FRIESE STAD STEMPELKAART PASPOART
1. LEEUWARDEN gestart Wolkom!
2. SNEEK gepasseerd Wolkom!
3. IJLST gepasseerd Wolkom!
4. SLOTEN gepasseerd Wolkom!
5. STAVOREN gepasseerd Wolkom!
6. HINDELOOPEN gepasseerd Wolkom!
7. WORKUM gepasseerd Wolkom!
8. BOLSWARD gepasseerd Wolkom!
9. HARLINGEN gepasseerd Wolkom!
10. FRANEKER gepasseerd Wolkom!
11. DOKKUM gepasseerd Wolkom!

1. LEEUWARDEN (Ljouwert) ['ljɔ.ṷ(ə)t]

It giet oan — mijn Elfstedentocht met Walter

Het plan bestond niet. Dat moet ik misschien maar meteen duidelijk maken. Ik was niet op een ochtend wakker geworden met de gedachte: Rob, vandaag ga jij een Elfstedentocht per auto organiseren. Geen route uitgestippeld, geen elf steden op een lijstje afgevinkt en al helemaal geen maandenlange voorbereiding.

Ik was gewoon in Leeuwarden. Met Walter.

Walter, mijn Amerikaanse reisgenoot, beroepsmopperaar en — als je bereid bent de wetten van tijd, ruimte en gezond verstand tijdelijk buiten werking te stellen — de nogal ongelukkig uitgepakte reïncarnatie van mijn vader.

Waarom mijn vader na zijn overlijden uitgerekend terug zou keren als een chagrijnige oude Amerikaan weet ik niet. Misschien was er boven iets verkeerd gegaan bij de administratie. Verkeerd vakje aangekruist. Nationality: American. Temperament: difficult.

Klaar.

Walter.

Zelf zag hij het probleem niet.

“Could've been worse.”

‘Voor wie?’

“Shut up, Rob.”

Kijk.

Pa.

Maar goed, daar liepen we dus in Leeuwarden. Mijn vader had een deel van zijn vroege jeugd in Fryslân doorgebracht en juist daarom was ik de provincie steeds verder aan het ontdekken. Plaatsen bezoeken, herinneringen zoeken, mensen spreken. Een beetje geschiedenis, een beetje familieonderzoek en vooral kijken waar de dag me bracht.

Tot ik bij de Tourist Info een stempelpost van de Elfstedentocht zag staan.

Ik bleef staan.

Walter niet.

“It's a stamp, Rob.”

‘Ja.’

“People have those.”

‘Elf steden, Walter.’

“I can count.”

En toen gebeurde het. Zo'n gedachte waarvan je achteraf precies weet: hier had ik gewoon door moeten lopen.

Maar dat deed ik niet.

Waarom zou ik eigenlijk niet mijn eigen Elfstedentocht maken? Niet op schaatsen. Daar zou de organisatie waarschijnlijk al bij voorbaat bezwaar tegen hebben. Ook niet op de fiets. Mijn ambities moeten wel enigszins in overeenstemming blijven met mijn lichamelijke mogelijkheden en mijn gezonde verstand.

Nee.

Met de auto.

Elf Friese steden. Overal uitstappen, rondkijken, iets van de plaats proberen mee te krijgen, mensen ontmoeten en natuurlijk de stempels verzamelen.

Walter keek me aan.

“You're going to drive around Friesland collecting stamps?”

‘Ja.’

“On purpose?”

‘Ja.’

“Why?”

Dat was een uitstekende vraag.

Ik had alleen nog geen antwoord.

Maar een Huizinga met een idee heeft aan een reden meestal pas later behoefte.

Dus daar, in Leeuwarden, begon het. Geen startschot. Geen duizenden schaatsers. Geen ijs, geen rayonhoofden en niemand die vanaf de Bonkevaart riep dat it giet oan. Gewoon ik, Walter en een stempelpost.

En omdat ik er nou toch stond, kon ik net zo goed meteen beginnen.

Mijn eerste stempel.

Leeuwarden.

KLAK.

Zo.

Nu was er geen weg meer terug.

Walter keek naar het resultaat.

“Congratulations. You stamped a piece of paper.”

‘Dit is het begin van de Elfstedentocht.’

“We're in a car.”

‘Mijn Elfstedentocht.’

“This is ridiculous.”

‘Pa had het prachtig gevonden.’

Walter keek me even aan.

Stilte.

“Maybe.”

En daar zat precies de reden waarom dat spontane idee ineens veel meer werd dan een tocht langs elf Friese steden. Mijn vader was er niet meer, maar Fryslân hoorde bij een stukje van zijn verhaal. Hij had er als jongetje gewoond, er lagen herinneringen en familiegeschiedenis en ik was die steeds verder aan het terugzoeken. Dus als ik dan toch door die provincie reed, waarom zou ik die elf steden niet gebruiken als een soort kapstok voor een nieuwe reis?

Met Walter op de passagiersstoel als mijn cynische Amerikaanse bijrijder.

En ergens, heel diep daaronder, een beetje als Pa.

Vanaf dat moment was het officieel. Leeuwarden had het eerste stempel gezet. Er waren nog tien steden te gaan.

Ik keek naar Walter.

‘It giet oan.’

“What?”

‘We gaan.’

“Where?”

‘Geen idee.’

Hij zuchtte.

“Of course you don't.”

En zo begon mijn Elfstedentocht. Niet op het ijs, maar op gevoel. Niet met schaatsen, maar op vier wielen. En niet alleen.

Pa reed mee.

Alleen heette hij deze keer Walter.


2. FRANEKER (Frjentsjer) ['frjɛntsjər]

Franeker — stempelpost nummer twee

Na Leeuwarden was het tijd voor de tweede halte van mijn Elfstedentocht: Franeker. Of, nu ik toch bezig was met mijn versnelde Friese inburgering: Frjentsjer.

Walter keek op.

“What?”

‘Franeker.’

“Then why didn't you say Franeker?”

‘Omdat we in Fryslân zijn.’

“You people make everything difficult.”

Dat beloofde nog wat voor de resterende negen steden.

Vol goede moed ging ik naar het Keatsmuseum. Dat was sowieso geen straf. Sinds mijn bezoek aan de Frouljus PC in Weidum was het kaatsen ineens onderdeel geworden van mijn snel groeiende Friese culturele bagage. Ik liet me van alles vertellen over het keatsen, bekeek de attributen en probeerde opnieuw iets wijzer te worden van een sport waarvan ik enkele weken daarvoor nauwelijks meer wist dan dat er een klein, keihard balletje bij betrokken was.

