moet ik nog ontdekken.
Ik heb namelijk een boekje meegenomen vol Sallandse woordenbrij.
Dat wordt dus studeren.
Ik vermoed dat ik me daar uitstekend mee ga vermaken. En begrijpen en waarderen zal ik het zeker, want uiteindelijk zijn we op taalgebied gewoon familie.
Eén grote Nedersaksische bende.
Wij zeggen het zus, zij zeggen het zo en twintig kilometer verderop hebben ze alweer bedacht dat het nóg anders moet.
Prachtig toch?
Ik ga proberen er mijn voordeel mee te doen, want één ding weet ik inmiddels zeker:
ik kom terug.
Ik ben nog lang niet uitgekeken in Salland.
En, zoals inmiddels gebleken is, ook nog niet uitgeshopt.
Dus de volgende keer arriveer ik hopelijk met een paar zorgvuldig ingestudeerde Sallandse volzinnen. Waarschijnlijk met een zwaar Gronings accent en volledig verkeerde uitspraak, maar een kniesoor die daarop let.
En mocht het allemaal mislukken…
Dan ga ik gewoon even op de thee bij Elle.
Die verstond me de eerste keer tenslotte ook.
21:21 dinsdag 18 augustus 2026
Walter lust geen groenvoer
Na Raalte ging de tocht verder en uiteindelijk belandden we in Denekamp.
Tijd voor een avondmaal.
Bij Mr. Mayor – Lunch, Bistro & Grill vonden we een mooi plekje en daar zat ik dan, met tegenover mij mijn inmiddels vaste tafelgenoot.
Walter.
Armen over elkaar. Wenkbrauwen op standje onweer en die karakteristieke blik alsof de bediening hem zojuist persoonlijk verantwoordelijk had gesteld voor de rekening.
Voor mij verscheen een enorm bord.
Groen.
Heel veel groen.
Sla, rucola, tomaatjes, groenten en daartussen gelukkig nog wat zaken waarvan je met enige goede wil kon aannemen dat ze ooit iets anders waren geweest dan een plant.
Walter keek naar mijn bord.
Toen naar mij.
Weer naar mijn bord.
En trok een gezicht alsof ik zojuist een compostbak had leeggeschud en daar mes en vork naast had gelegd.
"What the hell is that?"
‘My hot meal, Walter.’
Hij keek nog eens.
"That's no hot meal. That's landscaping."
Ik wees hem erop dat het gezond was.
Verkeerde antwoord.
Zijn toch al norse gezicht vertrok nog een stukje verder.
"I'm not eating that. I'm not a goat!"
Goed.
Duidelijk.
Gelukkig stond er ook een flinke bak friet op tafel. Daar dwaalden zijn ogen opvallend vaak naartoe. Kijk, aardappelen zijn natuurlijk óók planten, maar blijkbaar verandert dat fundamenteel zodra je ze in repen snijdt en in kokend vet gooit.
Toen was meneer ineens een stuk minder principieel.
Dus daar zaten we bij Mr. Mayor.
Ik tegenover een bord waar een gemiddelde geit inderdaad een uitstekende middag aan zou hebben gehad, Walter tegenover mij met zijn armen demonstratief over elkaar.
En natuurlijk een flesje Rivella erbij.
Ook dat bekeek hij met argwaan.
Ik heb hem maar niet verteld dat Rivella gemaakt wordt met melkserum.
Voor je het weet begint hij over koeien.
Pa zou waarschijnlijk alleen maar hebben gekeken, gegrijnsd en gedacht:
Jong, bist nou helemaal noar Twente reden om doar gras te eten?
Ach.
Het smaakte uitstekend.
En Walter?
Die mocht naar de friet kijken.
21:35 dinsdag 18 augustus 2026
Ligt het misschien gewoon aan mij?
Na alles wat ik de afgelopen dagen heb meegemaakt — en waarvan ik hier nog maar een klein gedeelte heb verteld, want geloof me: er is zoveel meer — begin ik mezelf zo langzamerhand toch een paar vragen te stellen.
Misschien ligt het namelijk gewoon aan mij.
Heb ik mijn dagelijkse lijst met pillen ergens verkeerd geïnterpreteerd? Eentje te weinig genomen? Of per ongeluk drie te veel?
Je gaat toch nadenken.
Want soms zie ik dingen die er volgens iedere redelijke analyse helemaal niet zouden moeten zijn.
Een overleden vader die zich voortdurend met mijn routeplanning lijkt te bemoeien. Toevalligheden die nét iets te toevallig worden. En dan natuurlijk Walter, die cynische Amerikaanse mopperkont die zich inmiddels gedraagt alsof hij gewoon onderdeel van de familie is.
Misschien ijl ik.
Misschien heb ik visioenen.
Misschien ben ik gewoon op een enorme trip.
Yeah!
Geen idee.
Vriendinnen en, euh…
Nee.
Familieleden zullen ondertussen waarschijnlijk ook weleens denken:
Waar haalt-ie het allemaal vandaan?
Hoezo?
Ik kan het zelf ook niet verklaren.
Ik ben tenslotte een buitengewoon serieuze man. Ik doe nooit rare dingen. Gedraag me altijd voorbeeldig, ben aardig tegen vrijwel iedereen en strooi de hele dag uitsluitend met welgemeende complimenten.
Eigenlijk ben ik gewoon ontzettend…
LIEVVV.
Als een lammetje.
Goed, een lammetje met af en toe een lichte gebruiksaanwijzing, maar toch.
En misschien is dát wel het interessante aan deze tocht.
Ik ben begonnen met het idee dat ik de plekken uit het leven van mijn vader zou bezoeken. Feiten verzamelen. Foto's maken. Herinneringen terughalen. Een soort reis door zijn geschiedenis.
Maar onderweg gebeurt er iets anders.
Herinneringen beginnen zich te mengen met fantasie. Toeval krijgt betekenis. Een plek roept een verhaal op, een verhaal brengt een ander verhaal terug en voor ik het weet zit Walter tegenover me aan tafel commentaar te leveren op mijn salade.
Weet ik dat Walter daar niet werkelijk zit?
Natuurlijk.
Weet ik dat mijn vader niet persoonlijk hierboven de regeninstallatie bedient?
Dat lijkt me vanuit meteorologisch oogpunt buitengewoon aannemelijk.
Maar daar gaat het misschien helemaal niet om.
Mijn vader is er niet meer en toch kom ik hem tijdens deze tocht voortdurend tegen. In plaatsen, foto's, oude verhalen, opmerkingen van mijn moeder, een Volkswagen Kever of zomaar een gedachte die ineens bovenkomt.
En de rest?
Daar maakt mijn hoofd kennelijk zijn eigen voorstelling van.
Met Walter als cynische bijrijder en pa ergens achter de schermen als regisseur.
Misschien is dat geen visioen en geen trip.
Misschien is het gewoon mijn manier om herinneringen levend te maken en tegelijkertijd iets nieuws met mijn vader te beleven, nu dat in werkelijkheid niet meer kan.
Ik weet het niet.
En eigenlijk hoef ik het ook niet precies te weten.
Het is in ieder geval een bijzondere ervaring.
En we zijn nog lang niet klaar.
The German Side
Na het eten — nou ja, ik had gegeten en Walter had er vooral afkeurend bij zitten pruimen — werd het tijd om vanuit Denekamp weer huiswaarts te keren.
Mijn Amerikaanse tafelgenoot was nog steeds niet te genieten.
Maar goed, dat is bij Walter inmiddels geen stemming meer. Dat is een levenshouding.
Tijdens deze hele trip had ik me voorgenomen me door die ouwe Amerikaanse dwarsligger niet op de kast te laten jagen. Sterker nog: als hij vervelend kon doen, kon ik dat ook.
En ik kan, wanneer de omstandigheden daarom vragen, behoorlijk zuigen.
Dus kreeg ik een idee.
We konden natuurlijk gewoon rechtstreeks terug naar huis rijden.
Maar…
we konden ook the German side nemen.
Even Duitsland in.
Ik keek opzij.
Walter keek terug.
En aan zijn gezicht zag ik onmiddellijk dat dit een uitstekend plan was.
Voor mij dan.
"Germany?"
‘Yep, Walter. Germany.’
Daar zat-ie.
In één klap nog drie tinten chagrijniger.
We zouden vanaf Oud-Ootmarsum de grens overgaan en een stukje door Duitsland rijden richting Coevorden. Gewoon lekker over de Landstraßen crossen en onze aanwezigheid internationaal kenbaar maken.
Een beetje zoals de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog ook besloten Duitsland eens van dichtbij te gaan bekijken.
Alleen kwamen wij met een grijze auto en aanzienlijk minder materieel.
Geen paspoort bij ons trouwens.
Gewoon op de pof.
Omdat het kan.
Danger is my middle name.
Nou, je had Walter moeten zien.
Bij het passeren van de grens kromp hij volgens mij fysiek een paar centimeter ineen. Hij keek naar buiten. Toen naar mij. Vervolgens weer naar buiten.
Ontzet.
Vuil.
Achterdochtig.
Alsof achter iedere Duitse boom iemand klaarstond om hem persoonlijk alsnog krijgsgevangen te nemen.
‘Welkom in die Heimat, Walter.’
Verkeerde opmerking.
Die blik.
Prachtig.
En dus reed ik vrolijk verder. Duitse dorpjes, Landstraßen en ondertussen af en toe nét iets te enthousiast een Duits woord uitspreken.
Jawohl!
Walter zei vrijwel niets.
Maar dat hoefde ook niet.
Zijn gezicht verzorgde de complete gesproken tekst.
Gelukkig voor hem duurde onze veldtocht door het Reich slechts van Oud-Ootmarsum tot Coevorden. Een militair historicus zal er vermoedelijk geen apart hoofdstuk aan wijden.
Toen kwam eindelijk Nederland weer in zicht.
Ik zag het bord.
Walter zag het bord.
We reden de grens over.
En ik zweer het: nog nooit heb ik iemand zó opgelucht zien kijken bij het binnenrijden van Drenthe.
Een paar seconden bleef het stil.
Toen keek Walter mij aan.
Gortdroog.
"Next time, asshole… we take the fucking highway."
Ik heb tot Groningen dubbelgelegen.
Welcome back, Walter.
01:56 woensdag 19 augustus 2026
Op naar Weidum
Eigenlijk had ik gisteren, al bij je op bezoek willen gaan in het dorp waar je je allervroegste jeugd hebt doorgebracht.
Nou ja, jeugd…
Je eerste vijf levensjaren.
En laat dat nou toevallig precies de vijf jaren van de Tweede Wereldoorlog zijn.
Lekker gepland, pa.
De familie Huizinga was namens de Noord-Nederlandsche Wegenbouwmaatschappij in het Friese Weidum terechtgekomen. Een klein dorp op het Friese platteland, onder de rook van Leeuwarden.
Daar bracht jij dus je eerste jaren door.
Terwijl elders in Europa de wereld compleet uit zijn voegen werd geblazen, zat kleine Japie tussen de Friezen.
Je kunt achteraf moeilijk bepalen wat erger was.
Rustig maar, Friezen. Grapje.
Ik kom eraan.
Eigenlijk dus gisteren. Maar inmiddels heb ik contact gehad met een paar mensen uit de omgeving en die wisten mij ervan te overtuigen mijn bezoek één dag uit te stellen.
Waarom?
Tja…
Daar deden ze nog een beetje geheimzinnig over.
En inmiddels weet ik uit ervaring dat geheimzinnigheid tijdens deze tocht meestal betekent dat ik ergens terechtkom waar mijn oorspronkelijke planning binnen vijf minuten volledig naar de knoppen gaat.
Dus vandaag gaat het gebeuren.
Weidum.
Het dorp waar mijn vader als klein jongetje rondliep. Waar hij zijn eerste herinneringen moet hebben opgedaan en waar de oorlog voor hem geen geschiedenisboek was, maar simpelweg de wereld waarin hij opgroeide.
Wat ik daar precies ga aantreffen?
Geen idee.
Maar zoals ze in Friesland zeggen:
Wêrom? Dat sille wy dan wol sjen. Ik bin benijd!
Oftewel:
Waarom?
Dat zullen we dan wel zien.
Ik ben benieuwd!
05:42 woensdag 19 augustus 2026
Dít is dus de reden.
Ik zou gisteren naar Weidum gaan. Op pa z'n verjaardag. Keurig gepland, dacht ik zelf.
