JEUGD

[ 1973/75 | bovenaan vierde van links ]

[ 1978 | bovenaan vierde van links ]

Ik heb een fijne jeugd gehad in een wijk, waar het dorpsgevoel nog sterk aanwezig was: ons kent ons. Alles was dicht bij elkaar en overzichtelijk. Het centrum van de stad Groningen was vlakbij, maar het leek erop dat mijn wereld vooral bestond uit mijn eigen wijk. Samen met mijn vrienden crosten we door de buurt en beleefden de meest uiteenlopende avonturen. Hoewel ik vaak niet degene was die de plannen maakte, was ik altijd aanwezig; schuchter als ik was. Als iemand anders de sprong in een sloot waagde, deed ik dat ook niet gelijk. Of toch wel, haha! Ik kende de sloot en het was ook geen onbekende voor mij om door het ijs te zakken.

Ik ging vaak kijken terwijl mijn vrienden voetbaltraining hadden. Voetbal zei me echter niet zoveel, vooral omdat mijn moeder al sinds de oprichting in (1947) actief lid en later penningmeester was van de gymnastiekvereniging. De voetbaltak was daarvan een afsplitsing. Ik zat dus op gymnastiek, wat ook best stoer was, (toch?) zo in mijn hempie en sportbroekje – op blote voeten uiteraard! Ik heb zelfs een tijdje aan trampolinespringen gedaan, zo'n grote trampoline. Spreid, zit en sluiten. Maar na de lagere school raakte ik dat een beetje kwijt; je wordt er ook gewoon te oud voor.

Wat schoolzwemmen betreft, daar deed ik ook aan mee. Op een gegeven moment vond ik het echter minder leuk. Hoe dat precies kwam, weet ik niet meer, maar ik begon het met steeds grotere vrees te bekijken – watervrees, zoals ze het noemen. Misschien was het een erfelijke aanleg, vooral omdat mijn vader ook geen waterrat was en aversie had tegen water. Altijd in contact met de bodem zijn was zijn motto. Wellicht ligt er een ver verleden achter, zoals de overstroming tijdens de Kerstvloed (1717), dat zou zomaar kunnen hebben bijgedragen aan een natuurlijke afkeer van water. Desondanks zwom ik uit vrije wil in het nabije Bedum. Uiteindelijk heb ik Diploma A behaald; blijven drijven en watertrappelen is toch wel het belangrijkste.

MUSICAL

Ik ben niet echt het type dat graag op de voorgrond staat, tenzij het echt nodig is. Ik voel me veel meer op mijn gemak achter de schermen, waar ik zorg dat alles soepel loopt. In de schijnwerpers staan heeft niet mijn voorkeur. Maar dat veranderde in mei 1980, tijdens twee bijzondere avonden. De schoolmusical in klas vijf, waarvan ik nog steeds op zoek ben naar de titel. Een jaar later, in klas zes maakte ik deel uit van de cast van "Radio Flierefluiter", waar ik een bescheiden rol speelde.

Dat was anders in het eerste jaar, twee optredens in mei 1980. "Ik? Ja, jij gaat samen met je klasgenoot een liedje zingen." Wat leuk. (Mwoah). Ik vond het maar niks, maar deed het wel. We traden samen op voor ouders en vrienden in de wijk.

Met een overdaad aan make-up op mijn gezicht, opgepoetste wenkbrauwen, extra blosjes op mijn wangen en uiteraard de onvermijdelijke lippenstift, voelde ik me als een ster. Haha! En dan ook nog eens achter een kartonnen ape-pakkie staan, die  met wat latten (kunst en vliegwerk) rechtop bleef. Gelukkig mocht ik mijn eigen overhemd aanhouden en een kek hoedje opzetten. Dus daar stond ik dan, te zingen alsof mijn leven ervan afhing. Gelukkig zijn er geen bewegende beelden van (toch?). Het liedje ging over de bombar-bombar, bombardon... iets in die geest. Dagenlang hebben we geoefend op het nummer, dat destijds op een cassettebandje stond. 

SCHOOLREIS

Van de lagere school van Oosterhoogebrug herinner ik me vooral de schoolreis en de musical. We spaarden een heel jaar om in mei, waarschijnlijk na de twee avonden van de musical, met de bus naar het prachtige waddeneiland Texel te gaan. Dit eiland heb ik sindsdien nog meerdere keren bezocht en van alle kanten leren kennen. Onze hoofdmeester, die oorspronkelijk van Texel kwam, kende het eiland als zijn broekzak en zorgde ervoor dat wij ook deze bijzondere plek ontdekten.