Walter keek rond.

“So this is the sport where they hit that tiny ball with their bare hands?”

‘Ja.’

“Why?”

‘Traditie.’

“Gloves?”

‘Soms.’

“Frisians are weird.”

‘Dat zeggen zij waarschijnlijk ook over Amerikanen die elkaar met helmen op omver rennen.’

“That's different.”

Natuurlijk, Walter.

Maar ik kwam niet alleen voor mijn culturele ontwikkeling. Er moest gewerkt worden.

Stempel nummer twee.

Alleen...

Geen stempel.

‘Daarvoor moet je bij Museum Martena zijn, even verderop.’

Aha. Geen probleem. Mijn Elfstedentocht was tenslotte nog maar net begonnen. Een kleine omweg kon er nog wel bij.

Op naar Museum Martena.

‘Hebben jullie een stempel voor de Friese Elfstedentocht?’

Jawel.

Kijk, daar werd een mens vrolijk van.

De stempelkaart kwam tevoorschijn. Daarnaast natuurlijk het Fryske Paspoart dat inmiddels eveneens een vaste plaats in mijn Friese reisadministratie had gekregen.

Eerst het paspoart. Bij Museum Martena werd plechtig het Wapen der stad Franeker erin gezet.

KLAK.

Prachtig.

En daarna de stempelkaart.

KLAK.

Zo.

Franeker binnen.

Walter keek naar mijn tevreden gezicht.

“You drove to another city for two stamps.”

‘En het Keatsmuseum.’

“Two stamps and a museum about hitting a tiny ball.”

‘Cultuur, Walter.’

“Sure.”

Laat hem maar.

Want ik begon inmiddels te ontdekken dat zo'n stempel veel meer was dan alleen een afdruk op een kaart. Het werd een soort bewijsstuk van de dag. Leeuwarden had het idee geleverd en het eerste stempel gezet. Franeker voegde daar het kaatsen, het Keatsmuseum en Museum Martena aan toe.

En ineens stonden er twee steden op de kaart.

Nog negen te gaan.

Dat klinkt overzichtelijk.

Maar ik kende mezelf inmiddels goed genoeg om te weten dat het waarschijnlijk niet bij elf keer parkeren, stempelen en weer instappen zou blijven. Er zou onderweg vast wel weer ergens een winkel zijn waar ik iets absoluut noodzakelijks moest kopen, iemand met wie ik een praatje moest maken of een deur waarvan ik vond dat er aangebeld moest worden.

Walter keek me aan.

“Can we just do the next city normally?”

‘Natuurlijk.’

“Drive there, get the stamp and leave?”

‘Absoluut.’

Hij keek me wantrouwend aan.

“You're lying.”

Ik startte de auto.

Twee steden binnen.

Negen te gaan.

Welkom bij mijn Elfstedentocht, Walter.

En door.


3. DOKKUM (Dokkum) ['dɔkm]

Ter eere van het Huis van Oranje

Geschreven in den geest van 1939:

Heden, den 31sten Augustus, viert ons Nederlandsche volk den verjaardag van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau. Op dezen heuglijken dag zou Hare Majesteit den gezegenden leeftijd van 146 jaren hebben bereikt, ware het niet dat zij ons reeds vele jaren geleden ontvallen is.

Niettemin blijft deze datum voor mij verbonden met het Huis van Oranje, en het kwam mij daarom gepast voor dezen dag niet ongemerkt voorbij te laten gaan. Ik besloot mij naar de oude Friesche stad Dokkum te begeven, teneinde aldaar op mijn eigen wijze hulde te brengen aan Oranje en tegelijkertijd mijn tocht door het Friesche land voort te zetten.

Het weder werkte daarbij niet ten volle mede. Reeds van den vroegen morgen af was sprake van een gestadig komen en gaan van regenbuien, nu eens krachtig, dan weder wat minder. Doch een weinig hemelwater behoort den vastberaden reiziger niet van zijn voornemen af te brengen.

Derhalve werd koers gezet naar het hooge Noorden.

Dokkum zij het doel. Oranje zij geëerd.

Natuurlijk had Walter het hele verhaal zwijgend aangehoord. Dat alleen al had mij moeten waarschuwen. Uiteindelijk keek hij me aan alsof ik zojuist had voorgesteld om vrijwillig een mijnenveld binnen te wandelen.

“Really, Rob?”

‘Wat?’

“Dokkum? You're taking me to DOKKUM?”

‘Ja, Walter. Mooie oude Friese stad. Elfstedentocht. Oranje. Cultuur. Geschiedenis.’

Hij trok zijn mond scheef.

“History? You want history? They MURDER priests over there!”

‘Walter...’

“Boniface! Missionary guy. Came all the way over there to help these people, and what did the Frisians do?”

Hij maakte met zijn handen een weinig subtiel hakgebaar.

“WHAM! Dead!”

‘Dat was in 754, Walter.’

“Exactly! And you think they've changed?”

Ik probeerde hem gerust te stellen door erop te wijzen dat Dokkum tegenwoordig toch algemeen als behoorlijk veilig wordt beschouwd. Walter vertrouwde het voor geen meter.

“First you drag me to a place where people jump over ditches with sticks. Then they throw rock-hard balls at each other. Now we're going to a town famous for killing clergy. There's something wrong with these people, Rob.”

‘Het is cultuur, Walter.’

“It's a warning!”

Even bleef het stil. Walter keek door de voorruit naar de ruitenwissers, die alweer overuren maakten.

“And it's raining again.”

‘Dat hoort bij Fryslân.’

“Of course it does.”

Daar zat-ie dan. MAGA-cap op, armen over elkaar, op weg naar Dokkum alsof ik hem persoonlijk naar het front bracht.

“I'm staying in the car.”

‘Prima. Dan haal ik alleen het stempel.’

Walter keek nog één keer naar buiten, wantrouwend richting het noorden.

“Good. Less chance of getting murdered by monks.”

‘Priesters, Walter.’

“Whatever. Religious people with bad luck.”

Ik zuchtte en stuurde verder richting Dokkum.

Dokkum begon ineens een stuk minder gevaarlijk te klinken.


4. BOLSWARD (Boalsert) [’bɔlzət]

Bolsward — stempelpost nummer vier

Bolsward. Mijn vierde stempelpost. Maar wat heb ik eigenlijk met Bolsward?

Hmm...

