FAMILIELEDEN

Evert Jan Lubbers

Noorddijk 1895 - Groningen 1976

x Trijntje Schoonveld

zn van Jan Lubbers (51)
en Jantje Meelker

geb. 28 maart 1895 (om 06:00 uur) te Noorddijk
(getuigen: Hendrik van Dammen (36) koemelker te Noorddijk en Luitje Doorenbos (28) veldwachter te Euvelgunne)


Kinderen (tussen haakjes beroep vader) uit het huwelijk met Trijntje Schoonveld:

1. Jantje Lubbers - 17 dec 1916 Noorddijk (25 februari 2004 Tynaarlo) (timmerknecht)
2. Grietje Lubbers - 26 nov 1918 Noorddijk (15 dec 1918 Noorddijk) (timmerman)
3. Tjapke Jan Lubbers - 19 mei 1921 Noorddijk (2006 Delfzijl) (timmerman)


In 1895 was Nederland een constitutionele monarchie onder koning Wilhelmina der Nederlanden (toen nog minderjarig; haar moeder Emma van Waldeck-Pyrmont trad op als regentes).

Het land telde ongeveer 5 miljoen inwoners en was nog sterk agrarisch, maar de industrialisatie nam toe, vooral in steden als Amsterdam en Rotterdam. De havens groeiden snel door de internationale handel, mede dankzij de verbindingen met Nederlands-Indië.

De samenleving was duidelijk verzuild: katholieken, protestanten, liberalen en socialisten hadden elk hun eigen organisaties, kranten en scholen. Het kiesrecht was nog beperkt tot mannen met voldoende inkomen (censuskiesrecht), al werd er steeds meer gediscussieerd over uitbreiding ervan.

Technologische vooruitgang deed zijn intrede: spoorwegen verbonden het land, stoommachines dreven fabrieken aan en in de grotere steden verscheen elektrische straatverlichting. Tegelijk leefde een groot deel van de bevolking nog in eenvoudige omstandigheden, vooral op het platteland en in arbeiderswijken.

Kortom, Nederland in 1895 stond op de drempel van de moderne tijd: traditioneel en agrarisch van karakter, maar duidelijk in beweging richting industrialisatie en maatschappelijke hervormingen.


Evert's vader, Jan, was een dagloner die zijn brood verdiende met diverse werkzaamheden voor boeren in de omgeving van Engelbert en Middelbert, in de provincie Groningen. Op 47-jarige leeftijd trouwde hij met de 29-jarige dienstbode Jantje Meelker, afkomstig uit Garmerwolde. Het lijkt erop dat Jantje niet in dienst was van een welgestelde boer; anders had haar beroep wellicht als boerenmeid vermeld kunnen worden. Hoe dan ook, op de een of andere manier kruisten de paden van Jan en Jantje elkaar, wat leidde tot hun huwelijk in het voorjaar van 1891, op 23 mei, in Noorddijk.

Vóór hun huwelijk op 5 februari 1887 was Jantje's eerste kind al geboren, een dochter genaamd Geessien, die wettelijk gezien zonder erkende vader ter wereld kwam. Na het huwelijk erkende Jan haar als dochter. 

Na hun huwelijk liet het enige tijd op zich wachten voordat hun eerste gezamenlijke kind geboren werd: mijn overgrootvader, Evert Jan, die ik gelukkig nog enkele jaren heb mogen meemaken. Hij werd op 28 maart 1895 geboren, vermoedelijk in Engelbert of Middelbert, in elk geval in de gemeente Noorddijk.

Er is weinig bekend over zijn eerste jaren als kind. Waarschijnlijk heeft hij de openbare lagere school in Engelbert bezocht. Pas wanneer hij aan het vervolgonderwijs begint, wordt zijn pad iets duidelijker. In tegenstelling tot zijn vader, lijkt hij de kans te hebben gekregen om een ambacht te leren via de ambachtsschool in Groningen. Na een verkennende fase kwam hij tot de conclusie dat het timmervak hem het meest aantrok; het plan was dan ook om timmerman te worden. Hoewel het onbekend blijft, had hij evengoed machinewerker of schilder kunnen worden, aangezien ook die opleidingsmogelijkheden beschikbaar waren.

