FAMILIELEDEN
Jan Benninga
Slochteren 09 mei 1894 - Groningen 09 nov 1970
x Anna Hendrika Elslo
zn v Sievert Benninga
en Grietje Riepma
geb. 09 mei 1894 (om 04:00 uur) te Siddeburen (Slochteren) in huis van Willem Riepma (28) dagloner (erkend bij huwelijk)
(getuigen: Roelf Gras (29) landbouwer te Harkstede en Jan van Biessum (24) zonder beroep te Hoogezand)
Jan Benninga was getrouwd met Anna Henderika Elso een dochter van Jakob Elslo en Anna Dinkla.
De zus van Anna, Foske Dinkla was getrouwd met Daniël Huizinga en de moeder van Jacob Elzo Jan Huizinga. Hij en Jan waren aangetrouwde neven.
oud-gemeente architect / medeoprichter Noord Nederlandsche Wegenbouw Maatschappij
Kinderen uit het huwelijk met Grietje Riepma:
1. Sievert Jacob Benninga - 03 nov 1920 Winschoten (06 mrt 1990 Groningen)
2. Anna Grietje Benninga - 24 mrt 1922 Groningen
3. Jakob Frederik Benninga - 04 sep 1924 Loppersum (06 feb 1991 Loppersum)
4. Grieco Roelf Benninga - 03 jun 1933 Loppersum
Jan Benninga was een Nederlandse architect en wegenbouwer die vooral actief was in de provincie Groningen. Hij verwierf bekendheid door zijn grote productiviteit en door het ontwerp van meerdere Groningse gemeentehuizen. Daarnaast was hij decennialang betrokken bij woningbouw, boerderijen, utiliteitsbouw en infrastructurele projecten.
Benninga werd in geboren in een boerengezin in Siddeburen (gem. Slochteren). Na het volgen van de ambachtsschool in Appingedam ging hij aan het werk als timmerman. Hij was in de leer bij de Zuidhornster architect Klaas Siekman Azn. Tijdens zijn militaire dienst volgde hij in de avonduren een schriftelijke bouwkundige opleiding via het PBNA (Technisch Briefonderwijs). Hij behaalde het diploma Bouwkundig Opzichter en Bouwkundig Tekenaar.
Na het afronden van zijn opleiding werkte Benninga in Den Haag bij de Nederlandse Aannemingsmaatschappij v/h H.F. Boersma, die later verderging onder de naam NEDAM.
In 1922 vestigde hij zich in Loppersum. Hij werd daar aangesteld als gemeentearchitect voor de gemeenten Loppersum, Stedum, ’t Zandt en Nieuwolda. In deze functie hield hij zich niet alleen bezig met gebouwen, maar ook met het onderhoud en de aanleg van wegen. In zijn jaren als gemeentearchitect ontwierp Benninga verschillende raadhuizen in Groningen.
Gemeentehuis Loppersum (1925) (AI bewerking)
Gemeentehuis Nieuwolda (1929) (AI bewerking)
Gemeentehuis Stedum (1926) (AI bewerking)
Gemeentehuis Eenrum (1930) (AI bewerking)
Hij trok zich terug als gemeente-architect in Loppersum, per 1 januari 1928 werd hij zelfstandig architect. Hij combineerde zijn architectenpraktijk met werk in de wegenbouw. Hij werd technisch leider bij de Harlinger firma D. van Drooge, die dankzij hem een bijkantoor in Loppersum kreeg. Een paar jaar later werd deze onderneming omgevormd tot de NV Noord Nederlandsche Wegenbouw Maatschappij, waarin aanvankelijk Van Drooge, Benninga en Tamme van Hoorn elk een derde van de aandelen bezaten.