Eerlijk gezegd had ik me nog veel te weinig in de stad zelf verdiept. Mijn eerste bezoek was vooral ontstaan door omstandigheden. Het regende, ik was na mijn kennismaking met het kaatsen op zoek naar zo'n echte Friese kaatsbal en daardoor belandde ik bij Van der Feer. Even later volgde De Ossekop, de Friese souvenirs en inmiddels kennen we die verhalen wel.

Maar Bolsward zelf?

Ik had er Friese goodies gekocht, mensen gesproken en blijkbaar voldoende reden gevonden om terug te komen, maar tijdens dat eerste bezoek had ik nog helemaal niet het plan om een eigen Elfstedentocht te gaan rijden. Dat kwam later.

Maar nu was ik terug en ditmaal stond Bolsward officieel op mijn route. Stempelpost nummer vier. Dus werd het misschien eens tijd om niet alleen naar winkels, kaatsballen, aaierballen en souvenirs te kijken, maar ook naar de stad zelf. Want wat was Bolsward eigenlijk méér dan handel?

Tijdens mijn eerste bezoek was me al iets opgevallen. Ik kwam de stad binnen en de weg begon zo'n beetje vanzelf langs het water en de huizen te slingeren. Niet omdat ik een toeristische route had uitgezocht of omdat ik dacht: laat ik eens schilderachtig gaan rijden.

Nee. Zo liep die weg gewoon.

Links. Rechts. Een beetje mee met het water. Geen rechte lijn, maar ook weer niet echt een cirkel. Meer een soort vriendelijke meander waarbij je als buitenstaander na een tijdje denkt: volgens mij ga ik nog steeds vooruit.

Ik wist niet helemaal wat ik ervan moest vinden, maar leuk binnenkomen was het wél.

En toen zag ik natuurlijk Sonnema.

Aha.

Beerenburg.

Misschien verklaarde dat meteen dat geslinger.

Walter keek me aan.

“So you're saying they designed the roads after drinking?”

‘Dat zeg ik niet.’

“You just did.”

‘Ik opper slechts een mogelijke historische verklaring.’

“That's exactly what you did with the cows under the tower.”

Sinds de Martinitoren begint die man gevaarlijk goed op te letten.

De eerste keer werkte het weer niet echt mee en mijn missie was toen veel eenvoudiger: een kaatsballetje halen, wat rondkijken en weer verder. Bovendien had ik er niet gegeten. Dat is achteraf misschien maar goed ook, want toen had ik nog geen aaierballen bij me. Stel je voor dat je in Bolsward iets gaat eten terwijl er niet eens een Groninger aaierbal binnen handbereik is. Je moet een culturele uitwisseling natuurlijk wel een beetje verantwoord opbouwen.

Maar voor handel en leuke producten kun je in Bolsward uitstekend terecht. Dat heb ik inmiddels persoonlijk uitgebreid vastgesteld. Sterker nog: ik kan blijkbaar nauwelijks door Bolsward lopen zonder met iets terug te komen. Een kaatsbal hier, een Fries souvenir daar, nog een hebbedingetje waarvan ik vijf minuten eerder niet wist dat ik het nodig had...

Ik kan er prima shoppen. Ik wel tenminste.

Walter noemt het inmiddels geen winkelen meer.

“You collect evidence.”

‘Souvenirs.’

“Evidence that you can't walk past a shop.”

Ook een manier om ernaar te kijken.

Maar vandaag ging het niet alleen om handel. Vandaag ging het om iets minstens zo belangrijk: de stempels. Mijn vierde officiële halte moest worden vastgelegd. Stempelkaart erbij. Fryske Paspoart erbij. De administratie kon weer worden bijgewerkt.

En toen kwam het mooiste.

Ik mocht de stempels zelf zetten.

Ho. Wacht even.

Zelf?

Jazeker.

Kijk, dan geef je een man als ik natuurlijk verantwoordelijkheid die je misschien beter niet kunt geven. Ik kreeg het stempel in handen en voelde me onmiddellijk gepromoveerd van toerist tot tijdelijk medewerker van de Friese Elfstedentocht.

Goed kijken. Kaart recht. Stempel recht. Niet verschuiven. Niet dubbel.

En...

KLAK.

Prachtig.

Nog eentje voor het Fryske Paspoart.

KLAK.

Ik keek ernaar.

Wow.

Walter stond erbij alsof ik zojuist mijn eigen parkeerkaart had afgestempeld.

“You stamped a piece of paper.”

‘Zelf, Walter.’

“Congratulations.”

‘Dit is cultureel erfgoed.’

“It's ink.”

Laat hem maar.

Hij begrijpt niet dat zo'n stempel inmiddels veel meer is dan een afdrukje. Iedere plaats krijgt onderweg zijn eigen verhaal.

En Bolsward?

Bolsward werd voor mij steeds meer handel én hartelijkheid. Van der Feer. De Ossekop. Een kaatsbal. Friese souvenirs. Groninger koek. Tien gekoelde aaierballen. Gratis parkeren en gesprekken die langer duren dan waarvoor je eigenlijk binnenkwam.

Misschien had ik me inderdaad nog te weinig verdiept in de geschiedenis van Bolsward. Misschien moest ik daar later nog maar eens werk van maken. Maar één ding begon ik tijdens deze tocht steeds beter te begrijpen: je leert een stad niet alleen kennen uit een geschiedenisboek. Soms begint het gewoon met een weg die langs het water slingert, een winkel waar je binnenloopt voor één kaatsbal en een stempel dat je onverwacht zelf in handen gedrukt krijgt.

En voor je het weet denk je:

Hé, ik vind het hier eigenlijk hartstikke leuk.

Ik keek nog één keer naar mijn verse stempels.

Bolsward: binnen. Nummer vier.

En die slingerende wegen?

Ach. Misschien lag het helemaal niet aan de Beerenburg.

Maar voor de zekerheid liet ik Walter rijden.

“I don't have a driver's license.”

...

Goed punt.

Dan slingeren we zelf wel verder.


5. Workum (Warkum) [varkm]

Workum — op zoek naar de drabbelkoek

Workum. Wat had ik eigenlijk met Workum, anders dan dat ik er een stempel moest halen?

Niets.

Euh... wacht even.

Fryske drabbelkoeke.

Friese wát? Drabbelkoeken? Wat zijn dat nou weer?

Vertel Rob... vertellllllll...

Vrij naar stadgenoot Bert Visscher.