Om een idee te krijgen van omvang van de ambachtsschool in die jaren, ben ik op zoek gegaan naar wat cijfers, zo vond ik een vermelding in de krant over het jaar 1908.


Nieuwe cursus, eindigde 31 mrt. 210 leerlingen (109 bankwerkers, 62 timmervak, 24 meubelvak, 15 huisschilderen). 

60 woonden buiten de gemeente. op 31 december 1908 waren er 196 leerlingen. het schoolverzuim was gemiddeld 2,85%. 103 leerlingen werden vrijgesteld van schoolgeld. 18 leerlingen kregen een toelage uit het fonds ter ondersteuning van jongelieden. op 31 januari 1908 waren er 31 leerlingen op de machinistenschool. op de avondteekenschool begin van het jaar 1908 161 leerlingen.

Eerste rij, tweede van links, Evert.

(Familiearchief Lubbers - AI bewerking)

Ambachtsschool Groningen

(AI bewerking)

Tegelijkertijd is dit ook het eerste jaar van de tijd op de Ambachtsschool voor mijn overgrootvader, in het voorjaar van 1909 wordt hij bevorderd van klas 1 naar 2 zo blijkt uit een bericht in de krant. In 1910 haalt hij nog een keer de krant, als hij van klas 2 naar 3 is gepromoveerd. Om tenslotte in 1911 wederom de krant te halen, maar nu als geslaagd timmerman.

N.V. Groninger Steenfabrieken Ruischerbrug (AI bewerking)

Stel je voor: je verlaat de school met een diploma en een gereedschapskist, helemaal klaar om de wereld te tonen wat je met je nieuwe vaardigheden kunt bereiken. Maar dan... moet er wel geld worden verdiend. Dit alles in een tijd van sociale onrust, waarin oneerlijke arbeidsomstandigheden aan de orde van de dag waren. Er werd gestaakt, er waren gesprekken, en zo hier en daar triomfeerde het recht van de arbeider.

Evert begon niet meteen aan de glansrijke carrière als timmerman die hij wellicht voor ogen had. Ofschoon zijn vader, die bij velen in de omgeving bekend was, mogelijk invloed uitoefende, lijkt het erop dat Evert zijn werkzame leven startte in de steenfabriek van NV Groninger Steenfabrieken in Ruischerbrug. De exacte details over wat hij daar deed en hoe lang hij werkzaam was, zijn mij niet bekend. Wel bewaarde zijn vader Jan notities over de activiteiten van zijn zoon, waarvan een aantal gelukkig is behouden.

Met (seizoens)onderbrekingen lijkt Evert in ieder geval zijn eerste jaar als fabrieksarbeider doorgebracht te hebben, tussen de klei en de stenen, vlakbij huis. Jan noteert: "Evert aan 't werk gekomen fl. 4,- per week" (7 april 1911). Dit lijkt de eerste vermelding te zijn, kort na zijn diploma van de ambachtsschool de maand ervoor. In een artikel van die tijd uit de krant van de steenfabriek komen verschillende beroepen voorbij: kleigravers, afsnijders, rekkenzetters, alzakkers en overzetters. Het was vooral handarbeid. Met een dagloner als vader, de ambachtsschool als extra gereedschap en een sterke werkethiek werd er niet geklaagd, maar gewoon aangepakt; tijd om de handen uit de mouwen te steken.

Op 14 oktober een notitie: "Evert jas en vest gekregen." Misschien wel gekocht van zijn eerste verdiende en gespaarde geld. In februari 1912 kom ik een nieuwe vermelding tegen: "Evert weer aan ’t werk bij Steenfabriek (14 cent per uur)." Waarom er "weer" vermeld staat, is mij onbekend. Het is goed mogelijk dat het strengste deel van de winter werd overgeslagen voor bepaalde werkzaamheden in de steenfabriek, denk hierbij aan het kleigraven. Tegen het einde van februari wordt dat al een stuk gemakkelijker.