Maar nee.
Vanuit Friesland kwamen geluiden dat ik beter vandaag kon komen.
Waarom?
Dat zouden we dan wel zien.
Nou, ik heb het inmiddels gezien.
Vandaag wordt in Weidum namelijk de 50e Frouljus PC gehouden. Hoofdklasse dameskaatsen. Een jubileumeditie nog wel.
Kijk.
Dan begin ik langzamerhand te begrijpen waarom ze mij gisteren liever nog even buiten het dorp hielden.
Ik wilde alleen maar rustig komen kijken waar mijn vader tijdens zijn eerste vijf levensjaren had gewoond.
Beetje rondkijken.
Fotootje maken.
Herinnering ophalen.
En blijkbaar hebben de Friezen gedacht:
Sa kin dat net.
Als die Groninger dan toch naar Weidum komt, dan zullen we hem ook meteen laten zien waar hij terechtgekomen is.
Kaatsen.
Nu moet ik eerlijk bekennen dat mijn actieve kennis van deze sport ongeveer ophoudt bij het feit dat er een bal bij betrokken is en dat Friezen er bijzonder serieus bij kunnen kijken.
Maar vandaag ga ik me erin verdiepen.
De 50e Frouljus PC.
In Weidum.
Toeval?
Waarschijnlijk.
Maar tijdens deze tocht ben ik inmiddels wel een beetje klaar met toevalligheden.
Dus vooruit, pa.
Ik kom eraan.
Naar het dorp waar jij als kleine jongen tijdens de oorlog rondliep en waar vandaag een compleet Fries kaatsspektakel losbarst.
Een Groninger tussen de Friezen.
Wat kan er misgaan?
En mocht ik de spelregels niet begrijpen, dan knik ik gewoon ernstig en roep af en toe: “Bêst genôch!”
Volgens mij kom je daar in Friesland een heel eind mee.
En anders zeg ik gewoon dat ik Groninger ben.
Dan verwachten ze toch al niet zoveel meer van me.
05:58 woensdag 19 augustus 2026
Twaalf Friese famkes en een ienemienie balletje
Een kaatstoernooi dus.
En niet zomaar eentje.
De 50e editie in Weidum.
Ik was nog maar nauwelijks gearriveerd of het Fries vloog me alweer van alle kanten om de oren. Door de speakers, naast me, achter me, voor me…
Mijn hersenen schakelden automatisch de ondertiteling in.
Heel handig.
Alleen ontbreekt er één klein detail:
de Nederlandse vertaling.
Er verschijnen in mijn hoofd complete zinnen onder de gesprekken, maar wat daar precies zou moeten staan ontgaat me volledig.
“Bjusterbaarlik moai keatsen, hear.”
Ondertiteling: [FRIES GEPRAAT]
Zoiets.
Maar verder hadden ze het uitstekend voor elkaar. Ik beschikte zelfs over een gereserveerde parkeerplaats bij de kerk.
Kijk.
Zo ontvang je een Groninger.
Gratis toegang bovendien én volop consumptiebonnen.
Mijn integratie in de Friese samenleving verliep plotseling een stuk soepeler.
En toen het kaatsen zelf.
Ik heb echt geprobeerd het te begrijpen.
Serieus.
Maar na enige bestudering kan ik voorlopig slechts de volgende technische analyse geven:
Er rennen twaalf Friese famkes heen en weer die zo nu en dan tegen een ienemienie balletje meppen.
't Kon minder…
Dat balletje is trouwens zó klein dat ik een aanzienlijk deel van de wedstrijd vooral bezig ben met de vraag waar dat kreng überhaupt gebleven is.
De dames rennen.
Het publiek kijkt gespannen.
Er wordt geslagen.
Iemand roept iets in het Fries.
Applaus!
Ik ook maar klappen.
Geen idee waarom.
De Friese toeschouwers om mij heen lijken het spel ondertussen moeiteloos te volgen. Die zien kennelijk precies waar het balletje is, wie er voorstaat en waarom iedereen ineens enthousiast wordt.
Zij wel.
Ik kijk ondertussen vooral naar twaalf heen en weer rennende Friese famkes en doe alsof ik het volledig begrijp.
Af en toe ernstig knikken.
Beetje deskundig kijken.
En op het juiste moment:
“Bêst genôch!”
Volgens mij ben ik bijna ingeburgerd.
01:04 donderdag 20 augustus 2026
EVEN NAAR JELLE.
Daar zat ik dan.
Met m'n neus boven op het kaatsveld, direct achter de reclameborden.
Euh, pardon:
de buorden mei Fryske reklames.
En mijn oog viel onmiddellijk op een bord met de veelzeggende tekst:
EVEN NAAR JELLE.
Mét punt.
Echt.
Die punt stond er ook.
Dat was dus mijn officiële kennismaking met het Friese topkaatsen. Een Fries reclamebord dat niet vroeg of ik misschien even naar Jelle wilde.
Nee.
Even naar Jelle. Punt.
Friese stijfkoppen.
Ik voelde me meteen thuis.
Eenmaal gesetteld tussen de locals viel het trouwens allemaal reuze mee. Om me heen bleef het natuurlijk voortdurend Jelle-Jelle-taal, maar na verloop van tijd begon mijn ingebouwde ondertitelingssysteem zowaar resultaat te boeken.
Friese klanken worden nét even anders uitgesproken dan in het Grunnegs of Nederlands. Hier wat inslikken, daar wat verdraaien, een paar letters waarvan kennelijk collectief is besloten dat je ze best anders kunt uitspreken…
Maar warempel:
ik begon er iets zinnigs van te maken.
En de mensen waren aardig. Ze probeerden deze verdwaalde Groninger zelfs uit te leggen waar hij eigenlijk naar zat te kijken.
De damesversie van het Friese topkaatsen.
En aan het eind van de dag begon ik zowaar patronen te herkennen. Ik zag langzamerhand hoe punten ontstonden.
Hoera!
Toen moest ik alleen het scorebord nog begrijpen.
Of scorebord…
Er stonden een soort kruisingen tussen paasbomen en kerstbomen langs het veld. Daar werden bordjes, plankjes en andere versieringen in gehangen.
Rood en wit.
SPUL. EARST. KEATS.
En daaronder allerlei gekleurde dingen die verdacht veel op paaseieren leken.
Ik telde er volgens mij zes.
Maar voor de oprjochte Fries zullen het er ongetwijfeld drie zijn geweest.
Daarnaast hadden ze rond het veld ongeveer een half leger aan functionarissen neergezet.
Allemaal in het rood.
Die zaten bijzonder ontspannen langs de lijn met een soort uit de kluiten gewassen blindegeleidestok in de hand. Keurig rood-wit geschilderd.
Af en toe praatten ze met het publiek.
Dan keken ze wat rond.
Misschien waren ze op zoek naar drones.
En plotseling wezen ze met zo'n stok ergens heen.
En dan…
gebeurde er iets.
Verder waren er nog andere stokfantasten die kennelijk nauwkeurig bijhielden waar dat microscopische balletje terechtkwam of waar iemand met een voet had gestaan.
Vervolgens kwam er een jongetje of meisje aangesneld.
Ook in het rood.
Met de eigen voornaam op het shirt.
Heel verstandig. Met zoveel rode mensen langs het veld raak je er natuurlijk zo eentje kwijt.
Die legde vervolgens een rood of wit houten blokje neer.
Wie rood was en wie wit?
Geen flauw idee.
De dames zelf liepen ondertussen namelijk vrolijk rond in rood, blauw, paars, groen en oranje.
Zoek het maar uit, Groninger.
Op iedere hoek zat bovendien nog iemand.
Maar deze mensen zaten minstens een meter hoger dan de rest.
Dus die moesten wel héél belangrijk zijn.
Ze stonden duidelijk in hoog aanzien.
Letterlijk.
En dan liepen er ook nog mensen rond met Karmaster of iets dergelijks op hun rode shirt.
Geen idee.
Wat Karma met sterrenkunde én kaatsen te maken heeft, moet ik nog uitzoeken.
Mensen in bruine shirts droegen ondertussen het opschrift BESTJOER.
Dat begreep ik dan weer onmiddellijk.
Die waren dus de baas.
Waarschijnlijk.
En alsof er nog niet genoeg personeel rondliep, was er ook een compleet kinderleger van bekerbern.
Dat vond ik dan weer glashelder.
Kinderen die bekers verzamelen.
Kijk, Fries kan ontzettend eenvoudig zijn als je maar weigert na te denken.
Ondertussen klonk er Friese muziek. Muziek die zelfs Shazam niet herkende, wat mij toch een behoorlijke prestatie lijkt.
Een man met een gitaar.
Een dweilorkest of zoiets.
Gelukkig zat ik daar een behoorlijk eind vandaan.
Maar alle gekheid op een stokje — rood-wit uiteraard — het was vooral ontzettend gezellig.
Ik kwam binnen als een Groninger die twaalf Friese famkes achter een onzichtbaar balletje aan zag rennen.
Ik vertrok als een Groninger die inmiddels ongeveer begreep waarom ze dat deden.
En dat vind ik na één dag al een enorme overwinning.
De taal bleek te volgen.
De mensen waren hartstikke aardig.
Het kaatsen begon zowaar ergens op te lijken.
En die merkwaardige verzameling rode mensen, stokken, blokjes, bomen, eieren, karmasters, bestjoerders en bekerbern?
Daar kom ik nog wel achter.
Ik ben tenslotte nog niet uitgekeken op Friesland.
Al met al een prachtige dag die ik niet snel zal vergeten.
Tankewol, Fryslân!
En Jelle?
Daar moet ik blijkbaar nog even naartoe.
Punt.
02:38 donderdag 20 augustus 2026
Ode aan de Friese vrouw
En?
Wat is na een dag tussen al die Friese famkes nou mijn analyse van de Friese vrouw?
Wat is dat nou weer voor een stupide vraag?
Hoezo moet ik daar een analyse van hebben?
Tja… als je het dan tóch wilt weten. Al zou ik werkelijk niet weten wat het toevoegt aan mijn wetenschappelijke onderzoek naar het Friese kaatsen.
Wat me vooral opviel: op het veld lijken ze soms verdraaid veel op elkaar.
Vaak blond of donkerblond. Lange lokken. Frisse uitstraling. Lang van stuk, fier overeind en stevig met beide benen op de Friese klei.
Totdat dat ienemienie kaatsballetje eraan komt.
Dan blijkt namelijk dat deze vrouwen beschikken over een tamelijk merkwaardig gebrek aan zelfbehoud.
Ze storten zich werkelijk overal voor.
Links.
Rechts.
Voorover.
Achterover.
Maakt niet uit wat er op ze wordt afgevuurd: daar gáát weer een famke.
Geen angst.
Geen twijfel.
Gewoon dat hele lijf erachteraan.
En het wonderlijke is: ze doen het nog gracieus ook.
Waar ik na zo'n actie vermoedelijk door twee bekerbern, een karmaster en het bestjoer van het veld gedragen zou moeten worden, staat zo'n Friese dame alweer overeind alsof er niets gebeurd is.
Gezicht in de modder?
Geen probleem.
Even afvegen en doorgaan.
Kijk.
Met zulke famkes kun je de oorlog winnen.
Hoewel ik dat na mijn eerdere bezoekjes aan de militaire geschiedenis misschien beter niet te hard moet roepen. Voor je het weet wordt navigatiestation G weer operationeel.
Met de iets oudere Friese famkes heb ik wél kunnen praten. Die hoefden zich niet meer voortdurend horizontaal achter een kaatsbal aan te werpen en hadden daardoor duidelijk meer tijd voor overzicht en observatie.
En gelukkig ook voor deze verdwaalde Groninger.
Aardige vrouwen. Nuchter. Behulpzaam. Trots op hun sport en hun omgeving.
En dat is uiteindelijk misschien wel wat mij het meeste is bijgebleven.
Je kunt grappen maken over het Fries, de kaatsbomen, de stokken, de onzichtbare balletjes en een compleet leger mensen in rode shirts waarvan ik na uren nog steeds niet precies wist wat iedereen deed.
Maar achter dat alles zit iets heel moois.
Een eigen cultuur die hier niet voor de toerist wordt opgevoerd, maar gewoon leeft.
En die famkes?
Die dragen haar met verve.
Soms fier rechtop.
Soms languit in het gras.
Maar altijd vol overtuiging.
Respekt foar Fryslân en syn famkes!