Tijdens ons verblijf speelde het schoolvoetbalteam een testwedstrijd tegen een lokaal team. We sliepen in een kampeerboerderij in Den Hoorn, Jonkersbergen. De jongens sliepen in de stal, of wat gewoon een landbouwschuur? De meisjes sliepen op de oude (hooi)zolder. Deze scheiding werd door sommige begeleiders met hand en tand verdedigd. Een paar van de stoere jongens probeerden af en toe om alles en iedereen heen te glippen voor een bezoekje, maar als straf volgde er vaak een kort verblijf in een hok, de horror! Zelf was ik niet zo dapper, meisjes houden je maar uit je slaap, beter ogen dicht tussen het zand en de krabbenschaaltjes. Voor het slapengaan las de meester een paar bladzijden voor uit een spannend kinderboek; ik herinner me Oorlogswinter van Jan Terlouw, en misschien ook Koning van Katoren of was het nou Briefgeheim? Terlouw was in ieder geval een grote favoriet. We zaten met z'n allen, zowel meisjes als jongens, op de bedden (zo stel ik me tenminste voor) in onze pyjama’s en luisterden aandachtig.

Die dagen fietsten we het hele eiland rond: langs het strand, de zee, de zeehondjes, het speelbos, een puzzeltocht rond het strand en we bezochten Den Burg, waar we een paar centen bij ons hadden om iets kleins te kopen, zoals een sticker of een portie patat. Oudeschild, De Cocksdorp, het Juttersmuseum, de meeuwenkolonie (ken je The Birds van Hitchcock?) de vuurtoren en het toeristische De Koog.  We ontdekten de Slufter en zagen een kievitsei. We zwommen in verwarmd zoutwater tussen het groene wier of iets sliertigs, visten naar garnalen vanaf het strand. Onderweg spotten we mijnenvegers en een marinehelikopter. Het was een indrukwekkende week weg van huis.

ZOMER VAN 1981

En zoals het hoort, sloot ik na die geweldige tijd op de lagere school deze periode af met de mooiste vakantie die ik tot dat moment had meegemaakt. Op de camping stonden onze caravan en tent, en ik (12) pal naast die van het leukste meisje (10) van heul de wereld! We wandelden samen naar de kampwinkel, genoten van ijsjes, zwommen - ik in mijn stoere zwembroek met de Amerikaanse vlag, zij in het zwart. We zaten heerlijk samen op een luchtbed in de zwemvijver.

We hebben samen meegedaan aan een unieke stoelendans, maar dan met paarden. Zij zat op een vos, terwijl ik natuurlijk als "prins" op het witte paard zat. Gelukkig heb ik nog een paar vage foto’s, maar die herinneringen gaan NOOIT meer weg.

Trouwens, het zitten op een paard was mij niet onbekend. Ik ben opgegroeid met een pony. Af en toe een ritje in de tuin. Jaren later heb ik het overgedaan voor de foto en de herinneringen. 

De zomer van 1981 begon voor mij niet op een datum in een agenda. Niet op de eerste vakantiedag. Nee, die zomer begon pas echt op het moment dat ik haar zag.

Toen wist ik natuurlijk nog niet dat je zoiets later je eerste verliefdheid noemt. Ik was twaalf en verliefdheid hoorde bij oudere jongens, bij mensen die al brommers hadden of naar schoolfeesten gingen waar langzaam gedanst werd. Ik wist alleen dat er iets veranderde zodra zij in de buurt was. Alsof de lucht warmer werd. Alsof de camping plotseling groter en mooier was dan ooit tevoren.

Ze was tien, een lieve brunette met donkere ogen waarin altijd iets ondeugends leek te schuilen. Een katholiek meisje met vier voornamen, waarvan er minstens twee variaties op Maria waren. 

Onze caravans stonden naast elkaar op camping De Rammelbeek. Voor mij voelde die camping als een tweede thuis. Mijn ouders kwamen er al sinds begin jaren zeventig. Ik had de plek zien veranderen van een kale plek in een echte camping, compleet met zwemvijver, kantine en georganiseerde activiteiten voor kinderen. Elk jaar dezelfde geur van nat gras in de ochtend, zonnebrandcrème in de middag en houtskool van de barbecues in de avond.

Maar in al die jaren had ik nooit iemand ontmoet zoals zij.

Ze was de middelste van drie zussen: de oudste, die vooral met wat oudere jongeren optrok, en haar jongere zusje die iedereen Pippi noemde vanwege haar rossige haar en eindeloze energie. We speelden tussen de caravans, zwommen samen in de vijver en deden mee aan allerlei activiteiten die de camping organiseerde.

Soms denk ik dat mijn herinneringen mooier zijn geworden dan de werkelijkheid ooit was. In mijn hoofd schijnt die zomer altijd zon.