Van het bestuur der tichelwerkersvereeniging Door eendracht sterke ontvingen wij in zake de staking aan de steenfabriek te Ruischerbrug een schrijven, waarin het tracht aan te toonen, dat de staking gerechtvaardigd is, onze loonen toch, zoo voeren zij aan, varieeren bij dagwerk (in de zomermaanden) van t 8.50 tot f 9 a flO per week en in de wintermaanden f 6.50 tot f 7 bij een werktijd van 5 tot 6 uui met 1 uur schalt. Daar het steenbakkersbedrij I het grootste deel ten minste, uit stukwerk be staat, zoo kunnen wij dan zeggen, heet he verder, dat stukwerk naar evenredigheid van dagloon word bepaald of omgekeerd. Zoo ne men dan bijvoorbeeld de kleigravers, afsnijders, rekkenzetters, alzakkers aan het vervaardigen van 1000 steenen tegen een prijs van 53'/_ et, zegge drie en vijftigen halve cent Zoo komen wi] 'dan tot bovengenoemde loonen. Onze eischen zijn nu geen 53Va maar 65yz et pei duizend steenen. De overzetters die per stukwerk 50 et. per duizend ontvangen, vragen nu 57 et. en een werktijd van 6—6 uur. Het be richt, dat de vorige weck in sommige bladen verscheen, als zou de eisch der overwerkers zijn ingewilligd, berust volgens het bestuur op een onjuiste mededeeling.


bron: Nieuwsblad van het Noorden (29 april 1912)

In 1912 was het voor mijn overgrootvader geen prettig jaar. Hij was net bezig om zich als arbeider te bewijzen en had zijn eerste salaris verdiend, toen hij in de zomer van dat jaar op een, eh, onfortuinlijke manier gewond raakte. Zijn vader noteert: "6-13 juni niet gewerkt (gat in 't hooft)." Gelukkig voegt hij ook toe "13 juni ongevallenwet." Sociale wetten bewezen al snel hun waarde.

In november van datzelfde jaar begon Evert, volgens de notities van zijn vader Jan, opnieuw te werken bij "Van der Lei". Wie of wat Van der Lei precies was, blijft onbekend. Vermoedelijk ging het om een hout- of timmerbedrijf(je), of misschien was het gewoon één van de voormannen van de steenfabriek waar hij zich na zijn verwonding weer meldde.

Het jaar daarop in de lente van 1913 meldt Evert zich aan de Meeuwerderweg in Groningen, tussen 31 maart en 5 april bij B. Scheering Timmerfabriek. Daarover vond ik een kleine vergunningsaanvraag in de krant.

B. SCHEERING en zijne rechtverkrijgenden tot het uitbreiden van de timmerfabriek in het perceel gemerkt nr. 8, kadastraal bekend gemeente Groningen sectie B nr. 5147 aan den Meeuwerderweg, door het plaatsen van een electro-motor van 4 p.k., zooals bedoeld in zijn adres van den 14den Mei 1914 en de daarbij, behoorende beschrijving en teekening en onder de volgende voorwaarden:

1e. De electro-motor van 4 p.k. en de daardoor in werking te brengen fraismachine moeten worden geplaatst in het midden van de bestaande inrichting op steenen voetingen, welke uit den vasten bodem zijn opgetrokken;
2e. Overbrenging van beweging moet door riemen en schijven en mag niet door raderen worden verkregen;
3e. De drijfas waardoor de beweging op de werktuigen wordt overgebracht, mag niet aan de bestaande balklaag noch aan een der muren van het gebouw worden bevestigd, blijvende de voorwaarden, verbonden aan het besluit van den 1sten Juni 1910 nr. 2, geheel onverlet, en verder met bepaling dat de inrichting moet zijn voltooid en in werking gebracht voor of op den 1sten September 1914.

