JEUGD
[ 1973/74 | bovenaan vierde van links ]
[ 1978 | bovenaan vierde van links ]
Ik heb een fijne jeugd gehad in een wijk waar het dorpsgevoel nog sterk aanwezig was: ons kent ons. Alles was dichtbij en overzichtelijk. Het centrum van Groningen lag om de hoek, maar mijn wereld leek zich vooral binnen de grenzen van onze eigen wijk af te spelen.
Samen met mijn vrienden crosten we door de buurt en beleefden we de meest uiteenlopende avonturen. Ik was meestal niet degene die de plannen bedacht, maar als er iets gebeurde, was ik er wel bij. Schuchter als ik was, keek ik soms eerst even de kat uit de boom.
Als iemand anders een sprong over een sloot waagde, deed ik dat natuurlijk niet meteen.
Of toch wel.
Haha!
De sloten in de buurt waren me in ieder geval niet onbekend. En in de winter wist ik ook uit eigen ervaring dat ijs soms minder betrouwbaar was dan het eruitzag.
Voetbal speelde voor veel jongens in de buurt een belangrijke rol. Ik ging regelmatig kijken wanneer mijn vrienden training hadden, maar zelf had ik er niet zoveel mee. Bij ons thuis lag gymnastiek veel meer voor de hand. Mijn moeder was al vanaf de oprichting in 1947 actief bij de gymnastiekvereniging en werd later penningmeester. De voetbaltak ontstond als afsplitsing daarvan.
Dus zat ik op gymnastiek.
En dat was natuurlijk minstens zo stoer. Toch?
In mijn hempie en sportbroekje, op blote voeten uiteraard. Ik heb zelfs een tijdje aan trampolinespringen gedaan — op zo'n echte grote trampoline. Spreid, zit en sluiten; het hoorde er allemaal bij. Na de lagere school raakte gymnastiek langzaam uit beeld. Andere dingen werden belangrijker en kennelijk vond ik mezelf er op een gegeven moment gewoon te oud voor.
Dan was er nog het schoolzwemmen.
Ook daar deed ik aan mee, al werd mijn enthousiasme na verloop van tijd steeds minder. Hoe dat precies kwam, weet ik niet meer. Ik begon er steeds meer tegenop te zien en ontwikkelde wat je waarschijnlijk gewoon watervrees kunt noemen.
Misschien zat het in de familie, want mijn vader was ook bepaald geen waterrat. Zijn uitgangspunt was eenvoudig: zolang je de bodem nog kon voelen, was er weinig aan de hand.
En wie weet moeten we voor de werkelijke oorzaak nog veel verder terug. Met de Kerstvloed van 1717 in de familiegeschiedenis is een natuurlijke achterdocht tegenover grote hoeveelheden water natuurlijk altijd nog een prachtige verklaring.
Historisch bewijs daarvoor ontbreekt vooralsnog.
Ondanks die watervrees zwom ik uit vrije wil in het nabijgelegen Bedum en uiteindelijk behaalde ik gewoon mijn Diploma A.
En zeg nou zelf: blijven drijven en watertrappelen zijn uiteindelijk toch de belangrijkste onderdelen.
Voor het geval die sloot ooit weer eens langskomt.
MUSICAL
Ik ben niet echt het type dat graag op de voorgrond staat. Ik voel me veel meer op mijn gemak achter de schermen, waar ik ervoor zorg dat alles soepel loopt. In de schijnwerpers staan is nooit zo mijn ding geweest.
Maar in mei 1980 had ik weinig te kiezen.
In klas vijf stonden er twee bijzondere avonden op het programma met een schoolmusical waarvan ik de titel nog altijd probeer te achterhalen. Een jaar later, in klas zes, maakte ik deel uit van de cast van Radio Flierefluiter, waarin ik een bescheiden rol speelde.
Dat eerste jaar was andere koek.
"Ik?"
Ja, jij! Samen met een klasgenoot mocht ik een liedje zingen.
Wat leuk.
Mwoah.
Ik vond het maar niks, maar deed het natuurlijk wel. Twee keer zelfs, voor ouders, familie en bekenden uit de wijk.
Voor de gelegenheid werd ik flink onder handen genomen: make-up op mijn gezicht, aangezette wenkbrauwen, een paar extra blosjes op mijn wangen en uiteraard de onvermijdelijke lippenstift. Tegen de tijd dat ze klaar met me waren, voelde ik me bijna een ster. Haha!
En toen moest het optreden nog beginnen.
Een deel van mijn kostuum bestond uit een soort kartonnen ape-pakkie, dat met wat latten en het nodige kunst-en-vliegwerk overeind werd gehouden. Gelukkig mocht ik mijn eigen overhemd aanhouden en kreeg ik er een kek hoedje bij.