06:02 donderdag 20 augustus 2026
It wite goud fan Fryslân
Gisteren dacht ik nog heel naïef:
Even kaatsen kijken in Weidum en daarna door naar de volgende stop.
Even.
Ik had geen idee dat die froulju van plan waren mij de godganse dag aan de boarding van dat kaatsveld te houden.
Wedstrijd na wedstrijd.
Famke na famke.
En ondertussen regenbui na regenbui.
Daar stond ik dan met mijn plu, als een verzopen Groninger tussen de Friezen, terwijl die dames onverstoorbaar doorgingen met het meppen tegen dat nauwelijks zichtbare balletje.
Tot het einde van de middag.
Mijn oorspronkelijke planning kon de prullenbak in.
Maar goed, ze hadden me inmiddels wel nieuwsgierig gemaakt.
Dus vandaag moest ik maar eens zo'n kaatsbal van dichtbij bekijken. Liefst een paar. In zo'n netje. Leuk als herinnering aan de dag waarop twaalf Friese famkes mijn complete dagplanning om zeep hielpen.
Even googelen.
Bolsward.
Daar moest ik bij Sporthuis A.P. van der Feer zijn. Een van de weinige adressen waar je nog de enige echte handgemaakte kaatsballen kunt krijgen.
En toen kreeg ik zo'n ding in handen.
Pardon?
Dít is dat ienemienie balletje?
Zo'n kaatsbal (ca. 20 gr) is gevuld met paardenhaar, met de hand gemaakt en kost 35 euro per stuk.
Vijfendertig euro!
Voor één balletje!
Dat is geen sportmateriaal meer.
Dat is gewoon:
it wite goud fan de provinsje.
Ik begrijp inmiddels ook waarom ze er op dat veld zoveel mensen omheen zetten. Als er drie van die dingen tegelijk verdwijnen, kun je een middelgrote hypotheek afsluiten.
Maar er was nog iets.
Die balletjes zijn bikkelhard.
Ik had gisteren vanaf mijn veilige plek achter de reclamebuorden nog enigszins vertederd zitten kijken naar die froulju die met hun blote handen tegen zo'n klein wit balletje mepten.
Nu ik er zelf eentje had vastgehouden, veranderde mijn analyse.
Je moet behoorlijk wat techniek, oefening én lef hebben om zo'n projectiel met je blote hand een eind het veld over te jagen.
Mijn respect voor de famkes steeg onmiddellijk nog een paar punten.
En daarmee kwam ik ook tot een belangrijke veiligheidswaarschuwing.
Behandel Friese kaatsvrouwen met respect.
Altijd.
Niet alleen omdat dat sowieso hoort.
Maar vooral omdat deze dames vrijwillig urenlang met hun blote handen tegen keiharde ballen van 35 euro per stuk slaan.
Daar wil je dus géén face slap van krijgen.
Wees aardig.
Geef complimenten.
En bij twijfel:
houd anderhalve meter afstand.
Tankewol.
20:22 donderdag 20 augustus 2026
Een winkel waar ik blij van werd
‘Hier word ik nou blij van.’
Dat vertelde ik de man achter de toonbank van De Ossekop Elzinga in Bolsward.
En dat is op zichzelf al een opmerkelijke uitspraak, want we hebben het hier over een gereedschapswinkel.
Ik.
Gereedschap.
Mijn natuurlijke habitat is het niet direct.
Maar De Ossekop bleek méér. Tussen al het gereedschap stond ongeveer een halve woonkamer vol met Fryske toeristische snuisterijen. Vlaggen, hebbedingetjes, souvenirs en andere spullen waarvan je bij binnenkomst denkt: dat heb ik absoluut niet nodig.
Om er vervolgens mee naar buiten te lopen.
En achter de toonbank stond ook nog een meneer met wie je gewoon een leuk gesprek kon voeren.
Oprjocht geïnteresseerd.
Daar heb je het weer.
Het blijft Fryslân.
Natuurlijk kwam het kaatsen ter sprake. Inmiddels begin ik daar zelf al bijna deskundig over te praten. Het beroemde ienemienie kaatsballetje kwam zelfs nog even tevoorschijn.
Kijk mij eens geïntegreerd zijn.
Maar vervolgens nam het gesprek een onverwachte afslag.
Groningen.
De man bleek namelijk zelf graag in onze provincie te komen. Blauwestad, Winschoten en de omgeving daar. Hij vertelde hoe mooi het was om daar over de brug naartoe te fietsen.
Ho, wacht even.
Een Fries die uit eigen beweging vertelt dat hij Groningen mooi vindt?
Dan moet daar toch wel iets héél bijzonders aan de hand zijn.
Ik heb het voor kennisgeving aangenomen.
Misschien moet ik er zelf ook maar eens gaan kijken.
Wie weet.
Ondertussen begon mijn bezoek aan Fryslân ook logistieke gevolgen te krijgen.
Vrij naar Henk Wijngaard:
Met de wagen volgeladen…
Alleen niet met spullen voor de handel, maar met tassen vol Friese goodies.
Aanvankelijk had ik daar nog een uitstekend excuus voor: ik zou mijn broer, uiteraard FC Grunn, ermee op stang jagen.
Ha!
Kijk mij eens thuiskomen met Friese spullen.
Dat zal hem leren.
Alleen moet ik inmiddels iets bekennen.
Ik vond die spullen zelf gewoon veel te leuk om te laten liggen.
Zelfs het Frysk Folksliet op een tegel ging mee.
Ik!
Een Groninger!
Met het Friese volkslied op een tegel!
Ergens is tijdens deze herinneringstocht iets ernstig misgegaan.
En alsof dat nog niet genoeg was, kwam ik na mijn eerste bezoek ook nog terug voor een tweede ronde.
Ik was namelijk de Friese vlag vergeten.
Dat kon natuurlijk niet.
Dus opnieuw naar binnen.
Vlag erbij.
Auto nóg voller.
Mijn inburgering begint inmiddels zorgwekkende vormen aan te nemen.
Maar wat een leuke winkel. En vooral: alweer zo'n onverwacht prettig gesprek met iemand die gewoon belangstelling toont, een verhaal vertelt en de tijd neemt.
Dus ben je ooit in Bolsward, loop dan eens binnen bij De Ossekop Elzinga.
Kijk rond.
Koop iets waarvan je vijf minuten eerder nog niet wist dat je het nodig had.
Maak een praatje.
En je zult merken:
het gaat heel natuurlijk.
Voor je het weet sta je buiten met een Friese vlag en het Frysk Folksliet onder je arm.
Ik kan het weten.
06:42 vrijdag 21 augustus 2026
Walter meets May
Bij de Tourist Info in Leeuwarden werden Walter en ik allerhartelijkst wolkom geheten.
En niet zomaar door iemand.
Door May, een leuke Thaise dame met een fantastisch Nederlands-Engels accent waar je spontaan vrolijk van wordt.
Ik in ieder geval.
Walter moest natuurlijk eerst weer even wennen.
Hij bekeek May van top tot teen, trok zijn gebruikelijke wantrouwige kop en legde om redenen die waarschijnlijk alleen in zijn eigen verknipte Amerikaanse brein logisch zijn onmiddellijk een verband met de Vietcong.
‘Walter… Thailand.’
Hij keek me aan.
"Close enough."
Nee Walter.
Niet close enough.
Gelukkig kon May erom lachen.
Toen stelde ze zich voor.
“My name is May.”
Walter keek haar verbaasd aan.
Toen naar mij.
Weer naar haar.
"May?"
‘Yes, May.’
"It's August."
May keek even alsof ze probeerde te bepalen of ze iets verkeerd had gezegd.
‘Yes… August.’
"So why are you May?"
‘Because my name is May.’
"But it's August!"
En daarmee was de internationale diplomatieke crisis compleet.
May probeerde uit te leggen dat May haar naam was en geen mededeling over de actuele maand.
Walter bleef erbij dat het augustus was.
Technisch gezien had hij natuurlijk gelijk.
Maar daar had werkelijk niemand iets aan.
Uiteindelijk wist May hem ervan te overtuigen dat ze écht zo heette.
Ik vermoed dat Walter het nog steeds niet helemaal gelooft.
Daarna ontdekte hij in het informatiecentrum het hokje van de Stempelpost Leeuwarden.
En ineens wilde meneer op de foto.
Met May.
Kijk aan.
Dezelfde vrouw die vijf minuten eerder in zijn hoofd nog deel uitmaakte van de Vietcong was inmiddels volledig goedgekeurd.
Sterker nog: Walter vond Leeuwarden plotseling de leukste stad van Friesland.
Wonderlijk hoe snel internationale betrekkingen kunnen verbeteren.
Na afloop kreeg ik van May ook nog een Frysk Paspoart.
Kijk!
Mijn inburgering begint nu werkelijk serieuze vormen aan te nemen.
Ik liet het trots aan Walter zien.
Hij keek ernaar.
"That's it?"
Ja Walter.
Dat is het.
Blijkbaar vond meneer een Frysk Paspoart wat magertjes. Waarschijnlijk had hij minimaal een verblijfsvergunning, veteranenstatus en een persoonlijke uitnodiging van de Commissaris van de Koning verwacht.
Maar ik was tevreden.
Zeer tevreden zelfs.
Weidum had me het kaatsen geleerd, Leeuwarden leverde het paspoort en dankzij May verliep mijn verdere integratie in de Friese samenleving bijzonder soepel.
Zelfs Walter leek ontdooid.
Een beetje.
En dat wil bij hem wat zeggen.
Tankewol, Leeuwarden. Thanks, May!
En Walter?
Die weet inmiddels ook welke maand het is.
May.
Nee Walter.
Augustus.
Laat maar.
19:53 donderdag 20 augustus 2026
May, June, August… Thailand?
Na onze ontmoeting met May bij de stempelpost in Leeuwarden was mijn oorspronkelijke planning eigenlijk vrij eenvoudig.
Nog even lekker shoppen in Ljouwert.
Beetje rondkijken, misschien wat Friese snuisterijen scoren en daarna rustig verder.
Dat was buiten Walter gerekend.
Sinds zijn ontmoeting met May was er namelijk geen land meer met die man te bezeilen.
Hij wilde naar Thailand.
Tenminste, dat dacht ik.
"We're going to Thailand in May."
‘Walter, het is augustus.’
"I KNOW! May is here in August, so if we go to Thailand with May, August becomes May."
Pardon?
Hij ging verder.
"Unless we go in June."
‘Waarom juni?’
"Because June comes after May."
‘Ja, maar May is een persoon.’
"Exactly! So if May comes with us in June, May comes before June AND May is in June."
Ik voelde ergens achter mijn linkeroog iets beginnen te trillen.
‘En augustus dan?’
Walter keek me aan alsof ík degene was die het niet begreep.
"Rob… August is now. You can't go to August. We're already in August."
Oké.
Daar zat iets in.
Dacht ik.
Heel even.
"But if we go to Thailand in April, then we're there before May."
‘Maar May is hier.’
"That's the problem!"
Aha.
Natuurlijk.
Het probleem.
Welk probleem precies?
Geen idee.
Walter inmiddels ook niet meer, vermoed ik.
Maar hij bouwde onverstoorbaar verder aan zijn eigen theorie.
Volgens hem konden we dus óf in May naar Thailand met May, óf vóór May in April gaan om daar op May te wachten, tenzij May in June meeging, want dan zou May ná May in Thailand aankomen, terwijl het hier inmiddels August was.
En als we in August met May zouden vertrekken…
dan was het volgens Walter blijkbaar May in August in Thailand.
"See? It's simple."
Nee.
Dat was het niet.
Helemaal niet zelfs.
Ik heb nog geprobeerd uit te leggen dat maanden geen vervoermiddelen zijn en dat een Thaise dame die May heet geen tijdelijke verstoring van de Gregoriaanse kalender veroorzaakt.
Maar ergens halverwege keek hij me aan en zei:
"What about March?"
Toen heb ik het opgegeven.
Mijn middagje shoppen in Ljouwert kon ik inmiddels wel vergeten. Die seniele oude gek zat geestelijk al met May in Thailand, ergens tussen april en augustus, vermoedelijk zonder retourticket.
Tijd om verder te gaan.
Auto in.
Walter mee.
En vooral niet meer over maanden praten.
De volgende bestemming:
Kootstertille.
Voor een onverwacht en volledig onvoorbereid bezoek aan een voordeur.