Nou, drabbelkoeken dus. En daarvoor moeten we even terug naar mijn vader. Die noemde ze namelijk geregeld. In de jaren negentig, toen ik in Leeuwarden werkte, nam ik ze weleens voor hem mee. Van een bakkerij in het centrum. In zo'n mooi blik van Haga, met daarop een rijtuig, Friese paarden en mensen in kostuum. Alleen het blik was eigenlijk al een stukje Fryslân voor thuis.

Maar het ging natuurlijk om wat erin zat: drabbelkoeken. Een merkwaardig soort koek waarvan de naam nou niet onmiddellijk doet vermoeden dat je er voor je plezier je tanden in zet. Drabbel. Het klinkt eerder als iets wat je na een flinke regenbui onder je schoenen aantreft.

Maar lekker waren ze wel.

De koeken zaten zorgvuldig in papier verpakt om ze een beetje te beschermen, want stevig kon je ze bepaald niet noemen. Drabbelkoeken waren poreus en broos. Eén verkeerde beweging en je had geen koek meer, maar een blik vol Friese kruimels.

Walter keek bedenkelijk.

“So it's a cookie that falls apart before you eat it?”

‘Ambachtelijk, Walter.’

“Broken.”

‘Broos.’

“Broken.”

Laat maar.

Haga kwam uit Sneek, dus toen ik tijdens mijn huidige Friese ontdekkingstocht weer aan die drabbelkoeken moest denken, lag Sneek eigenlijk voor de hand. Daar kwam dat bekende blik tenslotte vandaan. Kwam... ooit eens.

Maar mijn speurtocht op internet bracht me ergens anders: Workum.

Daar zat bakkerij Van der Werf, die de Fryske drabbelkoeke nog op ambachtelijke wijze zou maken. Tenminste, dat dacht ik uit mijn digitale huiswerk te kunnen opmaken. Verschillende sporen wezen naar Workum.

Kortom: the place to be.

En kijk, dan moet je bij mij natuurlijk niet zeggen dat ergens in Fryslân nog een koek wordt gemaakt die mijn vader vroeger graag at. Dan is het klaar.

Daar gaan we heen.

Walter kon protesteren wat hij wilde.

“We're driving to another city for a cookie?”

‘Niet zomaar een koek. Een drabbelkoek.’

“That doesn't make it better.”

‘Mijn vader vond ze lekker.’

Stilte.

Daar had zelfs Walter even niets op terug.

Dus Workum kreeg opeens meer betekenis dan alleen het volgende vakje op mijn stempelkaart. Ik ging niet alleen voor een KLAK op een stukje papier. Ik ging op zoek naar iets wat ik tientallen jaren geleden vanuit Leeuwarden voor mijn vader meenam.

Een smaak uit de jaren negentig.

Een blik op tafel.

Een herinnering.

En misschien kon ik er nu opnieuw eentje meenemen. Niet meer vóór hem, maar wel vanwege hem.

Op naar de bakkerij.

Alleen bleek daar dat mijn speurwerk één klein probleempje had. Bakkerij Van der Werf was inmiddels Bakkerij Breimer geworden. Geen probleem natuurlijk. Een bakker blijft een bakker. De naam op de gevel verandert, maar zolang de oven warm is, houd ik hoop.

‘Drabbelkoeken?’

Nee.

Die maakten ze niet meer.

...

Pardon?

Geen drabbelkoeken?

Onder het nieuwe management waagden ze zich er niet meer aan. Het maken ervan was simpelweg te bewerkelijk en te arbeidsintensief.

Daar stond ik dan. Helemaal naar Workum gereden voor een koek die er niet meer werd gemaakt.

Walter keek me aan.

Ik zag hem al beginnen.

‘Geen woord.’

“I didn't say anything.”

‘Maar je dacht het.’

“Oh, absolutely.”

En ergens vond ik het oprecht jammer. Want daarmee verdwijnt toch weer zo'n klein stukje eetcultuur. Niet iets groots waarvoor de vlag halfstok gaat of de burgemeester een toespraak houdt.

Gewoon een koek.

Maar wel eentje met een naam, een verhaal en voor mij een herinnering aan mijn vader.

Hij noemde ze.

Ik nam ze mee.

We aten ze.

En tientallen jaren later rijd ik door Fryslân om te ontdekken dat niemand ze daar nog voor me in zo'n vertrouwd blik kan stoppen.

De Fryske drabbelkoeke is uitgedrabbeld.

Fryslân — en daarmee de rest van de wereld — zal het voorlopig zonder moeten stellen.


6. HINDELOOPEN (Hylpen) [hilpn]

Hindeloopen — kort maar raak

En zo stond ik diezelfde dag ineens aan de boorden van het IJsselmeer, in Hindeloopen. Een schilderachtig stadje waar water en wind een behoorlijk woordje meespreken.

Ik was er nog nooit geweest en, eerlijk is eerlijk, ik had me vooraf ook niet echt in Hindeloopen verdiept. Het stond op mijn route en er moest een stempel worden gehaald. Dat was op dat moment voldoende wetenschappelijke onderbouwing voor mijn bezoek.

Natuurlijk kende ik wel het beroemde Hindeloper schilderwerk. Van die rijk beschilderde meubels en voorwerpen waarvan je onmiddellijk ziet: daar heeft iemand aanzienlijk meer geduld voor gehad dan ik ooit zal opbrengen.

Maar verder?

Blanco.

Walter keek naar buiten.

“So what's the plan?”

‘Hindeloopen.’

“That's a place, not a plan.”

‘We gaan naar het museum voor de stempels.’

“Ah. So there is no plan.”

Precies.

Ik parkeerde bij de haven en twee minuten later stond ik bij de brug.

Nou ja...

Twee minuten voor normale mensen. Vier voor mij.

Maar daar stond ik dan. En als je vanaf zo'n brug eens rustig naar de huizen en het water kijkt, moet je toch toegeven dat ze het hier aardig voor elkaar hebben. Mooie gevels, leuke straatjes, water ertussen en overal van die kleine doorkijkjes waardoor je telkens denkt: hé, daar moet ik eigenlijk ook nog even kijken.

Dat is het verraderlijke van zo'n plaatsje. Op de kaart lijkt het misschien klein, maar zodra je er rondloopt, ontdek je achter iedere hoek weer iets nieuws. Een straatje, een gevel, een bruggetje, een stukje haven. En ondertussen ligt daar aan de rand dat enorme IJsselmeer, waardoor Hindeloopen meteen iets heel eigens krijgt.

Het Museum Hindeloopen was mijn officiële doel. Daar moesten de stempels vandaan komen. En een Huizinga op Elfstedentocht laat zich natuurlijk niet afleiden door mooie straatjes, historische gevels, water en schilderachtige doorkijkjes.