Groningen, 25 Juni 1914.
Burg. en Weth. voornoemd:
E. Tj. VAN STARKENBORGH.
De Secretarie:
A. PEKELHARING.

bron: Nieuwe Groninger courant (07 juli 1914)

We zijn inmiddels in het jaar 1914 aangekomen. Uit Jan's notities blijkt: "Evert is op 2 maart 18c/pu aan het werk gezet. Het is mogelijk dat Evert nog "gewoon" werkte bij Scheering aan de Meeuwerderweg. Echter, gezien de vermelding van een (nieuw?) uurloon, is het goed mogelijk dat hij ergens anders is begonnen. Hoe dan ook, hij verdiende genoeg om een nieuwe fiets te kopen voor fl. 45,- aldus Jan. Dit lijkt een aanzienlijk bedrag, vooral in verhouding tot het uurloon.

De Eerste Wereldoorlog staat op het punt volledig te ontbranden, om grote delen van West-Europa in vuur en vlam te zetten. Nederland blijft neutraal en onthoudt zich van officiële gevechtshandelingen. Uit deze tijd stamt een foto van Evert in een treinwagon, met het opschrift "Opkomst". Het lijkt erop dat hij deel uitmaakt van een mobilisatie van troepen. Echter, deze afbeelding is geen officiële foto, zoals die zou zijn gemaakt tijdens de militaire keuring of de opkomst voor zijn nummer.

In werkelijkheid betreft het een foto-opstelling, een gebruikelijke praktijk bij fotografen in de stad gedurende die tijd. Misschien is het voor de familie bedoeld, om een fotodocument van de soldaat te bewaren voor het geval dat, of simpelweg omdat het kon. De exacte motivatie erachter is onbekend, maar het is een prachtige afbeelding uit die periode. Iets anders dan de gebruikelijke statige portretten.

Ik heb in de archieven verder gezocht naar informatie over zijn militaire verleden. Was hij ooit in militaire dienst? Archiefstukken tonen aan dat dit niet het geval was. De timmermansknecht, met een lagere en ambachtsschool als opleidingsachtergrond en een lengte van 1,738 m, werd op 16 juni 1914, slechts zes weken voor de eerste gevechtshandelingen van de oorlog, ongeschikt bevonden voor militaire dienst. Dit gebeurde echter niet vanwege lichamelijke gebreken, die zouden duidelijk zijn vermeld, maar om onbekende redenen. 

DE FAMILIENAAM LUBBERS

De familienaam Lubbers is afkomstig van Jan Steven Everts, die waarschijnlijk rond het einde van 1811 deze keuze maakte. Op 8 januari 1812 werd zijn gekozen familienaam officieel geregistreerd. Dit markeerde het einde van de gebruikelijke patroniemen (zoon van), beïnvloed door de Franse wetgeving.

Evert Jan Lubbers
1895-1976
Trijntje Schoonveld

Jan Lubbers
(-1932
Jantje Meelker

Evert Jans Lubbers
(1810-1870)
Johanna Jans Heringa

 

Jan Steven Everts Lubbers
(1779-
Stijntje Lammerts Stientje Huiseling

Familienaam wordt gekozen
"LUBBERS"

Evert Klaassens
Grietjen Jans

Acte van aangave
Compareerde voor ons Maire der gemeente Noorddijk canton Hogezand Arrondissement Groningen Departement van de Wester-Eems, Jan Stevens Everts Lubbers wonende te Engelberd welke verklaarde dat hij aanneemd tot zijnen familie-naam of namen van den naam van Lubbers en tot zijnen voornaam of voornamen den naam of namen van Jan Stevens Everts dat hij heeft twee zonen namentlijk Lammert Jans oud 4 jaren wonende te Engelberd Evert Jans oud 1 jaar wonnende te Engelberd.