Dus daar stond ik dan.
Te zingen alsof mijn leven ervan afhing.
Gelukkig zijn er, voor zover ik weet, geen bewegende beelden van. Toch?
Het liedje ging over de bombar-bombar, bombardon... of iets wat daar sterk op leek. Dagenlang hadden we erop geoefend met behulp van een cassettebandje.
En kennelijk heeft dat geholpen, want ruim 45 jaar later zit dat bombar-bombar, bombardon nog steeds ergens in mijn hoofd.
De titel van de musical?
Geen idee.
Daar zoek ik nog steeds naar.
SCHOOLREIS
Van de lagere school in Oosterhoogebrug herinner ik me vooral de schoolreis en de musical. We spaarden een heel jaar om in mei, waarschijnlijk na de twee avonden van de musical, met de bus naar het prachtige waddeneiland Texel te gaan. Het eiland heb ik sindsdien nog meerdere keren bezocht en van alle kanten leren kennen. Onze hoofdmeester kwam oorspronkelijk van Texel, kende het eiland als zijn broekzak en zorgde ervoor dat wij in die paar dagen heel wat te zien kregen.
Tijdens ons verblijf speelde het schoolvoetbalteam een wedstrijd tegen een lokaal team. We sliepen in kampeerboerderij Jonkersbergen in Den Hoorn. De jongens sliepen beneden in wat ik me herinner als een stal of landbouwschuur; de meisjes hadden hun slaapplaatsen op de oude hooizolder. Uiteraard waren er altijd een paar jongens die probeerden de regels van de begeleiders te omzeilen en naar boven te glippen. Wie werd betrapt, kon rekenen op een passende straf. De horror!
Ik vond het allemaal wel best. Na zo'n dag op Texel was slapen waarschijnlijk een aantrekkelijker vooruitzicht.
Voor het slapengaan las de meester een paar bladzijden voor uit een spannend kinderboek. Ik herinner me Oorlogswinter van Jan Terlouw en misschien ook Koning van Katoren — of was het nou Briefgeheim? Terlouw was in ieder geval een grote favoriet. In mijn herinnering zaten we dan met z'n allen bij elkaar en luisterden aandachtig naar het verhaal.
Overdag trokken we eropuit. We fietsten over het eiland, gingen naar het strand, zagen zeehonden en kwamen in het speelbos. Er was een puzzeltocht en we bezochten Den Burg, waar we een paar centen op zak hadden om iets kleins te kopen: een sticker bijvoorbeeld, of een portie patat.
Ook Oudeschild, De Cocksdorp, het Juttersmuseum, de meeuwenkolonie — ken je The Birds van Hitchcock? — de vuurtoren en het toeristische De Koog kwamen voorbij. We ontdekten de Slufter en zagen zelfs een kievitsei.
We zwommen in verwarmd zout water, tussen groen wier of iets anders sliertigs waarvan ik na al die jaren de precieze aard niet meer durf vast te stellen. Vanaf het strand visten we naar garnalen en onderweg zagen we mijnenvegers en een marinehelikopter.
Voor een stel kinderen van de lagere school was het een behoorlijk avontuur.
Een week Texel, zonder ouders, met klasgenoten en meesters, slapend in een kampeerboerderij en iedere dag weer iets nieuws te beleven.
Het was een indrukwekkende week weg van huis — en een van die schoolreizen waarvan na al die jaren verrassend veel beelden zijn blijven hangen.
ZOMER VAN 1981
En zoals het hoort, sloot ik na die geweldige tijd op de lagere school deze periode af met de mooiste vakantie die ik tot dat moment had meegemaakt.
Ik was twaalf en op de camping stond onze caravan pal naast die van een ander gezin. Daar ontmoette ik een meisje van tien met wie ik die vakantie veel optrok. We wandelden naar de kampwinkel, haalden een ijsje, zwommen in de zwemvijver en deden mee aan de activiteiten die op de camping werden georganiseerd.
Gewone vakantiedingen dus.
Alleen voelde dat voor mij destijds helemaal niet gewoon.
Een zomer die pas later een naam kreeg
De zomer van 1981 begon voor mij niet op een datum in een agenda en ook niet op de eerste vakantiedag. In mijn herinnering begon hij pas echt toen ik haar ontmoette.
Dat ik voor het eerst verliefd was, zou ik waarschijnlijk pas veel later zo hebben genoemd. Op mijn twaalfde dacht ik daar helemaal niet in zulke termen over na. Ik wist alleen dat ik haar erg leuk vond en graag bij haar in de buurt was.