Nou ja...

Een beetje dan.

Uiteindelijk bereikte ik het museum. Stempelkaart tevoorschijn, Fryske Paspoart erbij en daar klonk inmiddels dat vertrouwde geluid weer.

KLAK.

En nog eentje.

KLAK.

Kijk.

Missie geslaagd.

Walter keek naar de stempels.

“That's it?”

‘Dat is het.’

“We drove all the way here for two stamps?”

‘Nee, Walter. We hebben ook Hindeloopen gezien.’

“For four minutes?”

‘Langer.’

“Six?”

Hou toch op.

Eenmaal officieel voorzien van mijn stempels maakte ik inderdaad alweer vrij snel rechtsomkeert. De volgende halte wachtte en deze Elfstedentocht moest tenslotte ook een beetje voortgang boeken.

Mijn kennismaking met Hindeloopen was dus kort. Eigenlijk veel te kort om te kunnen zeggen dat ik het stadje echt had leren kennen. Daarvoor moet ik nog maar eens terugkomen. Zonder stempeldwang, met wat meer tijd om door de straatjes te dwalen en misschien dat beroemde Hindeloper schilderwerk eens wat beter te bekijken.

Maar voor deze dag telde het resultaat.

Nog nooit geweest. Even rondgekeken. Een prachtige plek aan het IJsselmeer ontdekt. Stempels binnen.

Hindeloopen: kort bezoek, succesvolle missie.

Walter keek naar de stempelkaart.

“Next?”

‘Next.’

En door.

Want Fryslân had nog een paar lege vakjes voor me in petto.


7. HARLINGEN (Harns) [ha:ⁿs]

Harlingen — stad aan de Waddenzee

Ik bleef nog even in de buurt van het water, maar schoof een flink stuk noordelijker op: Harlingen. Daar was ik al een aantal keren eerder geweest, met de auto maar ook met de trein. De stad was me dus niet onbekend.

Harlingen heeft om een heel specifieke reden mijn belangstelling. Hier is de Noord Nederlandse Wegenbouw Maatschappij ontstaan, het bedrijf waar mijn opa later werkte. Daarmee ligt er in Harlingen een stukje familiegeschiedenis dat ik nog verder wil uitzoeken. Waar begon dat bedrijf precies? Waar zat het? Wat is er nog van terug te vinden? Misschien zijn er nog plekken, foto’s of documenten die iets vertellen over die beginperiode.

Maar daarvoor kwam ik deze keer niet.

Vandaag was de opdracht aanzienlijk eenvoudiger:

stempels halen.

Walter keek op.

“That's it?”

‘Voor vandaag wel.’

“No research?”

‘Nee.’

“No old buildings?”

‘Nee.’

“No ringing doorbells?”

‘Walter...’

“I'm just checking.”

Harlingen was op deze dag dus vooral een tussenstation. Stempel halen, even rondkijken en door. Dat deed de stad eigenlijk een beetje tekort, want juist vanwege die geschiedenis van de Noord Nederlandse Wegenbouw Maatschappij wil ik hier nog eens uitgebreider terugkomen.

Harlingen was voor vandaag een stempelpost. De familiegeschiedenis bewaren we voor een volgende keer.

Op het moment dat ik er rondliep, was er vooral volop bedrijvigheid in de winkelstraat. Mensen, winkels, beweging. Een heel andere sfeer dan het rustieke Hindeloopen, waar ik kort daarvoor nog tussen water, bruggetjes en kleine straatjes had gelopen.

Hindeloopen leek te zeggen:

kijk rustig om je heen.

Harlingen eerder:

doorlopen, jong. Hier gebeurt wat.

Prima.

Dat kwam goed uit, want deze Elfstedentocht moest ook nog een beetje vooruit.

Stempelkaart tevoorschijn. Fryske Paspoart erbij.

Inmiddels kende ik de procedure.

KLAK.

En nog eentje.

KLAK.

Harlingen binnen.

Walter keek verbaasd toen ik daarna alweer richting auto ging.

“We're leaving already?”

‘Ja.’

“No shopping?”

‘Nee.’

“No cake?”

‘Nee.’

“No random door?”

‘Nee.’

Hij keek me onderzoekend aan.

“Are you feeling okay?”

‘Prima.’

“This is not like you.”

Daar had hij misschien een punt.

Geen winkel waar ik iets kocht waarvan ik vijf minuten eerder nog niet wist dat het bestond. Geen Groninger koek die diplomatiek over de provinciegrens werd ingezet. Geen ding-dong bij een willekeurige voordeur omdat daar volgens een vage aanwijzing misschien iemand woonde die iets wist.

Gewoon naar Harlingen.

Stempelen.

Even rondkijken.

En weer verder.

Bijna professioneel.

Walter keek nog steeds wantrouwend.

“I don't trust this.”

‘Je hoeft niet overal iets achter te zoeken, Walter.’

“I know you.”

Daar moest ik hem dan weer gelijk in geven.

Voor Harlingen was dit bezoek in ieder geval slechts een eerste kennismaking binnen deze Elfstedentocht. De familiegeschiedenis lag hier nog te wachten en daar wilde ik later uitgebreider induiken. Dan mochten de oude adressen, archieven en misschien zelfs weer een deurbel aan bod komen.

Maar voor vandaag telde het resultaat.

Harlingen: stempelpost nummer zeven.

Zeven van de elf steden stonden inmiddels op de kaart.

Nog vier te gaan:

Sneek. IJlst. Sloten. Stavoren.

Walter keek naar de stempelkaart.

“Four more?”

‘Vier.’

“And then we're done?”

‘Dan zijn alle elf steden compleet.’

Hij knikte zowaar goedkeurend.

“Finally. A plan I understand.”

‘Mooi. Houden we het daarop.’

Vier steden te gaan.

En door.


8. SNEEK (Snits) [snɪts]

Da's nog het enige kaartje wat we hebben met 'Sneek' er op, ja in de winter (!)

Sneek — wintertijd?

Na regen en wind begon Sneek zowaar ontspannen. Niet omdat het ineens prachtig weer was — het regende nog steeds — maar omdat ik deze keer eens ruim in de tijd zat.

Toen ik Sneek binnenreed, duurde het nog zo'n anderhalf uur voordat het Scheepvaartmuseum zijn deuren zou openen. En laat daar nou precies het stempel liggen waarvoor ik kwam.

Anderhalf uur.

Walter keek op.

“So we're early?”

‘Ruim.’

