De ondergeteekende BEREND ABBAS, stoombootkapitein te Oldehove, brengt ingevolge art. 2b en art. 3 der wet van 23 April 1880 ter algemeene kennis, dat hij voornemens is te beginnen met den 23 Juli 1881 zijne stoombootdienst Saaxum-Groningen v.v. te veranderen in Oldehove-Groningen v.v. tot welker uitoefening hij elken ZONDAG, DINSDAG, VRIJDAG en ZATERDAG- van Oldehove zal vertrekken 6 uur 's morgens om pl. m. 9 uur te Groningen aan te komen en van daar 3 uur nam. te vertrekken om pl. m. 6 uur nam. aan te komen te Oldehove.

De nieuwe naar den eisch des tijds ingerichte SCHROEFSTOOMBOOT „ONDERNEMING", is ingericht tot vervoer van 70 PERSONEN, 10.000 K.G. GOEDEREN en 4 stuks VEE. Hoewel op tusschengelegen plaatsen geene vaste gelegenheid bestaat tot het in- en uitlaten van reizigers en het laden en lossen van goederen en vee zal daartoe desverlangd zooveel mogelijk gelegenheid worden gegeven.

Het hoofdkantoor is gevestigd te Oldehove ten huize van den ondernemer. Ligplaats te Groningen buiten Apoort bij wedw. RIGA. 

TARIEF voor PASSAGIERS

Product le kaj. 2e kaj.
Van Oldehove naar Groningen of terug 60 ct. 40 ct.
Van Saaxum naar Groningen of terug 55 35
Van Ezinge naar Groningen of terug 50 35
Van Feerwerd naar Groningen of terug 45 30
Van Steentil naar Groningen of terug 35 20
Van Nieuweklap naar Groningen of terug 25 15
Van Nieuwebrug naar Groningen of terug 15 10
Van 't eene station naar het andere 15 10

Passagiersgoederen beneden 5 kilo vrij. leder 10 kilo of gedeelte daarvan hierboven 10 cent.
OLDEHOVE , 14 Juli 1881.

B. ABBAS.

bron: Nieuwe Groninger courant (14 juli 1881)


PROVINCIALE STATEN van GRONINGEN


Zitting van Donderdag 14 Juli. Aanwezig 38 leden.
Afwezig de hh. Hofman, J. van der Tank, Wildervanek, Ebbens, Borgesius en Modderman.

Na het voorlezen en goedkeuren der notulen van 4e vorige vergadering worden aan de orde gesteld de volgende punten der agenda. (...)

59. Vaststelling eener verordening, waarbij het bevaren van het Oldehoofsche kanaal met stoombooten wordt verboden.

De heer Buining stelt voor als amendement: "de conclusie van het rapport niet aan te nemen, maar stoombootvaart op het Oldehoofsche kanaal toe te staan onder beperkende bepalingen, aan ged. staten op te dragen."

In de toelichting zegt de voorzitter o. a, dat het hem niet goed voorkomt de stoombootvaart daar te verbieden. Het is wel is waar geen breed kanaal, doch van Aduard naar Groningen heeft het eene flinke breedte. Voor Oldehove en Ezinge is het van groot belang dat zij een stoomboot hebben, te meer daar ze zoover van het spoor verwijderd zijn. Spr. vindt het niet redelijk de stoombootvaart hier te verbieden omdat dit kanaal in onderhoud is bij de provincie, terwijl op andere kanalen die weinig meer capaciteit bezitten, de stoombootvaart wordt toegestaan.

De heer Leuringh stelt ook een amendement voor, n.l. om het woord: "stoombooten" te vervangen door "vaartuigen, door stoomkracht bewogen." Bovendien bestrijdt spr. het amendement-Buining. Als op dit kanaal stoombooten worden toegelaten zou de geheele weg daarlangs weldra liggen in het kanaal en de inwoners van genoemde plaatsen zouden er nog veel erger aan toe zijn. Als een kanaal geheel onbevaarbaar is vóór stoombooten, zooals dit, dient het provinciaal bestuur het bevaren door stoombooten te verbieden.

De heer Wieringa vereenigt zich met bet voorstel-Buining. Spr. is er ook niet voor om voor dit kanaal eene uitzondering te maken. Andere kanalen hebben weinig meer capaciteit, en hoewel spr. wel gelooft dat het Oldehoofsche kanaal niet bijzonder geschikt is voor stoombootverkeer, komt het hem toch voor dat door de op dit kanaal toegelaten snelheid te bepalen het bevaren door stoombooten mogelijk zou worden.

De heer Viëtor bestrijdt het amendement Leuringh, omdat een stoomboot i s een vaartuig, door stoom bewogen, en evenzoo het amendement-Buining. Deze spr. is z. i. in gebreke gebleven een bepaald kanaal aan te wijzen, waarvan de capaciteit even gering is als van het Oldehoofsche kanaal. Ged. staten konden met het advies van den hoofdingenieur in handen niet anders handelen dan zij gehandeld hebben. Van Aduard naar Groningen, heeft de heer B. gezegd, is het kanaal breed; maar dit is ook niet het Oldehoofsche kanaal. Tegen het bevaren van het Hoendiep met stoombooten bestaat geen bezwaar.

Het is den heer van Roijen voorgekomen dat de weg, door ged. staten ingeslagen, een verkeerde weg is. Spr. zou het wenschelijk geacht hebben dat de medewerking van de staten was ingeroepen om strafbepalingen vast te stellen tegen hen, die in strijd met het gevoelen van ged. staten stoombootdiensten in het leven riepen en vreest dat bij aanneming van het amendement Buining ged. staten, nu gekant tegen het stoomboot verkeer op het Oldehoofsche kanaal, toch zulke conditiën zullen stellen dat de stoombootvaart daar onmogelijk wordt.