Meer hoefde het eigenlijk ook niet te zijn.
Onze caravans stonden naast elkaar op camping De Rammelbeek, voor mij destijds bijna een tweede thuis. Mijn ouders kwamen er al sinds het begin van de jaren zeventig. Ik had de camping zien veranderen van een vrij kale plek in een echte camping, met een zwemvijver, kantine en allerlei activiteiten voor kinderen.
Tussen de caravans ontstond die zomer een klein vakantiewereldje. Zwemmen, spelen, naar de kampwinkel en kijken wat er die dag weer georganiseerd werd.
Soms denk ik dat herinneringen in de loop van de jaren hun eigen kleuren krijgen. In mijn hoofd schijnt in de zomer van 1981 bijvoorbeeld opvallend vaak de zon. Of dat werkelijk zo was, laat ik tegenwoordig maar in het midden.
[ combinatie van twee vage vakantiefoto's - AI heeft de gezichten wat verbouwd ]
Op het witte paard
Een van de activiteiten was een soort stoelendans met pony's. Zodra de muziek stopte, moest je van je pony af en zo snel mogelijk een stoel zien te bemachtigen.
Wie won?
Geen idee.
Van sommige gebeurtenissen verdwijnen de uitslagen, terwijl de beelden blijven hangen. Zij op een vos, ik op een wit paard. Achteraf natuurlijk prachtig materiaal voor de gedachte dat ik daar als twaalfjarige prins op het witte paard verscheen.
Dat ik daar destijds zelf zo over dacht, betwijfel ik ten zeerste.
Gelukkig bestaan er nog een paar vage vakantiefoto's. Niet bepaald fotografische meesterwerken, maar genoeg om te bevestigen dat mijn geheugen niet álles heeft verzonnen.
Hands Up
Wat ik ook nog goed weet, is een avond bij de kantine.
Er was muziek, er waren lampjes en ergens tussen de bomen hing de geur van een barbecue. Een dj draaide platen, volwassenen zaten bij elkaar en de kinderen hadden hun eigen wereld.
En daar hebben wij gedanst.
Althans, iets wat daarvoor moest doorgaan wanneer je twaalf bent.
Uit de luidsprekers klonk Hands Up van Ottawan. Dat nummer heeft sindsdien een merkwaardige eigenschap behouden. Ik hoef maar een paar maten te horen en ergens in mijn hoofd gaat een deur open.
Dan is het weer 1981.
Niet omdat ik me ieder detail nog precies herinner, maar juist omdat zo'n jeugdherinnering uit losse beelden bestaat: muziek, een camping, een zwemvijver, een paar foto's en het gevoel dat de vakantie eindeloos zou duren.
Afscheid
Maar ook een zomer die eindeloos lijkt te duren, heeft gewoon een laatste dag.
Bij het vertrek werden nog wat foto's gemaakt en adressen uitgewisseld. Onze ouders zouden vakantiefoto's laten afdrukken en opsturen. Dat hoorde toen bij afscheid nemen: geen mobiele telefoons, geen sociale media en geen berichtje zodra je thuiskwam.
Daarna reden we naar huis.
De vakantie was voorbij.
Wat overbleef waren een paar vage foto's en vooral de herinneringen aan een zomer die voor een jongen van twaalf bijzonderder was geworden dan hij op dat moment waarschijnlijk zelf begreep.
Aan het zwemmen in de vijver. Samen naar de kampwinkel. Een ijsje. De activiteiten op de camping. Zij op een vos en ik, heel toepasselijk, op het witte paard.
En natuurlijk die avond bij de kantine.
De muziek, de gekleurde lampjes en Hands Up van Ottawan.
Misschien zijn sommige herinneringen in de loop van de jaren mooier geworden dan de werkelijkheid ooit was. Dat mag. Zo werkt een herinnering nu eenmaal. Details verdwijnen, foto's verkleuren en gebeurtenissen lopen soms een beetje door elkaar.
Maar het gevoel blijft.
Het was de zomer waarin ik voor het eerst ontdekte hoe het voelde om iemand heel erg leuk te vinden, zonder daar ingewikkelde gedachten bij te hebben. We waren kinderen. We hadden vakantie. En voor een paar weken bestond onze wereld uit een camping, een zwemvijver, pony's, ijsjes en muziek.
Meer was het niet.
En juist daarom was het zo mooi.
Wanneer ik nu die oude vakantiefoto's zie of Hands Up hoor, hoef ik niet te weten wat er daarna allemaal gebeurde.
Dan is het gewoon weer even zomer.
1981.
Een mooie vakantie, een eerste verliefdheid en een herinnering die nooit helemaal is verdwenen.