“You?”

‘Ja, Walter.’

“Are you sure we're in the right city?”

Ook weer zo.

Maar goed, anderhalf uur wachten in de auto was ook zo wat. Een 11Fountains-fontein kon ik zo snel niet ontdekken, maar daar kwam ik eerlijk gezegd ook niet voor. Bovendien viel er al genoeg water uit de lucht.

Dus paraplu open en maar eens rustig het centrum in.

Geen haast. Geen strak programma. Gewoon een beetje rondkijken.

En zoals dat bij mij wel vaker gaat, duurde het niet lang voordat ik een boekhandel binnenliep. Daar vond ik wat briefkaarten. Kijk, daar kan ik dan weer moeilijk vanaf blijven. Een kaartje van een plaats waar je daadwerkelijk bent geweest, heeft toch iets leukers dan een haastig digitaal berichtje.

Walter keek naar mijn aankoop.

“More souvenirs?”

‘Briefkaarten.’

“Paper souvenirs.”

‘Ik ga ze versturen.’

“So you buy them and then give them away?”

‘Dat heet post.’

Hij schudde zijn hoofd.

“Terrible business model.”

Met de kaarten op zak werd het tijd om ook even voor de innerlijke mens te zorgen. Een natje en een droogje, maar ditmaal gelukkig het soort nat waarvoor je géén paraplu nodig hebt.

Ik ging zitten, haalde de kaarten tevoorschijn en begon te schrijven.

Eigenlijk was het best aangenaam. Buiten tikte de regen door, binnen zat ik rustig mijn briefkaarten vol te schrijven en ondertussen schoof de klok vanzelf richting elf uur.

Walter keek mee.

“You know phones exist, right?”

‘Een appje heeft geen postzegel.’

“Exactly. Saves money.”

Sommige dingen moet je een Amerikaan niet proberen uit te leggen.

Tegen elven was het tijd voor het echte werk.

Op naar het Scheepvaartmuseum.

Daar kon eindelijk de administratie worden bijgewerkt. Stempelkaart erbij. Fryske Paspoart erbij.

En...

KLAK.

Nog eentje.

KLAK.

Sneek binnen.

Maar natuurlijk kon ik een scheepvaartmuseum niet verlaten met alleen twee verse stempels. Ik kwam ook nog een leuke botter tegen die kennelijk vond dat hij mee naar Groningen moest.

Walter keek naar mijn nieuwste aanwinst.

“You bought a boat?”

‘Een botter.’

“That's a boat.”

‘Ja, maar een botter.’

Hij keek ernaar.

“Does it float?”

‘Daar gaat het niet om.’

“Then it's not a very good boat.”

Laat maar.

Ik had mijn stempels, een botter, een paar geschreven briefkaarten en ondertussen ook nog iets van Sneek gezien. Niet slecht voor een ochtend die voornamelijk was begonnen met anderhalf uur wachten op een museumdeur.

En die fontein?

Niet gezien.

Ook niet naar gezocht.

Het regende al genoeg.

Sneek kon op de stempelkaart worden afgevinkt.

Walter keek naar de volgende bestemming.

“Next?”

‘Next.’

Paraplu weer opbergen, botter veilig aan boord en de motor starten.

Op naar de volgende stempelpost.


9. SLOTEN (Sleat) [slɪ.ət]

Sloten — stempelen tussen de buien

En toen Sloten.

Het kleinste stadje van de Elfstedentocht. Dat klonk overzichtelijk. Klein stadje, stempel halen, beetje rondkijken en weer verder.

Alleen had het weer andere plannen.

Regen. Wind. Guur. Nat.

Zo'n dag waarop je niet door een historisch Fries stadje wandelt, maar je van droge plek naar droge plek verplaatst en onderweg probeert niet volledig onderdeel te worden van de plaatselijke waterhuishouding.

Walter keek door de voorruit.

“We're getting out in this?”

‘We moeten een stempel halen.’

“We have a car.”

‘Het museum heeft het stempel.’

“Then drive into the museum.”

Soms komt die man met oplossingen waar je praktisch gezien weinig aan hebt.

Ik had Museum Sloten gevonden en daarmee was het doel tenminste gelokaliseerd. Nu alleen nog van de auto naar het museum.

Even snel erheen.

Nou ja...

Snel is bij mij een betrekkelijk begrip.

De afstand mocht dan niet groot zijn, regen en wind weten iedere meter aanzienlijk langer te maken. Dus jas dicht, hoofd omlaag en gaan.

Eenmaal binnen kon de inmiddels vertrouwde administratie weer tevoorschijn.

Stempelkaart.

Fryske Paspoart.

En...

KLAK.

Kijk.

Daarvoor waren we gekomen.

Nu ik er toch was, wilde ik nog één belangrijk etnografisch vraagstuk oplossen. Want hoe noem je eigenlijk iemand uit Sloten?

Een Sloter?

Een Slotenaar?

Misschien iets heel anders?

Ik vroeg het nog bij het museum, maar een antwoord waarmee ik het vraagstuk definitief kon afsluiten, leverde dat niet op. Dus bleef ook na mijn bezoek één van de grote raadsels van deze Elfstedentocht onopgelost.

Walter keek me aan.

“Why do you need to know?”

‘Algemene ontwikkeling.’

“You came here for a stamp.”

‘Een mens mag toch iets leren onderweg?’

“You learned it's raining.”

Dat was inderdaad inmiddels wetenschappelijk vastgesteld.

Veel verder kwam mijn culturele onderzoek in Sloten deze keer dan ook niet. Ik zag in ieder geval een kanon, wat een stadje van dit formaat meteen een zekere weerbaarheid geeft. Klein misschien, maar kennelijk niet geheel onvoorbereid op bezoek van buitenaf.

Walter zag het ook.

“They have a cannon?”

‘Ja.’

“See? I keep telling you about these Frisians.”

‘Dat ding staat er niet voor jou.’

“How do you know?”

Goed punt. Doorlopen.

Van de 11Fountains-fontein kreeg ik deze keer niets mee. Misschien stond hij ergens heel fotogeniek te wezen, maar met dit weer had ik weinig behoefte aan een zoektocht naar nóg meer water. Daar had Sloten op dat moment namelijk al ruim voldoende van.

Terug naar de auto dus.

Toen ik daarna door het stadje reed, bleek pas echt hoe klein Sloten is. Je bent er nog maar nauwelijks van overtuigd dat je erin bent...

...en voor je het weet ben je er alweer uit.

Walter keek achterom.

“Was that it?”