De heer M. v. d. Tuuk deelt het bezwaar niet van den laatsten spreker. Ook is hem uit de voordracht gebleken dat zekere Abbas een stoombootdienst op het Oldehoofsche kanaal heeft opgericht. Deze had het recht daartoe, en nu vindt spr. het wel wat onbillijk dat de Staten uit de hoogheid van hun gezag dien man zijne kostwinning zullen ontnemen. Daarin vindt spr. grond het amendement-Buining aan te bevelen.

De heer Viëtor ziet die onbillijkheid niet in, zoo iets is z. i. het gevolg van elke verandering in , regeeringszaken. Door krenking van het particulier belang zullen de Staten zich toch niet laten weerhouden maatregelen te nemen in het algemeen belang! Spr. zou er toe kunnen komen te zeggen: laat ons dien man een pensioen geven, maar niet om te zijnen gerieve noodzakelijke maatregelen achterwege te laten.

De heer Alberda vindt het vreemd dat geen adressen zijn ingekomen van landbouwers, wegens schade, geleden aan hunne landerijen door de stoombooten. Dit, in verband beschouwd met den algemeenen stelregel dat de nijverheid zoo min mogelijk moet worden aan banden gelegd, leidt hem er toe vóór het amendement te stemmen.

De heer Buining zegt: niet alleen dat er geen adressen zijn ingekomen van landbouwers, klagende over schade, hun door de stoombooten toegebracht; er zijn juist adressen ingekomen van landbouwers, die landerijen aan het kanaal bezitten en die niettegenstaande dat pleiten voor het toelaten van stoombooten op het kanaal.

De heer Tichelaar wenscht te verklaren dat bij, niet is een tegenstander van nijverheid omdat hij zijne stem niet kan verleenen aan het amendement Buining. Maar hij wil de nijverheid niet bevorderen ten nadeele van derden. En wat die adressen van landbouwers betreft, spr. zegt dat deze na eenige jaren zelf wel tot eene andere meening zullen zijn gekomen. Hij is het met den heer Viëtor eens dat dit verbod is in het belang der provincie. Het Damsterdiep kost jaarlijks 9 à 10 per strekkende meter wegens afschuring der wallen door de stoombooten. Spr. zou met den heer Viëtor kunnen meegaan om dien Abbas eene soort van schadevergoeding te geven.

De heer Wieringa brengt in 't midden dat de heer Abbas niet is de eenige belanghebbende. De ingezetenen van Oldehove en Ezinge hebben evenzeer belang bij eene stoombootvaart op het bedoelde kanaal, en verreweg de meerderheid van de ingezetenen dier plaatsen hechten er groote waarde aan. Als men aan 't afkoopen ging zouden deze dus ook afgekocht moeten worden.

De heer Leuringh bestrijdt het amendement-Buining , ook op grond dat men toch geene straf bepalingen bezit om, zoo de met behulp van den heer B. opgestelde bepalingen nopens de snelheid werden over treden, die overtreders te treffen. Het belang der ingezetenen van genoemde plaatsen zal ook van korten duur zijn. Als men stoombooten toelaat, zal het kanaal weldra voor een groot deel zijn dichtgeplempt, zoodat er toch geen stoombootverkeer meer zal kunnen plaats hebben.

Het amendement-Buining wordt in stemming gebracht en met 25 tegen 13 stemmen verworpen. Vóór de h.h. M. v. d. Tuuk , Wieringa , Lewe Quintus , Jansen, Zijlker, , Schuiringa , Wierda , Buining , de Wendt Alberda, Sijpkens , Venema, Schiltbuis en Alberda. Met het amendement-Leuringh vereenigt de vergadering zich zonder stemming en daarna met de conclusie van het centraal rapport met 26 tegen 12 stemmen. Tegen stemmen de h.h. Buining, De Wendt Alberda, Sijpkens, van Roijen, Venema, Alberda, Doornbosch , M. v. d. Tuuk, Wieringa , Jansen, Zijlker en Schuiringa.

bron: Nieuwe Groninger courant (16 juli 1881)


PROVINCIALE STATEN van GRONINGEN


Zitting van Woensdag 20 Juli. Aanwezig 42 leden;
afwezig de hh. Modderman, en Wildervanck.

Na het lezen en goedkeuren der notulen van de vorige vergadering wordt door den voorzitter meegedeeld dat nog op de agenda moeten werden gebracht de volgende stemmen.

73. Adres van B. Abbas, stoomboot-ondernemer te Oldehove , strekkende dat de staten niet mogen vaststellen de verordening, waarbij het bevaren van het Oldehoofsche kanaal door stoombooten wordt verboden of haar ten minste zoodanig te wijzigen dat zijne onderneming met die van anderen gelijk worde gesteld.

De voorzitter stelt voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde van den dag. Aldus besloten.

bron: Nieuwe Groninger courant (22 juli 1881)


Stoombootdienst Ulrum-Groningen

De ondergeteekende BEREND ABBAS, stoombootkapitein te Ulrum, brengt in gevolge art. 2b en art. 3 der wet van den 23 April 1880, St.bl. no. 67 ter algemeene kennis, dat hij voornemens is te beginnen met den 3 Januari 1882, zijnen stoombootdienst Ulrum-Groningen v.v. te openen. (...)

Tegelijk brengt bovengenoemde kapitein ter kennis dat vanaf heden de stoombootdienst op Oldehove gestaakt is. 

bron: Nieuwe Groninger courant (28 december 1881)