Een voordeur waarvan ik niet eens zeker wist of ik daar überhaupt iets te zoeken had.
Misschien was het spoor vergezocht.
Misschien volkomen onzin.
Maar na Walter z'n internationale kalenderberekening kon werkelijk niets meer vergezocht genoeg zijn.
Dus vooruit.
Op naar Kootstertille.
En mocht daar iemand vragen wanneer we gekomen zijn:
vandaag.
Geen maand noemen.
Vooral géén maand noemen.
20:36 donderdag 20 augustus 2026
Beton. Je moet er maar gevoel voor hebben.
Ooit werkte mijn vader bij Nedam.
Ik weet nog van een werf in Peizermade, maar die is inmiddels verdwenen. En aangezien ik tijdens deze tocht niet alleen herinneringen wil ophalen, maar ze het liefst ook een beetje wil aanraken, zocht ik naar een hedendaagse verbinding met dat verleden.
Nedam werd uiteindelijk onderdeel van wat we nu kennen als Ballast Nedam.
Kijk.
Daar kon ik wat mee.
Mijn vader begon zijn carrière ooit als praktikant. Tussen het beton, de heipalen, bekistingen en andere zaken waarvan mijn hart niet onmiddellijk sneller gaat kloppen.
Het zij zo.
Niet iedereen kan dezelfde passies hebben.
Pa kende blijkbaar de charme van stenen en cement.
Ik wil daar niet over oordelen.
Nou ja…
Een beetje dan.
Maar als dit onderdeel was van zijn wereld, wilde ik er tijdens mijn tocht ook iets mee doen. Niet alleen een verhaal schrijven over beton.
Nee.
Ik wilde er zogezegd voeten aan geven.
Iets tastbaars.
En toen vond ik precies de link waarnaar ik zocht.
Want waar kun je in Friesland voor een serieuze kennismaking met beton beter terecht dan in Kootstertille?
Bij HAITSMA.
Specialisten in beton.
En het mooie?
HAITSMA maakt deel uit van Ballast Nedam.
Bingo.
Nedam. Mijn vader. Beton. Ballast Nedam. HAITSMA. Kootstertille.
De cirkel was rond.
Dus trok ik de stoute schoenen aan en reed zonder afspraak naar de hoofdlocatie.
Gewoon naar binnen.
Bij de receptie ontmoette ik Trienke, die daar sinds 2006 actief is voor de betonboer.
Ik stelde me voor en vertelde haar over mijn vader, zijn werk, mijn herinneringstocht en mijn nogal merkwaardige wens om iets tastbaars mee te krijgen van een wereld waarin beton kennelijk emoties kan oproepen.
Toen stelde ik haar eigenlijk maar één vraag:
‘Kun je mij enthousiast maken voor beton en HAITSMA?’
Nou.
Dat kon ze.
Laat ik het zo zeggen:
ik vertrok met meer gewicht dan waarmee ik binnenkwam.
En een gedeelte daarvan was ook nog eens letterlijk in beton gegoten.
Kijk, dát bedoel ik dus met een herinnering tastbaar maken.
Mijn vader begon ooit tussen beton en heipalen. Ruim zestig jaar later loop ik in Friesland een betonbedrijf binnen om te ontdekken wat hij daar in vredesnaam zo interessant aan kon vinden.
En verdomd.
Dankzij Trienke begon ik het nog een beetje te begrijpen ook.
Dat vind ik misschien wel één van de mooiste kanten van deze tocht. Je stapt ergens zonder afspraak naar binnen met een verhaal over je overleden vader en een tamelijk vreemde vraag…
En mensen doen gewoon mee.
Met enthousiasme.
Met belangstelling.
En in Friesland tot nu toe opvallend vaak met een enorme dosis vriendelijkheid.
Mooi man.
Hartelijk dank, Trienke en HAITSMA, voor de ontvangst en medewerking.
Pa zou het vast hebben kunnen waarderen.
En ik?
Ik heb inmiddels bewezen dat zelfs een herinneringstocht zwaarder kan worden naarmate je verder komt.
Letterlijk.
20:58 donderdag 20 augustus 2026
Nog even naar school, pa
En zo belandde ik aan het einde van alweer een bijzonder leuke dag van mijn herinneringstocht in Gorredijk.
Ook daar lag natuurlijk weer een spoor van mijn vader.
Hij had er ooit op de lagere school gezeten en vertelde me jaren geleden dat hij daar nog les had gehad van Hans de Jong, die later bekend werd als weerman van Radio Fryslân.
Kijk, zelfs het weer zat dus al vroeg in zijn leven.
Dat verklaart misschien die gieter van de afgelopen dagen.
Ik was al eens eerder bij die school geweest.
Mét hem.
Maar deze keer stond ik er alleen.
Nou ja, alleen…
Walter tel ik voor het gemak even niet mee.
Ongeveer twintig minuten voor sluitingstijd stapte ik ineens pontificaal zijn oude lagere school binnen. Geen afspraak, geen uitgebreide voorbereiding.
Gewoon naar binnen.
Dat begint zo langzamerhand een methode te worden.
Een enthousiaste mevrouw kwam naar me toe.
‘Kan ik u helpen?’
Tja.
Hoeveel tijd heeft u?
Dus daar kwam het verhaal weer.
Mijn vader. Zijn overlijden. De herinneringstocht. Zijn jeugd. Gorredijk. Deze school. En waarom ik ineens twintig minuten voor sluitingstijd midden in het gebouw stond.
En ik merk iets.
Iedere keer dat ik dit verhaal vertel, vertel ik het met een beetje meer trots.
Niet alleen over mijn vader, maar ook over de tocht zelf. Want al die losse plaatsen beginnen langzaam één groot verhaal te worden.
En opnieuw werd er enthousiast meegedacht.
Ik vertrok uiteindelijk zelfs met een boek:
De Vlecke Gorredijk.
Prijs?
Twee euro.
TWEE EURO!
Ik keek nog even of ik per ongeluk alleen de inhoudsopgave had gekocht.
Maar nee.
Een compleet boek.
Voor twee euro.
Daar kun je tegenwoordig nergens meer een kop koffie voor krijgen, als ik al zou overwegen dat te drinken.
En toen kwam er ook nog een prachtige anekdote over geld.
Eentje waarbij ik even dacht:
Dit kan toch niet waar zijn?
Maar daarover zo meer…
Want dat verdient zijn eigen verhaal.
Voor nu overheerste opnieuw hetzelfde gevoel dat ik de afgelopen dagen steeds vaker heb: wat kom ik toch ontzettend leuke mensen tegen.
Mensen die luisteren.
Meedenken.
Iets opzoeken.
Een verhaal vertellen.
Of gewoon enthousiast worden omdat een wildvreemde Groninger ineens binnenloopt met een overleden vader op sleeptouw.
Voor ik vertrok lag daar nog het gastenboek.
En natuurlijk moest daarin geschreven worden.
Niet alleen namens mezelf.
Dus heb ik uiteindelijk ook namens mijn vader het gastenboek getekend.
Zo'n tachtig jaar nadat hij hier als jongetje rondliep, stond zijn naam opnieuw in zijn oude school.
Alleen hield deze keer zijn zoon de pen vast.
Kijk pa.
Zo kom je nog eens ergens.
En voor twee euro hadden we ook nog een boek.
02:37 vrijdag 21 augustus 2026
Voor een joet, zit je goed óf voor een tientje heb je een vriendje...
De dames in de voormalig lagere school in Gorredijk.
Boven 'mijn' tientje, daaronder een moderne versie.
Twee dames, tien euro en ik.
Voor dit verhaal hebben we eigenlijk maar vier dingen nodig: de oude lagere school in Gorredijk, twee dames, een biljet van tien euro en ik. Meer niet.
Kort daarvoor had ik voor vijf euro iets contant afgerekend. Pinnen voor zo'n astronomisch bedrag vond ik ook weer zo wat en ik had nog precies één flap in mijn portemonnee: een tientje. Prima. Afrekenen, wisselgeld terug en klaar. Dacht ik.
Ik was inmiddels mijn bezoek aan pa z'n oude school langzaam aan het afronden en zat in het gastenboek mijn verhaaltje en eerbetoon neer te kriebelen. Mooi moment. Naam erbij, pa nog even symbolisch terug op zijn oude school.
En toen kwam één van de dames die mij geholpen had enigszins beduusd op me af. ‘Meneer… meneer… U heeft mij zojuist een heel vreemd biljet van tien euro gegeven.’
Vreemd? Ik keek haar aan. ‘Is er iets mis mee?’
Nee, dat niet. Gelukkig. Interpol kon voorlopig thuisblijven. Maar het biljet zag er volgens haar merkwaardig uit. ‘Heeft u dat wel gezien?’
Nee. Wat had ik moeten zien? Er stond een 10 op en de Europese Centrale Bank leek er vrede mee te hebben. Voor mij waren daarmee de belangrijkste technische kenmerken van een tientje wel afgevinkt.
Ze pakte er een ander biljet van tien euro bij en hield ze naast elkaar. En inderdaad, ze zagen er behoorlijk verschillend uit. Blijkbaar had ik een biljet uit de eerste serie eurobankbiljetten in mijn portemonnee gehad. Zo'n oud model dat je tegenwoordig nauwelijks meer tegenkomt.
Een collectors item!
Oh?
Kijk, nu werd het interessant.
‘Dus die is zeker 250 euro waard?’
Nee.
Tien euro.
Jammer. Ik zag onze gezamenlijke financiële toekomst alweer instorten.
‘Nou, als-ie 250 euro waard is, delen we hem met z'n drieën.’
Dat leek me eerlijk. Twee dames en ik. Ieder ruim tachtig euro en dan hielden we nog genoeg over voor een ingewikkelde discussie over de resterende centen.
Of: ‘Dan wil ik hem gewoon terug en vergeten we dat ik ermee betaald heb.’
Ook een optie.
Maar nee, de waarde bleef gewoon tien euro.
Dus vooruit. ‘Hou hem maar. Word er gelukkig mee.’
Want eerlijk gezegd zegt het mij helemaal niets of ik een oude of een nieuwe versie van een BANKBILJET in mijn handen heb. Ik gebruik die dingen vrij traditioneel: om mee te betalen.
En zo liep ik even later de oude school van mijn vader uit met een boek, een mooi verhaal, een bijzondere ontdekking én zonder mijn historische tientje. Ergens in Gorredijk ligt nu dus een collectors item dat precies waard is wat erop staat.
Tien euro.
Mijn financiële nalatenschap aan Friesland is daarmee voorlopig veiliggesteld.
En mocht dat biljet over vijftig jaar tóch 250 euro waard blijken te zijn: dames, we hadden een afspraak. Delen door drie.
Drie hangende keukens. Uit Groningen?
Vandaag nog even een snel bezoekje aan Appingedam gebracht.
De stad van de drie (!) wereldberoemde — nou ja, laten we ze gewoon famous noemen — hangende keukens boven het Damsterdiep.
Je kunt tenslotte niet iedere dag alleen maar beton, kazernes en militaire installaties bekijken. Een mens heeft ook cultuur nodig.
Dus even door het centrum en natuurlijk nog wat tastbare herinneringen scoren. Bij de Zilverkamer en de Damster Boekhandel lukte dat uitstekend.
Mijn verzameling begint inmiddels trouwens zulke vormen aan te nemen dat ik straks óók een herinneringstocht moet organiseren om te achterhalen waarom ik al die spullen ooit gekocht heb.
Maar toen viel me iets op.
Die drie hangende keukens.
Hét toeristische visitekaartje van Appingedam. Je zegt Appingedam en een beetje Nederlander denkt aan die keukens.
Zou je denken.
Want op souvenirs en andere toeristische hebbedingetjes bleek ineens vooral Groningen goede sier te maken met die beroemde Damster keukens.
Pardon?
Kijk, als trotse stad heb je drie keukens die al decennialang boven je eigen Damsterdiep hangen. Dan zou je verwachten dat daar met grote letters APPINGEDAM bij staat.
Maar nee.
De provincie heeft de keuken blijkbaar gevorderd.
“Mooi spul, Appingedam. Geef moar hier.”
En hup:
GRONINGEN.
Ik heb er op beide plekken over gesproken en ook daar werd er enigszins verbaasd naar gekeken.
Want het blijft natuurlijk merkwaardig.
Maar misschien zit er gewoon een keiharde economische theorie achter.
Zet je Appingedam op zo'n souvenir, dan moet je eerst uitleggen waar dat ligt.