‘Dat was Sloten.’

“The whole city?”

‘Volgens mij wel.’

“I blinked.”

‘Eigen schuld.’

Eigenlijk verdiende Sloten natuurlijk een betere kennismaking. Met droog weer, wat minder haast en tijd om rustig rond te kijken naar wat er achter die regen verscholen lag. Maar deze dag zat dat er eenvoudig niet in.

Dus moest ik het doen met wat Sloten me wél had gegeven: een museum, een stempel, minstens één kanon, een onopgelost inwonersvraagstuk en vooral heel veel water.

Sloten: klein, guur, doorweekt — maar afgestempeld.

Walter zette de verwarming wat hoger.

“Next city better be indoors.”

Ik startte de auto.

En door.


10. STAVOREN (Starum) [’sta:rəm]

Stavoren — vooooooooooooor de wind

Na Sloten werd het weer er niet bepaald beter op. Sterker nog: Stavoren leek gewoon verder te gaan waar Sloten was opgehouden.

Regen.

Wind.

En vooral die wind.

Want hier kwam hij strak vanaf het IJsselmeer aanzetten. Niet zo'n vriendelijk briesje waarbij je denkt: lekker hoor, even uitwaaien. Nee, dit was wind die duidelijk haast had en Stavoren toevallig op zijn route vond.

Walter keek naar buiten.

“We're getting out again?”

‘Ja.’

“In this?”

‘Stempel.’

“Of course.”

Gelukkig heeft Stavoren al eeuwen ervaring met water en wind. Het is tenslotte een havenstad, groot geworden door handel en scheepvaart. Tegenwoordig ligt de haven vooral vol met zeilboten. Uit ‘Holland’, maar ook uit het buitenland. Mensen die blijkbaar vrijwillig het water op gaan bij omstandigheden waarbij ik vooral blij was dat mijn auto vier deuren en een dak had.

En natuurlijk stond daar ook de Vrouwe van Stavoren.

Het is maar goed dat ze zo ongeveer met haar sokkel vergroeid is, want wat dat mens daar dagelijks voor haar kiezen krijgt...

Walter keek naar haar.

“She's been standing there long?”

‘Al een tijdje.’

“In this wind?”

‘Ja.’

“Tough woman.”

Kijk.

Daar kon ik het alleen maar mee eens zijn.

Maar Stavoren had nóg iets voor ons in petto. Want bij de vis trof ik opnieuw een exemplaar uit de serie 11Fountains.

Ik keek.

Walter keek.

Ik keek nog eens.

Walter was sneller.

“Hideous.”

‘Ja, Walter.’

“Again.”

‘Ik weet het.’

“Who keeps approving these things?”

En daar zat ik inmiddels toch een beetje mee. Want op zichzelf vond ik die vis helemaal geen verkeerd beeld. Zet hem in een waterpark — of vooruit, een waterparc voor de internationale allure — en ik zou zeggen: prima ding. Kinderen eromheen, water erbij, beetje spetteren.

Leuk.

Maar als officieel kunstwerk binnen het project van de elf steden?

Tja.

Dan werd het mij toch weer wat te kitscherig.

Maar smaken verschillen. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die er speciaal voor komen, hem prachtig vinden en er enthousiast foto's van maken. En uiteindelijk hadden Walter en ik er opnieuw uitgebreid naar staan kijken en er een mening over gevormd.

Dus ook deze fontein deed kennelijk precies wat kunst hoort te doen.

Walter keek nog één keer.

“Still ugly.”

Nou ja.

Bijna precies.

Maar ik was niet naar Stavoren gekomen om de Friese openbare kunst van deskundig commentaar te voorzien. Er moest ook nog gewerkt worden.

Op naar de Tourist Info.

Even naar binnen, stempelkaart tevoorschijn, Fryske Paspoart erbij en daar kwam-ie weer:

KLAK.

En nog eentje.

KLAK.

Stavoren binnen.

Ik maakte nog even een praatje, at wat en daarna was het alweer tijd om verder te gaan. Veel langer buiten rondhangen was met dit weer trouwens ook geen aantrekkelijk vooruitzicht.

Walter keek richting IJsselmeer.

“Which way are we going?”

Ik voelde de wind nog één keer tegen me aanduwen.

‘Die kant op.’

“Why?”

‘Omdat de wind daarheen wil.’

En als zelfs het IJsselmeer je een zetje in de rug geeft, moet je daar niet moeilijk over doen.

Dus weg uit Stavoren.

Niet tegen de wind in.

Niet dwars erop.

Maar...

vooooooooooooorrrrr de wind!


11. IJLST (Drylts) [drilts]

IJlst — de laatste stempel

En toen kwam IJlst.

Mijn laatste stempelplaats.

Na al die kilometers, steden, musea, omwegen en vooral heel veel KLAK moest hier het laatste lege vakje op mijn stempelkaart worden gevuld.

IJlst kende ik vooral als een stadje met een bijzondere geschiedenis in de houtbewerking en houtindustrie. En dat verleden hoefde je hier niet met veel fantasie op te zoeken. Vlak bij de stempelpost stond een houtzaagmolen. Kijk, daar houd ik van. Zo'n plek vertelt eigenlijk vanzelf waarom een stad geworden is zoals hij is.

Walter keek naar de molen.

“They actually used that to saw wood?”

‘Ja.’

“Useful.”

Ho.

Wacht even.

Was dat een compliment?

‘Walter, zei jij nou iets positiefs?’

“Don't make a thing out of it.”

Goed. Doorlopen.

Want in het zicht van al dat historische houtgeweld stond nóg iets wat de aandacht trok: de 11Fountains-fontein van IJlst.

Tja.

Kijk, met een mooie fontein is natuurlijk helemaal niets mis. Water doet het altijd goed in een stad. Beetje spetteren, zon erop, bankje erbij. Prima.

Maar tijdens mijn tocht was ik inmiddels al een paar van die Elfstedenfonteinen tegengekomen en ik begon te vermoeden dat mijn persoonlijke smaak en die van de bedenkers niet helemaal op dezelfde golflengte zaten.

Ook hier in IJlst keek ik ernaar.

Nog een keer.

Misschien van een iets andere kant.

Nee.

Walter hoefde aanzienlijk minder lang na te denken.

“Hideous.”

‘Walter...’

“Ugly as hell.”

‘Het is kunst.’

“That doesn't make it less ugly.”

Daar zit natuurlijk het probleem met kunst. De één ziet een bijzonder kunstwerk, de ander ziet vooral iets waarvan hij zich afvraagt wie tijdens de vergadering als eerste heeft gezegd:

Ja. Dít moeten we doen.