En heeft de comparant voornoemd deze acte nevens mij verteekend te Noorddijk de 9 januari 1812.

Lubbers                                            Van Swinderen

Jan Lubbers (Evert's vader) hield in dagelijke boekjes bij wat hij gedurende de dag aan werkzaamheden had gedaan, bij welk boer en voor welke tijdsduur. Zadat hij aan het eind zijn verdiende loon kon gaan innen. Tussen alle verslagen door, was er ook ruimte voor persoonlijke notities van familiezaken, vooral lijkt hij zich te onfermen over zijn zoon. Helaas ontbreekt het gedeelte over de bouw van Evert Jan's eerste huis rond 1922.


Jan's werkzaamheden: schapen scheren, voeren, melken, kalf van koe trekken, mest uitkralen, tuingraven, schoffelen, mest laden, mest strooien, bulten slaan, mest mennen, stal schonen, hooien, wieden, maaien, koe naar markt, sloothoek, dorschen.


Aan het einde van 1918 doorkruist een zware crisis het gezin van Evert en Trijntje. Hun tweede kindje, een dochter genaamd Grietje, komt eind november ter wereld, maar moet helaas na slechts drie weken al afscheid nemen van het leven. In de vroege lente van 1919 verschijnt er een advertentie waarin een kinderwagen te koop wordt aangeboden. Hoogstwaarschijnlijk gaat het om dé kinderwagen waarin Grietje haar eerste tijd als baby had moeten doorbrengen. Het mocht echter niet zo zijn.

bron: Groninger dagblad (22 maart 1919)

In 1921 verwelkomen Evert en Trijntje hun langverwachte gezinsuitbreiding met de geboorte van hun zoon Tjapke Jan. Van zijn kinderjaren zijn er echter geen krantenberichten van vader Evert bekend.

In 1922 verschijnt de naam van Evert in de Staatscourant. Hij lijkt in aanmerking te komen voor een vergoeding voor de bouw van twee woningen in de gemeente Noorddijk. Het is nog niet met zekerheid te zeggen — dat moet ik verder onderzoeken — maar het zou kunnen gaan om de realisatie van een dubbele woning op Euvelgunne, die inderdaad ooit is gebouwd.


MINISTERIE VAN ARBEID.
N0. XXXVIII, afdeeling Volksgezondheid.
De Minister van Arbeid:

Beschikkende op de verzoeken van de besturen der in onderstaanden staat in kolom 2 vermelde gemeenten om bijdragen uit 's Rijks kas ten behoeve van den bouw van het in kolom 3 van dien staat vermelde aantal woningen, door de in kolom 5 genoemde belanghebbenden;

Gelet op de bepalingen van het Koninklijk besluit van 8 November 1920 n°. 29;

Heeft goedgevonden:

1°. in te trekken zijn beschikking:
n°. XXVII, gepubliceerd in het bijvoegsel tot de Staatscourant van 18/19 November 1921, n°. 225, voor zooveel betreft volgnummer 50;
n°. VII, gepubliceerd in het bijvoegsel tot de Staatscourant van 1/2 Juli 1921, n°. 126, voor zooveel betreft volgnummer 93;
n°. XXXI, gepubliceerd in het bijvoegsel tot de Staatscourant van 17/18 Februari 1922, n°. 35, voor zooveel betreft volgnummer 272 en 482;
n°. XXXVI, gepubliceerd in het bijvoegsel tot de Staatscourant van 5/6 Mei 1922, n°. 88, voor zooveel betreft volgnummer 125;
n°. VI, gepubliceerd in het bijvoegsel tot de Staatscourant van 24/25 Juni 1921, n°. 121, voor zooveel betreft volgnummer 330;