Dat kost letters.
Letters kosten geld.
En voordat je het weet kost zo'n koelkastmagneet €14,95.
Groningen kent iedereen.
Veel efficiënter.
Jammer alleen dat die keukens toevallig in Appingedam hangen.
Maar goed.
Ik kwam natuurlijk niet alleen voor het toerisme.
Mijn vader heeft hier tijdens zijn militaire diensttijd ook gezeten. In de Pieter Bieremakazerne.
Klein probleem:
die bestaat niet meer.
Gesloopt.
Weg.
Geen kazerne.
Geen wachtgebouw.
Geen jonge Japie Huizinga die klaarstaat om op de fiets richting Holwierde te vertrekken voor de verdediging van navigatiestation G.
Wat resteert is onder andere een straatnaam die nog verwijst naar Pieter Bierema, de naamgever van de voormalige kazerne.
Dat is dus voorlopig mijn aanknopingspunt.
Een straatnaam.
Beetje weinig.
Maar inmiddels weet ik één ding van deze tocht: als een plek verdwenen is, betekent dat nog niet dat het verhaal verdwenen is.
Dus ook hier ga ik verder zoeken.
Foto's, verhalen, herinneringen, misschien mensen die er nog iets van weten.
Er moet toch ergens nog iets van die oude kazerne terug te vinden zijn.
En anders vraag ik de provincie Groningen wel.
Misschien hebben die hem, net als de hangende keukens, ergens meegenomen.
21:58 vrijdag 21 augustus 2026
Ik kom op bezoek
Mijn vader begon zijn carrière ooit in de haven van Delfzijl.
Tussen het beton, de bekistingen, kademuren en alles wat er verder bij komt kijken om ervoor te zorgen dat een haven niet langzaam de Eems in dondert.
Na mijn avontuur bij Haitsma Beton dacht ik daarom vandaag: laat ik eens aankloppen bij dé beheerder en organisator van de Groninger zeehavens.
Want bij Haitsma was het me gelukt iets tastbaars aan het verhaal van mijn vader toe te voegen. Dus waarom zou dat in Delfzijl niet lukken?
Vol goede moed naar de haven.
Daar aangekomen stond ik voor een slagboom die toegang gaf tot het havenkantoor.
Knopje indrukken.
Stem aan de andere kant.
Wat ik kwam doen?
‘Ik kom op bezoek.’
Klik.
Slagboom omhoog.
Pardon?
Was dát alles?
Als ik had geweten dat het wachtwoord voor toegang tot de Groninger zeehavens gewoon ‘ik kom op bezoek’ was, was ik jaren geleden al eens langsgekomen.
Ik reed naar binnen en dacht dat daarmee het lastigste gedeelte achter de rug was.
Niet dus.
Want eenmaal binnen wachtte de volgende hindernis: een behoorlijke verzameling houten treden.
Een soort architectonische stormbaan.
Het geheel deed mij denken aan het geraamte van een houten schip dat driehonderd jaar geleden is gezonken, vervolgens onder een zandbank is verdwenen en pas onlangs door archeologen weer is blootgelegd.
Met één belangrijk verschil:
dit geraamte was helemaal niet oud.
Dus klimmen maar.
Boven aangekomen ontmoette ik — het begint inmiddels een vast onderdeel van deze tocht te worden — twee dames.
Ik deed mijn verhaal.
Over mijn vader. Over Delfzijl. Over zijn eerste stappen in zijn carrière. Over de kademuren, het beton en het fotoboek waarin hij dat allemaal keurig heeft vastgelegd.
En natuurlijk over mijn herinneringstocht.
Mijn vraag was inmiddels ook bekend:
Is er misschien iets tastbaars waarmee ik dat stukje van zijn leven aan deze reis kan verbinden?
Een voorwerp. Een herinnering. Iets waarvan je later kunt zeggen: dát komt uit de haven waar pa ooit zijn loopbaan tussen het beton begon.
De dames luisterden vriendelijk mee en dachten na.
Maar nee.
Niet direct.
Natuurlijk kon ik foto's maken.
Maar foto's maak ik overal al.
Ik wilde juist iets anders. Iets dat je kunt vasthouden. Iets met een verhaal.
Misschien moest ik maar eens in de haven zelf rondkijken naar aanknopingspunten.
En daarmee eindigde mijn missie deze keer zonder een stuk kademuur, meerpaal, halve bekisting of andere handige Delfzijlster souvenirs achter in de auto.
Misschien maar goed ook.
Na Haitsma begint het laadvermogen inmiddels een rol te spelen.
Maar ik geef nog niet op.
Dit was tenslotte de plek waar mijn vader aan zijn carrière begon. Daar moet toch ergens een verhaal te vinden zijn dat verder gaat dan een paar foto's.
Dus ik ga nog wat graven.
Figuurlijk graag.
Want als ik zelf met een stuk kademuur uit de haven vertrek, vermoed ik dat “ik kom op bezoek” bij de slagboom op de terugweg ineens niet meer voldoende is.
21:36 vrijdag 21 augustus 2026
Jacob Huizinga — in steen
De vracht aan herinneringen die ik de afgelopen week in de noordelijke provincies heb verzameld, begint inmiddels serieuze vormen aan te nemen.
Eén tasje?
Vergeet het maar.
Friese vlaggen, boeken, folders, souvenirs, kaatsballen, beton en andere zaken waarvan ik een week geleden werkelijk niet had kunnen voorspellen dat ik ze dringend nodig zou hebben.
Mijn herinneringstocht begint logistiek zo langzamerhand op een verhuizing te lijken.
Dus vandaag maar even op en neer naar Hoogezand.
En natuurlijk kon ik daar weer een lijntje naar mijn vader trekken. Hoogezand is namelijk de geboorteplaats van zijn moeder.
Kijk.
Zo kan ik tegenwoordig overal naartoe.
Ik hoef alleen achteraf nog even uit te zoeken waarom.
De eerste winkels waren vooral de bekende landelijke ketens. Prima natuurlijk, maar voor mijn tocht zoek ik inmiddels toch een beetje naar dat andere.
Een winkel met iemand achter de toonbank.
Iemand die nog terugpraat.
En zo hield ik halt bij Onderdelenshop QB's, waar ik in gesprek raakte met Alex.
Ik had daar iets gezien.
Een stuk leisteen.
Normaal gesproken zo'n bord dat je naast de voordeur hangt met:
Familie Jansen
Huisnummer 12
Maar ik zag iets anders.
Leisteen is natuursteen. Geen plastic prul, geen massaproduct met een foto erop. Gewoon een stuk steen. Natuurlijk, organisch, sober en blijvend.
Dat paste.
Dus vroeg ik Alex wat zoiets zou kosten als ik er geen huisnummer op wilde hebben, maar:
Jacob Huizinga
1939 – 2026
Meer niet.
Geen volledige geboorte- en overlijdensdatum. Dat werd me te veel administratie op een steen en daar gaat het me ook helemaal niet om.
Zijn naam.
Het jaar waarin zijn verhaal begon.
Het jaar waarin het eindigde.
Klaar.
Dat bord wordt ergens in Urk onder handen genomen.
Dat stelt me natuurlijk onmiddellijk gerust.
Waarschijnlijk zit daar een oud-visser met een graveermachine die eerst drie keer “wat zeg ie?” roept en daarna besluit dat Huizinga vast met twee z's geschreven wordt.
Dus misschien is het maar goed dat ik de tekst beperkt heb gehouden.
Jacob Huizinga. 1939–2026.
Kom op Urk.
Jullie kunnen dit.
Met Alex had ik ondertussen opnieuw zo'n leuk gesprek zoals ik er tijdens deze tocht inmiddels verrassend veel heb gehad.
En ik begin ook te begrijpen waarom juist bij zaken als QB's en De Ossekop in Bolsward een man achter de toonbank staat.
Het zijn namelijk winkels waar een man binnenkomt voor één ding.
Vervolgens ziet hij een stuk gereedschap.
Een handig onderdeeltje.
Iets waarvan hij niet weet waarvoor het dient, maar waarvan hij onmiddellijk begrijpt dat hij het ooit nodig gaat hebben.
En drie kwartier later staat hij nog steeds te praten.
Daar moet je dus iemand neerzetten die dat gedrag begrijpt.
Ervaringsdeskundige, zeg maar.
Hoe dan ook: opnieuw prima geholpen en weer iets toegevoegd aan de steeds groter wordende verzameling.
Alleen voelt dit anders dan een souvenir.
Straks heb ik een eenvoudig stuk natuursteen met daarop de naam van mijn vader.
Geen groot monument.
Geen ingewikkelde tekst.
Gewoon:
Jacob Huizinga
1939 – 2026
Soms hoeft een herinnering niet meer te zeggen.
En nu maar hopen dat ze in Urk geen Jacob Huisinga terugsturen.
Want dan moet ik weer op reis.
22:21 vrijdag 21 augustus 2026
Zeg het vooral niet te hard
Zoals ik al eens eerder heb gezegd: Huizinga's zijn geen sterren in het elkaar vertellen hoeveel ze om elkaar geven. Voor anderen kunnen we daar best aardig in zijn. Complimentje hier, vriendelijk woord daar, belangstelling tonen — geen enkel probleem. Maar zet twee Huizinga's tegenover elkaar en vraag ze eens iets diepgevoeligs tegen elkaar te zeggen. Dan wordt het ingewikkeld.
Hartjes, dikke knuffels en teksten als ‘ik hou ontzettend veel van je’? Ho, ho. Doe even normaal. We weten het toch?
Dat hele nadrukkelijke uitspreken voelt al snel wat ongemakkelijk. Een beetje onnatuurlijk zelfs. Alsof je tijdens een gewone autorit ineens samen een therapiesessie bent begonnen. Mijn vader en ik waren daarin niet anders. We hoefden elkaar niet voortdurend te vertellen hoeveel we om elkaar gaven. Dat deden we op onze eigen manier. Een opmerking, een gebaar, samen ergens naartoe of iets voor elkaar regelen zonder daar vervolgens een emotionele persconferentie over te organiseren.
Huizinga-liefde. Je moet alleen even weten waar je moet kijken.
En misschien is deze hele herinneringstocht daar wel het grootste voorbeeld van. Want laten we eerlijk zijn: ik rijd inmiddels half Noord-Nederland door achter de sporen van mijn vader aan. Ik bezoek zijn geboorteplaats, zijn scholen en de plekken waar hij woonde en werkte. Ik sta bij oude militaire locaties, zoek naar verdwenen kazernes, praat met wildvreemden over beton, koop Friese vlaggen, kaatsballen en boeken, laat zijn naam in steen zetten en probeer uit ieder klein stukje van zijn verleden weer een verhaal naar boven te halen.
En ondertussen zit er ook nog een cynische Amerikaanse oude gek naast me commentaar te leveren. Als dát geen liefde is, weet ik het ook niet meer.
Ik hoef dus niet voortdurend te zeggen: ‘Pa, ik hield van je.’ Deze hele reis zegt het. Iedere kilometer, iedere foto, ieder gesprek en iedere totaal overbodige aankoop die ik vervolgens met een volkomen serieus gezicht tot belangrijk herinneringsobject promoveer.
Subtiel? Nou… misschien niet helemaal.
Want daar zit dan weer die andere kant van mij. Als iemand het verdient om in het zonnetje gezet te worden, vind ik het namelijk óók heerlijk om de boel eens flink op stelten te zetten. Geen klein kaarsje in een hoekje. Nee. Licht aan, gordijnen open, iedereen kijken.
Deze man was mijn vader. Hij was hier. Hij heeft geleefd. Hij heeft zijn sporen achtergelaten. En ik ben voorlopig nog niet klaar met het terugvinden daarvan.
Misschien is dat uiteindelijk gewoon mijn manier om te zeggen wat wij Huizinga's onderling niet zo gemakkelijk hardop zeggen. Niet met grote woorden en normaal gesproken al helemaal niet met hartjes, maar wel met heel mijn ziel en hart.
En vooruit, pa… voor deze ene keer dan: ❤️
Maar niet verder vertellen.
We hebben tenslotte een reputatie hoog te houden.
Een rondje om de kerk in Ezinge
Na mijn bezoek aan de geboorteplaats van mijn Huizinga-grootmoeder kon de geboorteplaats van mijn grootvader — de vader van mijn vader — natuurlijk niet achterblijven.
Dus op naar Ezinge.