In 1930 begon ook de formele samenwerking tussen Benninga en de in Loppersum gevestigde architect Tamme van Hoorn. Deze samenwerking eindigde in 1948 met het overlijden van Van Hoorn. Samen ontwierpen zij vooral woonhuizen in en rond Loppersum, vaak gecombineerd met winkels of werkplaatsen. Ook boerderijen vormden een belangrijk onderdeel van hun gezamenlijke oeuvre.
Na het overlijden van Van Hoorn zette Benninga het bureau alleen voort onder de naam Architectenbureau Benninga. Hij bleef tot op hoge leeftijd actief. Hij overleed op 9 november 1970 in Groningen
De groei van de Noord Nederlandsche Wegenbouw Maatschappij lijkt nauw samen te vallen met de ontwikkeling van de asfaltemulsie Goudalite, geproduceerd door de Koninklijke Stearine Kaarsenfabriek in Gouda. Het exclusieve recht dat deze wegenbouwmaatschappij verkreeg om het product in de drie noordelijke provincies - Groningen, Friesland en Drenthe - te mogen gebruiken, blijkt een strategische zet te zijn geweest.
bron: Voorwaarts (24 september 1927)
Goudalite-wegen
In een brochure vertelt de Maatschappij Wegenbouw te Utrecht van Goudalite-wegen. Wat is Goudalite zal men vragen? Goudalite is een asfaltemulsie, d.w.z. het is een vloeibaar systeem, waarbij asfalt - in dit geval petroleum-bitumen - zlch in uiterst fijn verdeelden toestand in water bevindt. Deze toestand is door toevoeging van bepaalde stoffen min of meer gestabiliseerd, d.w.z. het blijft den emulsietoestand behouden, zoolang het zich in een gesloten vat bevindt, doch scheidt zich bij verwerking in hare bestanddeelen met een snelheid, welke door de verwerkingsmethode en sommige uiterlijke omstandigheden bepaald wordt. Deze snelheid van afscheiding is bij de verwerking van emulsies van het allergrootste belang. De meeste emulsies, welke thans in de handel zijn, scheiden zich bij verwerking onmiddellijk af: andere daarentegen blijven nog langen tijd daarna hun emulsietoestand bewaren. Het is de Koninklijke Stearine Kaarsenfabriek te Gouda na talrijke proeven gelukt een emulsie samen te stellen, welke in dit opzicht een gelukkige tusschenstelling inneemt.
Het Goudalite bevat ongeveer 60 procent asfalt. Afhankelijk van het beoogde doel is de penetratie van het asfalt verschillend. Zoo heeft het asfalt van "Goudalite 50" een penetratie van pl.m. 65, "Goudalite 100" een penetratie van 90 en "Goudalite 150" een penetratie van 140—150.
Verdere mededeelingen volgen over toepassing van Goudalite bij aanleg en herstel van wegen, naast foto's van wegen te Middelburg. Beverwijk, Almelo enz. waar men de proef ermee genomen heeft.
De hoofdkenmerken van Goudalitewegen zijn:
a. Ze zijn stofvrij, geluiddempend en niet glad, ook niet bij regen en vochtig weer.
b. Ze zijn duurzaam en eenvoudig te onderhouden.
c. In geval van opbrekingen voor herstel van kabels of leidingen, is het herstellen van de Goudalitedeklaag een eenvoudig en weinig kostbaar werk, hetwelk door den wegbeheerder zelf kan geschieden. Bovendien onderscheidt Goudalite zich hierin van andere constructies, dat de herstelling, mits goed aangebracht, na eenige weken aan het verkeer blootgesteld te zijn geweest, in niets van het oude dek onderscheidt.
d. Goudalitedekken zijn elastisch. Hierdoor is het mogelijk zeer dunne afdekkingen op steenslagwegen aan te brengen, die in de praktijk hun bruikbaarheid bewezen hebben. Het spreekt van zelf, dat in dit geval de fundeering voldoende sterk moet zijn om het verkeer te dragen.
bron Nieuwe Rotterdamsche Courant (01 januari 1929)