2°. ten behoeve van bedoelde bouwplannen aan de in kolom 2 van onderstaanden staat genoemde gemeenten toe te kennen uit 's Rijks kas de in kolom 4 genoemde bijdragen, welke bijdragen zullen worden uitbetaald - voor zooveel het plannen van één woning betreft - in eens, wanneer de woning glas- en waterdicht is, en - voor zooveel het betreft plannen van 2 of meer woningen - in eens, wanneer de woningen glas- en waterdicht zijn, of, desgewenscht, in drie even groote termijnen, en wei: de eerste, wanneer het trasraam gereed is; de tweede, wanneer is aangevangen met de bekapping; en de derde, wanneer de woningen glas- en waterdicht zijn, of wel: de eerste, wanneer de paalfundeering gereed is; de tweede, wanneer de eerste balklaag is gelegd; en de derde, wanneer de woningen glas-en waterdicht zijn, een en ander blijkende uit bij de aanvragen om uitbetaling over te leggen verklaringen van het gemeentelijk bouwtoezicht of van B. en W. omtrent den stand van het werk, met dien verstande, dat de uitbetaling niet zal plaats hebben, indien blijken mocht, dat op het tijdstip, waarop de aanvrage om toekenning van steun werd gedaan, reeds met den bouw was aangevangen;

3°. te bepalen, dat onder voorwaarde: de toekenning van de bijdragen geschiedt onder voorwaarde:

a. dat met den bouw der woningen binnen drie maanden na dagteekening dezer beschikking moet zijn aangevangen, en
b. dat van dezen aanvang terstond kennis wordt gegeven aan den hoofdinspecteur voor de Volkshuisvesting, den heer H. van der Kaa, Ten Hovestraat 49, 's Gravenhage;
4°. aan B. en W. van de in kolom 2 onder volgnummer 39, 42, 53, 66, 155 en 188 genoemde gemeenten te berichten, dat op het verzoek om hypothecair crediet nader zal worden beschikt;
5°. aan B. en W. van de in kolom 2 onder volgnummer 20, 87, 109 en 197 genoemde gemeenten te berichten, dat het verzoek om hypothecair voorschot niet voor inwilliging vatbaar is;
6°. voor zooveel noodig de aandacht van de besturen der betrokken gemeenten er op te vestigen:
a. dat ingevolge de nieuwe premieregeling, vervat in de circulaire van 28 December 1921, n°. 8641 Z, afd. V., verzoeken om toekenning van hypothecair crediet voor woningen met een inhoud van meer dan 300M³. of waarvan de bouwkosten meer dan f 4000 bedragen, niet voor inwilliging vatbaar zijn;
b. dat voor zoover belanghebbenden, die de woning willen verhuren, nog niet hebben overgelegd een opgave van de te bedingen huur, uitbetaling niet zal plaats hebben vóór dat die opgave is overgelegd.

nr gemeente aantal woningen bedrag der bijdrage naam belanghebbende
135 Noorddijk 2 1.720,- E.J. Lubbers

bron: Nederlandsche staatscourant (20 mei 1922)

In 1922 kwam ook Oosterhoogebrug A195 gereed. Het eerste bouwproject van Evert.

Gevelstenen behorende bij A195 Oosterhoogebrug 1922

Links de gevelsteen met de initialen van de eerste eigenaar en bouwer, mijn overgrootvader Evert Jan Lubbers en een deel van het jaartal 19 (bouwjaar).

Aan de rechterkant de initialen van Trijntje Schoonveld mijn overgrootmoeder en de vrouw van Evert, gevolgd door de laatste twee getallen van het jaartal, namelijk "22".

In 1924 bestond de bevolking der gemeente Noorddijk op 1 januari uit: 1.048 mannen en 949 vrouwen, een totaal  van 1.007. De bevolking op 1 januari 1925 bestond uit 1.096 mannen en 999 vrouwen, een totaal van 2.095. Gedurende 1924 werden 18 huwelijken gesloten.