Een dorp op het Groninger Hogeland waar een behoorlijk interessant hoofdstuk uit de geschiedenis van de Huizinga's ligt. Al vóór mijn grootvader daar werd geboren, was zijn opa al tientallen jaren actief met een beurtveer tussen Ezinge en Groningen en vice versa.
Kijk, daar heb ik wat mee.
Kennelijk zit dat heen-en-weer reizen er al generaties lang in.
Alleen hadden ze toen geen auto, airco en navigatie. Gewoon een schip, water en gaan.
Ik besloot eerst maar eens letterlijk een rondje om de kerk te maken. De kerk van Ezinge stamt uit de dertiende eeuw en ik was er al vaker omheen gelopen, maar nog nooit binnen geweest.
En precies toen ik erlangs reed, stond daar een bordje:
KERK OPEN.
Tja.
Dan kun je tijdens zo'n herinneringstocht natuurlijk moeilijk zeggen:
Vandaag even niet, Heer.
Dus naar binnen.
Een eenvoudige, oude kerk. Geen overdreven pracht en praal, maar precies wat je bij zo'n eeuwenoud gebouw verwacht: dikke muren, houten ornamenten en natuurlijk een orgel.
Want zonder orgel telt het volgens mij officieel niet als oude Groninger kerk.
Binnen raakte ik aan de praat met een jongedame. We hadden het over de kerk, Ezinge en natuurlijk kwam ook het verhaal van mijn vader en mijn herinneringstocht weer voorbij.
Ze vertelde dat ze zelf pas acht maanden in Ezinge woonde.
Acht maanden?
Ik keek eens om me heen.
Mijn familie loopt hier al sinds mensenheugenis rond.
Dus zei ik geheel vanzelfsprekend tegen háár:
‘Welkom in de kerk van Ezinge!’
Je moet nieuwkomers tenslotte een beetje op hun gemak stellen.
Bij het verlaten van de kerk heb ik nog een kleine gift achtergelaten.
Niet dat ik ineens overdreven vroom ben geworden, maar je kunt natuurlijk nooit weten hoe de administratie daarboven precies werkt.
Misschien bestaat er toch een soort puntensysteem.
Kerk bezocht: één punt.
Gift achtergelaten: bonuspunt.
Overleden vader geëerd: wellicht dubbele punten.
En mocht ik ooit bij de hemelpoort staan en blijken dat ik nét iets tekortkom, dan kan ik in ieder geval zeggen:
‘Kijk nog even bij Ezinge. Daar heb ik betaald.’
Hoe dan ook.
Pa is daar al.
Dus uiteindelijk kom ik er toch wel in.
Ik ken iemand binnen.
Nummer 7
Gelukkig had ik in Ezinge mijn stoute schoenen nog aan.
En dat was maar goed ook.
Want met de hele geschiedenis van het Huizinga-beurtveer inmiddels op mijn schouders kon ik natuurlijk niet gewoon de kerk bezoeken, een rondje door het dorp rijden en daarna tevreden naar huis gaan.
Nee.
Er stond nog een huis.
Nummer 7.
Gewoon een 7 naast de deur trouwens. Niet op een fraai stuk leisteen. Je kunt niet alles hebben.
Maar dat huis intrigeerde me.
Uit mijn stamboomonderzoek en alles wat ik inmiddels over de Huizinga's in Ezinge heb verzameld, blijkt namelijk dat dit best eens één van de huizen kan zijn geweest waar mijn schippersfamilie in de tweede helft van de negentiende eeuw heeft gewoond.
En als je dan voor zo'n huis staat, heb je twee mogelijkheden.
Je maakt een foto en rijdt verder.
Of…
je belt aan.
Nou, drie keer raden.
Daar stond ik.
Dingdong.
De deur ging open en een mevrouw keek me aan.
En dan begint inmiddels mijn standaardprocedure:
‘Goedemiddag, mijn naam is Rob Huizinga en ik ben bezig met…’
Daar gaan we weer.
Mijn vader. De herinneringstocht. Mijn familiegeschiedenis. Ezinge. De Huizinga's. Schippers. Het beurtveer naar Groningen. Negentiende eeuw.
Kortom: precies het verhaal waarop je zit te wachten wanneer je nietsvermoedend je voordeur opent.
Ze riep haar man erbij.
Die is van Ezinge.
Aha!
Kijk, nu kregen we lokale versterking.
We raakten al snel in een bijzonder prettig gesprek en ik vertelde waarom juist hún huis mijn aandacht had getrokken.
Alleen kwam ik op een ietwat ongelukkig moment.
Ze moesten weg.
Waarheen?
Naar de open kerk.
Natuurlijk.
Dezelfde kerk waar ik zojuist vandaan kwam.
Toeval bestaat niet meer tijdens deze tocht. Daar ben ik inmiddels wel achter.
Dus maakten we het gesprek niet langer dan nodig en spraken af later contact te hebben. Dan kom ik nog eens langs, maar deze keer gewapend met mijn stamboomonderzoek, oude gegevens en alles wat ik over die periode kan vinden.
En dat vind ik eigenlijk ontzettend leuk.
Want misschien kan ik straks niet alleen zelf iets nieuws ontdekken over mijn familie, maar kan ik deze mensen tegelijkertijd iets vertellen over de geschiedenis van hun eigen huis.
Een geschiedenis waarvan ze tot vandaag niet wisten dat die er mogelijk aan verbonden was.
Misschien hebben daar ooit mijn voorouders aan tafel gezeten.
Misschien kwam daar een Huizinga thuis na een tocht met het beurtveer uit Groningen.
Misschien liep daar een schipper naar buiten om weer richting het water te gaan.
Of misschien blijkt mijn hele theorie uiteindelijk nergens op te slaan.
Kan ook.
Maar dát gaan we dus uitzoeken.
En zo veranderde een simpele 7 naast een voordeur ineens in een nieuw hoofdstuk van mijn tocht.
Stoute schoenen aan.
Aanbellen.
Verhaal vertellen.
En kijken wat er gebeurt.
Volgens mij begint dat zo langzamerhand mijn belangrijkste onderzoeksmethode te worden.
Langs het tuinpad van mijn vader
Na de open kerk én mijn spontane bezoek aan nummer 7 was ik in Ezinge natuurlijk nog lang niet klaar.
Sterker nog, mijn eigenlijke missie was nog niet eens volbracht.
Ik wilde een beetje dat melancholische ‘langs het tuinpad van mijn vader’-gevoel. Beetje Wim Sonneveld. Terug naar plekken waar generaties vóór mij hadden gelopen, kijken naar wat er nog is en ondertussen enigszins betekenisvol voor me uit staren.
Dat soort werk.
Maar alleen melancholisch rondkijken is natuurlijk niet genoeg.
Ik MOEST iets tastbaars uit Ezinge meenemen.
Een herinnering.
En nee, het briefje met e-mailadres en telefoonnummer van nummer 7 telde niet. Hoe historisch interessant dat contact misschien ook gaat worden, een vodje papier promoveer ik zelfs tijdens deze tocht niet zomaar tot familie-erfgoed.
Dus:
op naar Museum Wierdenland.
Daar trof ik opnieuw een man en een vrouw die bereid waren mijn inmiddels steeds omvangrijker wordende verhaal aan te horen.
En vervolgens gebeurde wat tijdens deze tocht inmiddels bijna traditie begint te worden.
Ik kwam binnen om even iets te halen…
…en bleef hangen.
Er werd handel ingeslagen. Er ontstond weer een buitengewoon leuk gesprek. Ik kreeg zelfs nog wat te drinken.
Kijk, zo kom je natuurlijk nooit meer weg uit zo'n dorp.
Ik vertelde over mijn vader, de Huizinga's in Ezinge, het beurtveer, nummer 7 en mijn zoektocht naar de sporen die mijn familie hier heeft achtergelaten.
En ondertussen groeide mijn eigen voorraad tastbare herinneringen alweer verder.
Missie geslaagd.
Voor ik vertrok heb ik ook nog een gift achtergelaten.
Mede namens mijn vader.
Die ouwe begint op deze manier postuum behoorlijk gul te worden.
Maar goed, ik vind dat hij tijdens deze tocht best af en toe mag trakteren.
Ik besloot zelfs dat ik vriend van Museum Wierdenland wilde worden.
Dat kon.
Alleen niet daar.
Dat moest via de website.
Dus ik sta fysiek ín het museum, tegenover twee echte mensen, en om officieel vriend te worden moet ik eerst naar huis en via internet terugkomen.
Vooruitgang heet dat.
Maar ineens begreep ik ook waar dat bekende spreekwoord vandaan komt:
liever een verre vriend dan een goede buur.
Of…
Wacht.
Was het niet juist andersom?
Hoe dan ook: in Ezinge kun je tegenwoordig blijkbaar prima op afstand bevriend raken met een museum waar je vijf minuten eerder nog gewoon binnen stond.
En zo reed ik uiteindelijk toch tevreden het dorp uit.
Kerk bezocht. Gift achtergelaten. Bij mogelijke familiegeschiedenis op nummer 7 aangebeld. Nieuwe contacten gelegd. Museum bezocht. Handel ingeslagen. Weer een gift gedaan en zelfs een nieuwe vriendschap in voorbereiding.
Mijn tuinpad van mijn vader was daarmee toch behoorlijk compleet.
Alleen één probleem:
mijn tas met herinneringen wordt alweer te klein.
Pa, straks heb ik voor deze tocht geen grotere auto nodig vanwege de kilometers…
maar vanwege de souvenirs.
Een kleine hint voor het museum…
Toen ik toch in Museum Wierdenland was, kon ik het natuurlijk niet laten om nog even een bijzonder intrigerende vraag op tafel te leggen.
Wanneer denken jullie eigenlijk aandacht te gaan besteden aan het beurtveer Ezinge–Groningen v.v.?
En, niet geheel onbelangrijk:
aan mijn Huizinga's?
Want kom op.
We hebben het hier over een familie die tientallen jaren vanuit Ezinge een beurtveer op Groningen onderhield. Folkert Huizinga was schuitenvaarder en het verhaal gaat over veel meer dan alleen een boot die een beetje heen en weer voer. Mijn eigen onderzoek is inmiddels zelfs uitgelopen op een compleet dossier met onder andere de route, tarieven, financiën, het reglement, de komst van de stoombootvaart en natuurlijk de mensen erachter. (eyeberents.nl)
Dat lijkt mij toch verdacht veel op:
museumspul.
Er werd mij verteld dat er binnen het museum ooit al eens was gebrainstormd over het idee om ‘iets met water’ te doen.
Ho!
Stop maar met brainstormen.
Hier heb je water.
Ezinge. Groningen. Een beurtveer. Schippers. Passagiers. Goederen. Een trekschuit. Veranderend vervoer. Concurrentie van de stoomvaart. En midden in dat verhaal een stel Huizinga's dat kennelijk vond dat heen en weer varen tussen Ezinge en Groningen een uitstekende manier was om de kost te verdienen.
Ik lever de hint gratis aan.
Geen dank.
Sterker nog: mocht dat ‘iets met water’ ooit daadwerkelijk van de brainstormtafel afkomen en het museum in drijven, dan houd ik mij bijzonder aanbevolen.
Ik heb namelijk nog wel wat informatie.
Een beetje.
Nou ja…
Mijn dossier over het beurtveer Ezinge–Groningen
Kijk daar maar eens.
En als jullie daarna denken:
Verdorie, die Huizinga had toch een punt…
Dan hoor ik het graag.
Ik kom met liefde terug naar Ezinge.
Maar waarschuw me op tijd.
Want voor je het weet neem ik zelf een halve trekschuit mee als tastbare herinnering.
Pa en eten — niemand pakt het van je af
Voordat ik naar Ezinge vertrok, had ik het met mijn moeder over een ander belangrijk onderdeel van het leven van mijn vader: eten. Want wat was nou écht typisch pa?
Hij was in ieder geval een behoorlijke zoetekauw. Dat wist ik natuurlijk wel, maar mijn moeder kwam ineens met zachte noga. Gewoon normale stukken trouwens, geen halve bouwmaterialen. Maar hij hield vroeger óók van die lange, duimdikke kaneelstokken. Daar kon hij blijkbaar echt trek in hebben.
En achteraf bezien had ik dat kaneel natuurlijk kunnen weten.