Persoonlijk vind ik sommige van die fonteinen gewoon wat te kitscherig. Niet mijn smaak. Maar goed, dat zegt uiteindelijk net zoveel over mij als over die fonteinen. Ze zullen ongetwijfeld hun liefhebbers hebben, mensen trekken en misschien zelfs precies doen waarvoor ze bedoeld zijn: zorgen dat je blijft staan, kijkt en er iets van vindt.

Nou.

Dat was gelukt.

Walter keek nog eens om.

“Still ugly.”

‘We weten het nu wel.’

“Just making sure.”

Gelukkig was ik niet naar IJlst gekomen om als internationaal erkend fonteinenrecensent op te treden. Er moest nog iets veel belangrijkers gebeuren.

De stempelkaart kwam tevoorschijn.

Nog één leeg vakje.

Na Leeuwarden, Franeker, Dokkum, Bolsward en alle steden die daarna waren gevolgd, was dit hem dan.

De laatste.

Stempel gereed.

Kaart goed leggen.

Even kijken.

En...

KLAK.

Ik keek naar de kaart.

Vol.

Alle elf steden.

Walter keek mee.

“That's it?”

‘Dat is het.’

“No empty boxes?”

‘Geen één.’

Hij knikte.

“So we can go home now?”

‘Ja, Walter.’

Even bleef het stil.

Achter ons de geschiedenis van IJlst in hout en houtzaagmolen. In de buurt een fontein waar Walter en ik artistiek gezien waarschijnlijk nooit vrienden mee zouden worden. En in mijn handen een eenvoudig stukje karton dat inmiddels elf afdrukken droeg.

Geen ijs.

Geen schaatsen.

Geen barre winter.

Gewoon mijn eigen Elfstedentocht, op vier wielen en met onderweg veel meer verhalen dan ik bij het eerste stempel ooit had kunnen bedenken.

Ik keek nog één keer naar het laatste stempel.

IJlst: binnen.

Missie voltooid.

Walter keek richting de fontein.

“Can we leave before they build another one?”

‘Rijden, Walter.’

Elf steden. Elf stempels. Klaar.


FINISH

Als kers op de taart — het Elfstedenkruisje

En toen was het klaar.

Elf steden. Elf stempels. Heel wat kilometers, regen, wind, musea, omwegen, souvenirs en natuurlijk een Walter die gedurende de hele onderneming regelmatig heeft geprobeerd vast te stellen waarom een volwassen Groninger vrijwillig door Fryslân reed om KLAK na KLAK op een stukje karton te verzamelen.

Maar na het behalen van het laatste stempel wachtte nog iets.

Het Elfstedenkruisje.

Nou ja, voordat de echte schaatsers nu massaal beginnen te steigeren: de toeristenversie natuurlijk. Ik had geen tweehonderd kilometer over natuurijs geschaatst, geen bevroren tenen opgelopen en was nergens op handen en knieën onder een brug door gekropen. Mijn grootste ontberingen waren regen, wind en een paar fonteinen waarover Walter een uitgesproken mening had.

Maar toch.

Daar lag-ie.

Mijn eigen Elfstedenkruisje.

Na al die steden voelde het toch een beetje als de kers op de taart. Geen olympische medaille, geen koninklijke onderscheiding, maar gewoon een klein tastbaar bewijs dat mijn spontane idee daadwerkelijk was uitgevoerd.

Walter keek ernaar.

“That's it?”

‘Het Elfstedenkruisje.’

“It's tiny.”

‘Het gaat om de prestatie.’

Hij snoof.

“Rob, I've been in 'Nam.”

Ho.

Wacht even.

‘In Vietnam?’

“I said 'Nam.”

‘Ja, dat hoorde ik. Maar wat deed je daar?’

Stilte.

“Things.”

‘Welke dingen?’

“You wouldn't understand.”

Aha.

Nu werd het interessant.

‘Walter, zat jij in de Vietnamoorlog?’

Hij keek strak voor zich uit.

“I was in 'Nam.”

‘Dat is geen antwoord.’

“That's all you need to know.”

Ik bekeek hem eens goed. Dit begon verdacht veel te klinken als iemand die ooit drie weken vakantie had gevierd in een hotel in Da Nang en daar vijftig jaar later een oorlogstrauma van had gemaakt.

‘Was je daar met het leger?’

“Next question.”

‘Vakantie?’

“Shut up, Rob.”

Duidelijk.

Volgens mij blufte hij maar wat.

Ik liet hem verder in zijn mysterieuze verleden en keek nog eens naar mijn kruisje.

Want Walter mocht dan in 'Nam zijn geweest — oorlog, vakantie of misschien alleen in zijn eigen herinnering — ik had mijn Elfstedentocht volbracht.

Op vier wielen.

Elf steden.

Elf stempels.

En als kers op de taart:

het Elfstedenkruisje.

De toeristenversie.

Maar wel míjn toeristenversie.

Walter keek nog één keer opzij.

“In 'Nam we didn't get medals for collecting stamps.”

‘Nee, Walter.’

Ik borg het kruisje zorgvuldig op.

‘Maar jullie hadden dan ook geen Fryske Paspoart.’

“Dipstick.”

Missie geslaagd.


TENSLOTTE

Nog even over die fonteinen...

Na het volmaken van mijn Elfstedenrondje — op mijn manier — nog even aandacht voor een paar voorbeelden van de 11Fountains, de fonteinen die in de elf Friese steden te vinden zijn.

Ik ben er onderweg verschillende tegengekomen. Sommige vond ik best aardig, bij andere keek ik wat langer en dacht ik vooral: tja... kunst.

Walter was doorgaans sneller met zijn oordeel.

“Hideous.”

Smaken verschillen natuurlijk. Wat de één prachtig, bijzonder of vernieuwend vindt, vindt een ander misschien wat te uitbundig of kitscherig. En misschien is dat ook precies wat kunst moet doen: je laten kijken en er iets van laten vinden.

Dus oordeel vooral zelf.

Vind ervan wat je ervan vindt.

Walter had zijn mening in ieder geval al klaar.

Stavoren

Stavoren


IJlst

Workum

Privacy

Ik probeer zorgvuldig om te gaan met informatie over anderen. Mocht op deze pagina toch informatie staan die naar uw mening niet openbaar hoort te zijn, neem dan contact met mij op. Ik zal dit beoordelen en waar nodig aanpassen of verwijderen.