Op 24 januari 1925 lijkt het huis van Evert in Middelbert onder  dwang verkocht te worden, maar dit is niet het geval, ondanks dat een verkooping van vastgoed bekend werd gemaakt in een notariële advertentie van 10 januari in het Nieuwsblad van het Noorden, spreekt een advertentie van dezelfde notaris in dezelfde krant, op 17 januari dit tegen. De verkooping gaat niet door, aldus het bericht.

Misschien was dan geen gedwongen verkoop meer, of werden er andere afspraken gemaakt. Toch noteert vader Jan
, dat zaterdag 24 januari 1925 Evert's huis verkocht werd  voor fl. 1.223,- (fl. 12,- huur en 21 aren grond groot (2.100 m²). 

1926

bron: Nieuwsblad van het Noorden (12 juni 1926) 

(AI bewerking)

1927

bron: Nieuwsblad van het Noorden (18 mei 1927)

1928

bron: Nieuwsblad van het Noorden (20 oktober 1928)

bron: Nieuwsblad van het Noorden (16 november 1928)

 
In december van 1929 wordt Evert's huis in Middelbert onder dwang verkocht. Vader Jan zegt daarover; "Evert zijn huis gerechtlijk verkocht som 2.100 Gulden." Helaas vertelt hij verder niets, of het een drama was of (gewoon) business as usual is onbekend. Dat moet ik nog verder onderzoeken.

Twee dagen voor de gedwongen verkooping op 16 december, is Evert "aan ’t werk gekomen" als timmerman bij de gevangenis aan de Verlengde Hereweg in Groningen.

Rond 1929 was de gevangenis aan de Verlengde Hereweg 128 in Groningen in gebruik als een Strafgevangenis en (hulp)Huis van Bewaring. De inrichting functioneerde als een reguliere strafgevangenis. Het was ontworpen voor ongeveer 210 gedetineerden, met als doel straffen op een cellulaire wijze (apart van elkaar) uit te voeren.

bron: Nieuwsblad van het Noorden (07 /14 december 1929)

De krantenadvertenties spreken over een beroep op artikel 1223 van het Burgerlijk Wetboek.

Ik heb uitgezocht wat dit artikel zegt. In iets eenvoudiger taal, zegt het dat een schuldeiser:

  1. eerst een executoriale titel moest hebben (bijv. vonnis),

  2. daarna beslag kon leggen,

  3. om dan via een formele executieprocedure het onroerend goed verkopen.

Maar art. 1223 lid 2 maakte het voor de eerste hypotheekhouder veel eenvoudiger:

Hij kreeg een vorm van “parate executie”: direct verkopen zonder eerst beslag te leggen.

Het eerste lid van art. 1223 bepaalde dat een hypotheekhouder zich het goed niet simpelweg mocht toe-eigenen bij wanbetaling.
Hij mocht alleen verkopen — niet zelf eigenaar worden.

Samengevat:

Artikel 1223 (oud BW) gaf de eerste hypotheekhouder het recht om bij wanbetaling het verhypothekeerde pand zelfstandig en openbaar te verkopen, zonder eerst beslag te leggen, mits dat recht in de hypotheekakte was vastgelegd.


In (misschien 1926) en zeker in 1927, 1928 en 1930 duikt het adres Oosterhoogebrug A230, terwijl er dus ook een huis was in Middelbert, een plan voor een dubbele woning en een nieuw huis (1922) in Oosterhoogebrug, waar hij zou wonen. Hoe het precies in elkaar stak moet ik nog onderzoeken.

In 1930 verschijnt een advertentie voor een zo goed als nieuwe meisjesfiets. Dochter Jantje was toen 13 jaar oud. Zij zou goed gebruik kunnen maken van de fiets, op weg naar de industrieschool. Maar misschien was ze te oud voor deze fiets. Waarom die dan net gekocht lijkt te zijn is onbekend.

bron: Nieuwsblad van het Noorden (15 februari 1930)

Evert en Trijntje - Oosterhoogebrug A195

(AI bewerking)

 

Evert solliciteerde in 1938 bij de Rijksgebouwendienst en was daar jarenlang werkzaam als timmerman in de gevangenis aan de Verlengde Hereweg in Groningen.