Want dan was er nog zoiets als ‘omgeroerd meel’. Zo noemden wij dat maar. Geen culinair hoogstandje waarvoor Michelin onmiddellijk een inspecteur op pad zou sturen, maar gewoon patentbloem, water, boter en basterdsuiker. Mengen, roeren en klaar.
Alleen had pa daar zijn eigen receptuur voor.
Kaneel.
Veel kaneel.
Nee, nóg wat meer.
Als je op een gegeven moment voorzichtig suggereerde dat er misschien voldoende kaneel in zat, kwam ongeveer de meest sluitende culinaire argumentatie die een mens kan geven:
‘Vind ik lekker.’
Ja.
Daar kun je als kok natuurlijk niet tegenop.
Geen exacte hoeveelheden, geen afgestreken theelepeltjes en geen gezeur met een keukenweegschaal. Gewoon kaneel erin totdat iemand anders begon te twijfelen. Dán zat je ongeveer goed.
Zijn favoriete gebak? Mokka. Zo lekker, maar ook zo… nou ja. Mokka. Je moet ervan houden. Verder een dropje hier, een chocolaatje daar. Allemaal prima besteed aan pa.
En vis. Vis vond hij erg lekker. Daar kon je hem absoluut voor wakker maken. Geen idee of hij bij het ontwaken eerst gevraagd zou hebben welke vis, maar de belangstelling was er zeker.
Bij het avondeten hoefde het allemaal niet ingewikkeld. Gewoon de degelijke Hollandse pot: AGV. Aardappelen — piepers dus — groente en vlees. Daar kon weinig aan misgaan.
Hoewel er bij het vlees blijkbaar toch een soort natuurlijke rangorde bestond. Pa had graag het grootste stuk.
Misschien verklaart dat wel iets bij mij. Ik neem namelijk vaak juist het kleinste stuk en laat het grootste voor een ander liggen. Misschien probeer ik onbewust een generatie later de vleesboekhouding van de familie weer recht te trekken.
Een soort culinaire erfenis.
Zo doen wij Huizinga's dat. Een ongeschreven erecode. Blijkbaar.
Pa kon bij eten sowieso iets aandoenlijks hebben. Een beetje als een puppy die bij iedere maaltijd opnieuw bang is dat hij deze keer wordt overgeslagen. Dus graag voldoende op het bord, liefst iets meer dan noodzakelijk en vervolgens in een behoorlijk tempo naar binnen werken.
Rustig maar, pa.
Niemand pakt het van je af.
Waar dat vandaan kwam? Misschien toch iets van vroeger. Van een generatie waarin eten minder vanzelfsprekend was en je als jongetje gewoon door je moeder naar de grutter werd gestuurd.
Bijvoorbeeld voor zuurkool.
Niet uit zo'n modern plastic zakje natuurlijk. Nee, zuurkool uit het vat.
Dus daar zie ik hem in gedachten al gaan. Kleine Japie op weg naar de winkel. Zuurkool halen voor moeder. Bestelling mee en weer terug naar huis.
Maar onderweg begint dat spul natuurlijk verdacht lekker te ruiken.
Even proeven.
Klein hapje.
Nog eentje.
Kan geen kwaad.
En voordat je het weet kom je thuis, schop je bij de achterdeur je klompen uit — die klompen voeg ik voor de romantiek zelf maar even toe — en lever je trots de bestelling af.
Moeder kijkt in de zak.
Kijkt naar Japie.
Weer naar de zak.
‘Wa's dat nou, jong… woar is de aand're helft?’
Tja.
Misschien begon het daar wel. Die liefde voor eten en dat lichte wantrouwen dat er straks misschien niets meer voor jou overblijft.
Zachte noga, kaneelstokken, mokkagebak, drop, chocolade, vis, piepers, een behoorlijk stuk vlees en natuurlijk omgeroerd meel met een hoeveelheid kaneel waarbij ieder normaal mens zou vragen of het de bedoeling was dat je het meel óók nog kon proeven.
Eigenlijk geen ingewikkelde man.
‘Vind ik lekker.’
Daarmee was de discussie gewoon afgelopen.
En mocht ik tijdens het vervolg van mijn herinneringstocht ergens zo'n ouderwetse kaneelstok tegenkomen, dan weet ik al wat er gebeurt.
Die gaat mee.
Misschien zelfs twee.
Maar de zuurkool draag ik zelf wel, pa. We kennen je inmiddels.
Eten, kind én Fryslân
Eten dus.
Kind.
En Fryslân.
Dat leek me eigenlijk een prachtige combinatie in het kader van de herinneringen aan mijn vader. En laten we eerlijk zijn: na alles wat ik de afgelopen week heb uitgespookt, is zo'n opdrachtje nauwelijks nog een uitdaging.
Daar draai ik mijn hand niet meer voor om.
Zoiets doe ik tegenwoordig vanuit de losse pols.
Dus waarheen?
Juistem.
Fryslân.
Sinds mijn geslaagde versnelde inburgering, inclusief officieel Frysk Paspoart — thank you, May! — ben ik daar blijkbaar niet meer weg te slaan.
Nog even en ik moet thuis gaan uitleggen waarom er naast de Groninger vlag ineens ook een Fryske vlag ligt en waarom ik bij het horen van Bêst genôch spontaan begin te knikken.
Maar goed.
Eten, jeugdherinneringen en Fryslân.
Ik dacht aan een boerderij. Zuivel. Iets lekkers. Iets lokaals. Iets wat op de een of andere manier weer bij pa zou passen.
En dat allemaal vanuit Ezinge.
Dus hup.
Richting Buitenpost.
De eerste serieuze halte net over de grens met it Heitelân.
Ik reed rustig die kant op en dacht eigenlijk nergens meer aan.
Totdat ik ineens een plaatsnaambord zag.
BURUM.
Ho.
Wacht.
Burum?
Daar gingen bij mij onmiddellijk alle alarmbellen af.
Ssssst…
Topgeheim.
Want daar staan ze.
De grote oren.
Van die enorme schotels die ogenschijnlijk heel onschuldig naar de hemel staan te luisteren.
Natuurlijk.
Naar de hemel.
Jazeker.
En laat ik nou net de afgelopen week buitengewoon verdachte communicatie met iemand daarboven hebben gehad.
Pa!
Straks onderscheppen ze je kaarten nog.
Ik reed dus maar uiterst onopvallend verder. Niet kijken. Geen verdachte bewegingen maken. Walter vooral zijn mond laten houden.
Better be prepared. Top secret.
Geen idee wie er allemaal meeluistert, maar na navigatiestation G, luchtwachttorens en mijn vaders militaire verleden neem ik geen enkel risico meer.
Igor en Boris zullen ook wel ergens zitten.
Dus snel door naar Buitenpost.
Missie uitvoeren.
Eten.
Kind.
Fryslân.
Inladen.
En daarna linea recta terug over de provinciegrens.
Naar het veilige Grunn.
Je kunt tenslotte best een beetje inburgeren in Fryslân…
maar je moet natuurlijk wel weten wanneer je weer naar huis moet.
Even rust, pa…
Na Ezinge zat het er voor deze week eigenlijk wel op.
Bijna.
Er volgde nog één klein bezoekje. Een bonusronde, zullen we maar zeggen.
Maar voor nu is het klaar.
De eerste etappe van mijn herinneringstocht voor mijn vader zit erop.
En wat voor eentje.
Nu eerst ruim een week rust.
Dat doe ik wel op het werk.
Daarna heb ik eventueel weer twee weken de tijd om aan deel twee te beginnen. Waar dat me gaat brengen?
Geen idee.
En na deze week lijkt me dat eigenlijk de beste voorbereiding die ik kan hebben.
Want op Weidum na was vrijwel niets van deze tocht echt voorbereid. Ik stapte in de auto, had ergens een gedachte, kreeg onderweg een ingeving, zag iets, belde ergens aan of liep gewoon een gebouw binnen met mijn inmiddels beproefde openingszin:
‘Goedemiddag, ik ben bezig met een herinneringstocht voor mijn vader…’
En dan zag ik wel wat er gebeurde.
Veel ging op gevoel. Ongedwongen, improviserend en natuurlijk voorzien van precies de juiste hoeveelheid Huizinga-charme.
Dat laatste heeft deze week opvallend goed gewerkt.
Vooral bij de diverse dames die ik onderweg heb ontmoet.
Van Raalte tot Friesland en van een stempelpost tot een oude school, museum, winkel of receptiebalie: overal trof ik vrouwen die naar mijn verhaal luisterden, enthousiast reageerden, meedachten, hielpen, iets opzochten of gewoon gezellig met me stonden te praten.
Kijk pa.
Dat heb je toch goed gedaan.
Ergens moet ik dat talent vandaan hebben.
Zo de meester, zo de leerling, zullen we maar zeggen.
Ik weet bijna zeker dat mijn vader op zijn eigen manier enorm van al die ontmoetingen zou hebben genoten. Niet overdreven uitbundig natuurlijk. Dat past niet bij de Huizinga's.
Gewoon zo'n klein grijnsje.
Een blik.
En later in de auto waarschijnlijk droog constateren:
‘Aardeg nuver wicht.’
Meer woorden zijn dan ook helemaal niet nodig.
Dus aan iedereen die mij deze week heeft ontvangen, geholpen, aangehoord, iets heeft meegegeven, informatie heeft gezocht, koffie heeft aangeboden, uitleg heeft gegeven of simpelweg een paar minuten tijd voor mijn verhaal heeft gemaakt:
heel hartelijk bedankt.
Jullie zijn, misschien zonder het zelf te beseffen, onderdeel geworden van deze herinneringstocht.
En daarmee ook een klein beetje van het verhaal van mijn vader.
Wat begon als een rit langs een paar plekken uit zijn verleden, werd binnen een week iets veel groters. Ik heb gelachen, gezocht, ontdekt, mensen ontmoet, verhalen gehoord, spullen verzameld en af en toe iets gevonden waarvan ik vooraf niet eens wist dat ik ernaar zocht.
Het was prachtig.
En het mooiste?
We zijn nog niet klaar.
Nu dus even niks.
Ruim een week bijkomen, werken en ondertussen mijn hoofd zijn gang laten gaan. Er zullen vanzelf wel weer nieuwe ideeën opduiken. Nieuwe plekken. Nieuwe verbanden. Nieuwe totaal onverantwoorde redenen om ergens aan te bellen.
En daarna?
Dan gaan we weer, pa.
Deel twee.
Of Walter dan nog op de bijrijdersstoel zit, weet ik niet. Misschien is hij tegen die tijd alsnog met May naar Thailand vertrokken. In May. Of June. In ieder geval niet in August.
Laat hem het zelf maar uitzoeken.
Want Walter of geen Walter:
jij en ik gaan verder.
En volgens mij gaan we samen nog ontzettend veel plezier beleven.
Tot over een dikke week, ouwe.
Even pauze. Niet weglopen hè.
Terug naar de grauwe werkelijkheid
Tja, en dan heb je zo'n geweldige eerste week van je herinneringstocht achter de rug en dan komt onvermijdelijk het moment waarop je weer terug moet naar…
de grauwe werkelijkheid.
Het werk.
Haha.
Nee hoor. Zo erg is het natuurlijk ook weer niet. Mij krijg je niet zo gemakkelijk van mijn stuk. Ik pak de dingen zoals ze komen, liefst met beide handen, en mocht er ergens onderweg negativiteit opduiken, dan blaas ik die gewoon van z'n sokkel.
Mocht die sokkel er überhaupt staan.
Want wat heb je eraan om overal problemen te zien? Voor je het weet houd je jezelf én anderen tegen en loop je met z'n allen rondjes in dezelfde kleine cirkel.
Niet mijn ding.
Vooruit kijken. Oplossing zoeken. En als die oplossing nergens te vinden is, dan maken we er in ieder geval een goed verhaal van.
Dus arriveerde ik na mijn avonturen in Friesland, Groningen, Overijssel en Drenthe weer keurig op het werk.
Alleen ontbrak er één klein detail.
Mijn werkpas.
Ach.
Kan gebeuren.
In Delfzijl had ik tenslotte geleerd dat je voor het passeren van een beveiligde slagboom eigenlijk maar één magische zin nodig hebt:
‘Ik kom op bezoek.’
Slagboom open.
Wereld aan je voeten.
Dus ik dacht: die methode heeft zich bewezen.
Ik meldde me.
‘Ik kom op bezoek.’
Niets.
Geen slagboom.
Geen rode loper.