[ combinatie van twee vage vakantiefoto's - AI heeft de gezichten wat verbouwd ]

We deden mee aan een soort stoelendans op pony’s. Het idee was dat je van je pony moest springen zodra de muziek stopte en zo snel mogelijk een stoel moest bemachtigen. Wie er uiteindelijk won, weet ik allang niet meer.

Wat ik wel nog weet, is die avond bij de kantine.

Er was muziek. Disco. Lampjes. De geur van barbecue hing tussen de bomen. Een dj draaide platen terwijl volwassenen bier dronken en kinderen deden alsof ze al groot waren. Zij droeg volgens mij iets in lichtblauwe kleur.

En toen dansten we.

Of wat voor dansen doorging als je twaalf bent.

Uit de luidsprekers klonk Hands Up van Ottawan. Nog steeds, wanneer ik dat nummer hoor, ben ik onmiddellijk terug op die campingavond in 1981. Dan zie ik haar weer voor me onder de gekleurde lampjes, lachend, onschuldig, alsof de wereld nooit ingewikkeld zou worden.

De vakantie leek eeuwig te duren, tot ineens de laatste week aanbrak.

Ik wist nog niet hoe afscheid voelde, niet echt. Niet het soort afscheid waarbij je ergens van binnen beseft dat iets misschien nooit meer terugkomt. Op de laatste dag maakte ik foto’s van haar en haar zussen bij het bord “Bezoekers” naast de parkeerplaats. Onze ouders spraken over het opsturen van de vakantiefoto’s. Zij en ik wisselden adressen uit, samen met onze geboortedata, alsof dat voldoende was om elkaar nooit kwijt te raken.

Daarna vertrokken we terug naar huis. De  vakantie zat erop.

En zo verdween ze uit mijn leven.

In het begin dacht ik dat we vanzelf contact zouden houden. Mijn ouders maakten extra afdrukken van de foto’s, maar weken werden maanden en niemand stuurde iets op. Uiteindelijk schreef ik zelf een brief. Een stuntelige brief waarschijnlijk, geschreven door een jongen die niet wist hoe hij moest uitleggen waarom hij eigenlijk schreef.

Ik kreeg geen antwoord.

Misschien schreef ik nog een tweede brief. Dat weet ik niet meer zeker. Wat ik wel weet, is hoe vaak ik daarna aan haar dacht.

Wanneer we opnieuw naar De Rammelbeek gingen, keek ik automatisch of haar caravan er stond. 

Later zocht ik haar in telefoonboeken. Dat klinkt nu bijna absurd, in een tijd waarin je binnen seconden iemand kunt vinden via internet. Maar toen was een telefoonboek een schatkaart. Jarenlang stond haar familienaam nog op hetzelfde adres. Tot hij ineens verdween.

Dat voelde definitief.

Toch liet ik het nooit helemaal los.

Op een dag reisde ik zelfs met de trein naar haar oude woonplaats. Ik liep langs haar straat, zag het huis vlak bij de Titus Brandsmaschool en bleef aan de overkant staan. Ik durfde niet aan te bellen. Misschien was ik bang dat ze er niet meer woonde. Misschien was ik nog banger dat ze wél open zou doen.

Later ontdekte ik dat ze toen inderdaad al verhuisd was.

Soms, tijdens het opruimen, vond ik de oude foto’s terug. Korrelig. Onscherp. Maar telkens bleef mijn blik op haar hangen.

Toen internet kwam, veranderde alles. Ineens kon je zoeken. Mensen terugvinden. Verbanden leggen. Ik begon met stamboomonderzoek en gebruikte dezelfde methodes om haar spoor opnieuw op te pakken. Via-via hoorde ik dat haar vader overleden was. Dat ze later in Breda had gewoond. Ik vond oude adressen, oude namen, oud-klasgenoten.

Maar hoe dichter ik leek te komen, hoe meer twijfel ik voelde.

Wat zocht ik eigenlijk?

Haar?

Of de jongen die ik zelf ooit was geweest?

Want herinneringen hebben iets kwetsbaars. Ze blijven mooi zolang je ze niet aanraakt. Ik was bang dat de werkelijkheid de magie van die zomer zou breken. Misschien was ze allang iemand anders geworden. Misschien ik ook.

Waarschijnlijk was dat onvermijdelijk.

Toch bleef ik zoeken.

Niet altijd actief. Soms jarenlang helemaal niet. Maar ergens bleef ze bestaan. In een liedje van Ottawan. In vergeelde vakantiefoto’s. In de geur van een camping op een warme zomerdag.

En soms vraag ik me af of zij zich die zomer ook nog herinnert.

Of ik ergens nog besta in haar herinneringen.

Als die jongen van twaalf.

Die dacht dat een zomer eeuwig kon duren.