Gevangenis Groningen Verlengde Hereweg – Gemeentearchief Groningen
Nationaal Gevangenismuseum (bewerking)

Familiearchief Lubbers (bewerking)

In 1939 lijkt het erop dat de eerste cementpannen die (sinds 1922) op Oosterhoogebrug A195 lagen aan vervanging toe waren, 1.500 van dergelijke pannen gingen in de verkoop (samen een paar bosfazanten en een lindenboom).

bron: Nieuwsblad van het Noorden (08 april 1939)

bron: Nieuwsblad van het Noorden (10 mei 1939)


In 1939 werd de straat waaraan Oosterhoogebrug A195 staat, opgenomen in het Rijkswegenplan 1938, wat betekende dat de weg een specifieke breedte zou krijgen, geasfalteerd zou worden met toevoeging van een rijwielpad en- van een voetpad.

Juist dat laatste betekende dat er grond nodig was, die in het bezit was van de bewoners. In het algemeen belang werd daarom een deel van de grond onteigend. Voor Evert hiel dat in dat hij 47 m² moest opofferen voor de vooruitgang. Dit staat gelijk aan een strook grond van ongeveer 15 meter breed (de breedte van het perceel) en 3,13 meter diep.


KONINKLIJKE BESLUITEN

BESLUIT
van den 27 October 1939 tot aanwijzing van de perceelen, welke voor aanleg van een vrijliggend rijwielpad en- van een voetpad aan de noordwestzijde van weg n°. 41, Rijkswegenplan 1938, Groningen-Appingedam-Delfzijl, in de gemeenten Noorddijk en Ten Boer onteigend zullen moeten worden.

27 Oct. 1939. No. 31.

Wij   W I L H E L M I N A ,   bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van
- Oranje - Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van 5 October 1939, La. S 1 , Directie van den Waterstaat, tot aanwijzing van de perceelen, welke voor aanleg van een vrijliggend rijwielpad en van een voetpad aan de noordwestzijde van weg no. 41, Rijkswegenplan 1938, Groningen-Appingedam-Delfzijl, in de gemeenten Noorddijk en Ten Boer onteigend zullen moeten worden;

Gelet op de onteigeningswet;

Gezien de processen-verbaal van de zittingen, welke volgens artikel 72 a in verband met de artikelen 63 en 10 dier wet door eene commissie uit Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, bijgestaan door den vanwege het algemeen bestuur aangewezen deskundige en het hoofd van het gemeentebestuur in de gemeenten Noorddijk en Ten Boer zijn gehouden, ten einde de bezwaren van belanghebbenden tegen de voorgenomen onteigening en het plan van het werk aan te hooren, nadat voor zooveel noodig aan artikel 72a in verband met de artikelen 64 en 11 en 12 der wet was voldaan;

Den Raad van State gehoord (advies van 17 October 1939, n 6 . 36); Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 24 October 1939, n°. 434, Directie van den Waterstaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

I. te bepalen, dat ten behoeve van de bovenomschreven werken ten algemeenen nutte, ten name van het Rijk, binnen de gemeenten Noorddijk en Ten Boer zullen worden onteigend de perceelen, aangeduid op de grondteekeningen, welke ingevolge artikel 12 der onteigeningswet ter inzage van een ieder hebben gelegen, en vermeld op den bij dit besluit gevoegden staat;

II. den termijn, waarbinnen de vordering tot onteigening moet worden ingesteld, te bepalen op achttien maanden na de dagteekening van de Staatscourant, waarin dit besluit is openbaar gemaakt.

Onze Minister voornoemd is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in de Staatscourant zal worden geplaatst en in afschrift aan den Raad van State zal worden medegedeeld.

's-Gravenhage, den 27 October 1939.

W I L H E L M I N A .

De Minister van Waterstaat,
J. W. Albarda.

bron: Nederlandsche staatscourant (08 november 1939)