Geen enthousiaste receptioniste die riep: Welkom terug, avonturier!
Helemaal niks.
Blijkbaar hadden ze het wachtwoord de afgelopen week veranderd.
Of ze hadden vanuit Delfzijl een telefoontje gehad.
‘Luister, als daar binnenkort een Huizinga zonder pas voor de slagboom staat en zegt dat-ie op bezoek komt: NIET INTRAPPEN.’
Kan natuurlijk ook.
Maar mij krijg je daar niet mee.
Integendeel.
Ik begon het eigenlijk alweer een leuk verhaal te vinden.
Daar stond ik dan. Na een week waarin ik zonder afspraak bij bedrijven, musea, scholen, kerken en wildvreemde mensen naar binnen was gewandeld, kreeg ik uitgerekend bij mijn eigen werk de deur niet open.
Dat vind ik humor.
Mijn collega's besloten vervolgens ook nog een duit in het zakje te doen.
Of eigenlijk een complete zak duiten.
Er werd meegedacht, overlegd en natuurlijk vooral buitengewoon behulpzaam commentaar geleverd over de vraag hoe we deze mysterieuze onbekende man toch het gebouw binnen konden krijgen.
Ik voelde de warmte.
De betrokkenheid.
De familieband.
Na alle Friese gastvrijheid was ik eindelijk weer thuis.
En uiteindelijk lukte het natuurlijk.
De vesting werd geopend.
De verloren zoon mocht naar binnen.
Geen Frysk Paspoart nodig, geen kaatsbal als onderpand en ik hoefde zelfs niemand om te kopen met een pen waarop mijn webadres stond.
Daar stond ik weer tussen mijn collega's.
Alsof ik nooit was weggeweest.
Wat een hartelijke familie.
Haha…
Maar goed, pa: de eerste werkdag hebben we overleefd.
Nog een dikke week deze ellende en dan mogen we weer verder met onze herinneringstocht.
En de werkpas?
Die neem ik de volgende keer gewoon mee.
Waarschijnlijk.
Want anders heb ik inmiddels een nieuwe strategie:
‘Ik ken iemand binnen.’
Kralen, spiegeltjes en een Groninger in de Friese moesson
Er waren tijden waarin je de lokale bevolking nog tevreden kon stellen met kralen en spiegeltjes. Een handvol glimmende rommel uit de tas en het plaatselijke stamhoofd was dusdanig onder de indruk dat de bezoekers onmiddellijk promoveerden tot zeer gewaardeerde gasten.
Er werd gedanst, gegeten en natuurlijk handelgedreven — waarbij het om volstrekt onverklaarbare redenen meestal de bezoekers waren die er het beste vanaf kwamen.
Soms werden er zelfs lokale schonen aan de gasten voorgesteld…
Kijk.
Toen wist men nog wat gastvrijheid was.
Het kon overigens ook volledig verkeerd aflopen. Voor hetzelfde geld volgde er een oorlogsdans en werd je een kopje kleiner gemaakt. Of besloten de bezoekers na het eten dat het een uitstekend moment was om de plaatselijke bevolking uit te moorden.
Een soort DIY-kolonialisme.
Andere tijden.
Tegenwoordig pakken we dat gelukkig wat beschaafder aan.
Mijn kralen en spiegeltjes bestaan uit geinige pennen met mijn webadres erop.
Die laat ik tijdens mijn herinneringstocht bij zoveel mogelijk mensen achter. Niet omdat ik onmiddellijk grondgebied wil annexeren, maar gewoon omdat reclame nu eenmaal zo werkt.
Actie.
Reactie.
Pen neerleggen.
En kijken wat ermee gebeurt.
Eigenlijk alsof je overal waar je komt een klein ei achterlaat.
De meeste eieren blijven waarschijnlijk gewoon liggen. Er wordt een boodschappenlijstje mee geschreven, een telefoonnummer genoteerd of iemand neemt hem mee naar huis en drie maanden later ligt-ie tussen twee uitgedroogde markeerstiften in een keukenla.
Maar soms…
komt zo'n ei uit.
Zo verscheen er ineens een e-mail in mijn inbox.
En die eindigde met:
“Mei groetnis út Fryslân.”
Kijk.
Een paar weken geleden had ik daar waarschijnlijk nog Google Translate, een beëdigd tolk en twee ondertitelaars voor nodig gehad.
Maar inmiddels beschik ik over een Frysk Paspoart, heb ik een volledige dag tussen kaatsende famkes overleefd en weet ik dat bêst genôch in vrijwel iedere situatie bruikbaar is.
Ik meen de Friese volksaard dus inmiddels voldoende te kennen om vast te stellen:
dit was een uiterst positieve boodschap.
En wat bleek?
Tijdens mijn verblijf in Fryslân was ik vastgelegd door een lokale plaatjesschieter.
Een fotograaf dus.
Ook daar hebben ze inmiddels digitale apparatuur, zo bleek. Geen houtskool meer op een stuk schapenhuid, maar gewoon een camera met een memorycard.
Ja ja.
Ook Fryslân lift mee op de vaart der volkeren.
En de beste man had mij niet één, maar twee keer vastgelegd.
Twee keer!
Dan moet ik toch indruk hebben gemaakt.
Op dat moment wist deze inheemse plaatjesschieter trouwens nog niet dat zijn vriendelijkheid later beloond zou worden met mijn moderne equivalent van kralen en spiegeltjes:
een pen met mijn webadres.
En blijkbaar werkte het.
Want uiteindelijk kreeg ik de foto's toegestuurd.
En daar zat ik.
Een Groninger.
Midden in de striemende Friese moesson, paraplu in de aanslag, terwijl het hemelwater met bakken tegelijk naar beneden kwam.
Of, zoals mijn inmiddels bijna-moedertaalsprekende Friese alter ego zou zeggen:
“It giet mei bakken út ’e loft.”
En toch zat ik er nog.
Niet gevlucht.
Niet opgelost.
Niet doorweekt richting provinciegrens gerend.
Gewoon gebleven.
Want die Friese famkes konden dan wel de hele dag kaatsen, maar deze Groninger liet zich door een beetje regen natuurlijk niet wegjagen.
Bovendien wist ik inmiddels wie er werkelijk verantwoordelijk was voor dat weer.
Japie Potgieter zat daarboven gewoon weer met z'n gieter te klooien.
Dus bedankt, pa.
Bedankt, Fryslân.
En natuurlijk vooral: bedankt aan de plaatjesschieter voor deze prachtige herinnering.
Het bewijs is nu definitief geleverd:
ze kregen me er niet onder.
Al moet ik toegeven…
ze hebben het van bovenaf verdomd serieus geprobeerd.
Aan de andere kant van het diep
Woldweg 10. Het jaar 1957.
Een huis aan het Damsterdiep. Op zichzelf gewoon een huis, ware het niet dat aan de overkant nóg een huis stond.
En daar woonde mijn moeder.
Mijn vader hier.
Mijn moeder daar.
Nog geen honderd meter van elkaar verwijderd, maar wel met het Damsterdiep ertussen.
Aan d’aander kaant daip.
Je zou bijna denken dat het zo geschreven moest worden. Een leuke knul komt tegenover een meisje wonen, er ligt alleen nog even een compleet kanaal tussen.
Ach.
Details.
Water heeft de Huizinga's wel vaker niet tegengehouden.
Bijna zeventig jaar later stond ik dus voor diezelfde voordeur.
En inmiddels kennen we mijn wetenschappelijke onderzoeksmethode.
Geen archiefstukken.
Geen ingewikkelde aanvraagprocedure.
Gewoon:
Ding-dong.
Een oudere mevrouw deed open.
Ik stelde me netjes voor.
Ze keek me aan.
‘Ik ken u niet, meneer. Wie bent u?’
Terechte vraag wanneer er ineens een wildvreemde kerel voor je deur staat die opvallend geïnteresseerd is in je huis.
‘Ik ben er één van Huizinga, van hier tegenover.’
Even verwerken.
Toen kwam de herkenning.
‘Oh… de zoon van je moeder?’
Bingo.
Ja.
Die.
Ze kende alleen mijn broer.
‘Van de Albert Heijn.’
Kijk.
Daar sta je dan.
Je rijdt inmiddels half Noord-Nederland door, hebt een Frysk Paspoart op zak, bent vriendjes aan het worden met musea, betonbedrijven en kaatsende famkes en in je eigen oude omgeving ben je gewoon:
de oudere broer van die van de Albert Heijn.
Ook goed.
‘Nou, ik ben dus zijn oudere broer.’
Identificatie voltooid.
Vervolgens deed ik mijn verhaal. Over mijn vader, mijn herinneringstocht en waarom juist dit huis voor mij bijzonder was.
En terwijl we praatten realiseerde ik me iets.
De laatste keer dat ik hier binnen moet zijn geweest, was waarschijnlijk 1972.
Ik was drie.
Veel actieve herinneringen hoef je daar dus niet van te verwachten. Ik heb uit die vroege tijd wel twee bijzondere foto's: eentje waarop ik vlak na mijn geboorte in de armen lig van mijn Huizinga-opa en eentje bij mijn Huizinga-oma.
Maar het huis zelf?
Weinig beelden meer.
En juist daarom wilde ik zo graag nog één ding.
Binnen staan en naar buiten kijken.
Niet vanaf de straat naar het huis van mijn vader.
Maar vanuit zijn toenmalige thuis, door het raam, over het Damsterdiep naar de overkant.
Naar het huis waar mijn moeder woonde.
Even proberen te zien wat híj destijds zag.
En zo geschiedde.
Bijna zeventig jaar nadat mijn vader hier woonde, stond zijn zoon binnen naar de overkant te kijken.
Daar.
Dat huis.
Zo dichtbij.
Alleen dat daip ertussen.
Ik heb daarna uitgebreid en bijzonder prettig met de huidige bewoners gesproken. Het huis bekeken, verhalen uitgewisseld en geprobeerd de plek van alle kanten in me op te nemen.
En ineens was Woldweg 10 niet meer alleen een adres uit het verleden.
Het kreeg weer muren, ramen, uitzicht en bewoners.
Dat is precies waarom ik deze tocht maak.
Je kunt een adres opschrijven.
Je kunt een oude foto bekijken.
Je kunt een jaartal vinden.
Maar soms moet je gewoon naar zo'n plek toe, je stoute schoenen aantrekken en aanbellen.
Ding-dong.
‘Wie bent u?’
‘Eentje van Huizinga.’
En een halfuur later heb je er zomaar weer een stukje van je vaders geschiedenis bij.
Het huis staat er nog.
Het Damsterdiep ligt er nog.
En aan de overkant staat nog altijd het huis waar mijn moeder woonde.
Alleen die leuke knul uit 1957 is er niet meer.
Maar vandaag keek ik voor even door zijn raam.
En dát was precies waarvoor ik kwam.
Totaal aantal kilometers:
1.069
Deze herinneringstocht is mogelijk gemaakt dankzij de medewerking van: Muzeeaquarium | Delfzijl, Kapsalon Accent | Groningen (Audrey & Laura), Haarco BV | Raalte (Elle), Jorink. De Echte Bakker | Raalte, Bruna | Raalte, Tourist Info| Nijverdal, Tourist Info | Ootmarsum, Boekhandel Brummelhuis | Denekamp, Mr. Mayor Lunch, Bistro & Grill | Denekamp, Camping de Rammelbeek | Lattrop (Familie Groeneveld), Keatsferiening Nije Kriich Weidum | Weidum (Jacqueline Dijkstra), Groningen store Martini Ziekenhuis | Groningen, Sporthuis A.P. van der Feer | Bolsward, De Ossekop Elzinga | Bolsward, Breimer's Bakkerij | Bolsward, Tourist Info | Leeuwarden (May Weangin), Jagersma modelauto's & miniaturen | Kootstertille, Haitsma Beton | Kootstertille (Trienke), Tourist Info | Drachten, Tourist Info | Gorredijk, Damster Boekhandel | Appingedam, Zilverkamer | Appingedam, Groningen Seaports | Delfzijl, Piet & Harmke Bakker | Groningen, Bruna | Hoogezand, Onderdelenshop QB's | Hoogezand (Alex), Blokker | Hoogezand, Protestantse Kerk | Ezinge, Gerrit & Fenna Slopsema | Ezinge, Museum Wierdenland | Ezinge, Boerderijwinkel Uitland | Buitenpost, Peter Siemersma (kaatsnieuws.com) | Bolsward.