Maaike

21 sep 1967 [ † 11 dec 2016 ]

In die roerige periode kwam Maaike in mijn leven.

Ik was onrustig, roekeloos bijna, en verlangde naar een maatje. Iemand om dingen mee te doen die ik eigenlijk met degene op het werk had willen doen. Samen ergens heen. Een hapje eten. Een dag weg. Praten over gevoelens en gedachten. Niet over voetbal of auto’s of technisch gedoe, maar over wat mensen vanbinnen beweegt.

Dus meldde ik me aan op een datingsite.

Ik schreef wat vrouwen aan. Weinig gebeurde. Tot Maaike.

[ persoonlijk en exclusief ]

Maaike Janssen. Een jaar ouder dan ik. Zangeres in een rockband. Overdag werkte ze ergens bij een energie-ondersteunend bedrijf. Ze woonde in Friesland, niet ver van Harlingen.

We spraken af op neutraal terrein, in Beetsterzwaag. Een restaurant halverwege. We aten samen, praatten, wandelden nog even in het bos. Zij vertelde over een verbroken relatie. Ik vertelde over mijn vreemde band met mijn collega.

Na afloop voelde ik geen klik.

Ik mailde haar dat ook. Eerlijk, misschien te snel. Maar Maaike zei dat ik niet moest opgeven. Dat het tijd nodig had. Dat niet alles meteen vuurwerk hoefde te zijn.

We bleven elkaar zien.

Ik bezocht haar. Zij bezocht mij. We deden uitstapjes. Maar het bleef zwaar. Alsof er steeds iets tussen ons in zat. Misschien was dat mijn collega. Misschien mijn onvermogen om werkelijk beschikbaar te zijn. Misschien waren Maaike en ik gewoon te verschillend.

Zij hield van rockmuziek. Ik niet. Zij had haar eigen beschadigingen. Verhalen over vroeger die bizar en pijnlijk waren (...)

Maaike had diabetes type 1, net als ik later ook zou krijgen. Ze moest spuiten, was sneller moe. Ik hield daar rekening mee. Ik wilde goed zijn. Zorgzaam. Begrijpend.

Maar zorgzaamheid is geen liefde.

Ik vroeg haar mee naar Denemarken. Misschien zou een andere omgeving de ban breken. Geen hotel, maar een trekkershut. Twee aparte slaapplaatsen. Simpel, overzichtelijk, veilig. Ik kende Denemarken goed en wilde haar dingen laten zien. Kopenhagen. Vikingplekken. Kastelen. Wegen waar ik me thuis voelde.

We deden dingen. We zagen mooie plaatsen. Maar blij werd het niet.

De foto’s van die vakantie laten geen twee mensen zien die loskomen. Er hangt iets overheen. Een waas. Een ernst die niet weg wil.

Later gingen we nog een tweede keer naar Denemarken. Dat liep mis. In de auto vond ze me te stil. Ik zei dat ik me moest concentreren op het rijden. Maar de waarheid was dat ik leeg was. Zonder klik raakte de gespreksstof op.

We waren onderweg naar een kasteel toen ze vroeg waarom ik haar eigenlijk meenam als ik toch niet met haar praatte.

Ik keerde om.

Terug naar de hut.

De volgende dag pakten we onze spullen en reden in één keer terug naar Groningen.

Acht uur stilte.

Daarna heb ik haar niet meer gezien.

Met Maaike kon ik breken.

Rigoureus.

Direct.

Maar mijn collega loslaten kon ik niet.

Later vond ik een kladblokvel terug. Ongedateerd. Iets wat ik na de breuk met Maaike aan mijn collega had geschreven.

Ik schreef dat Maaike me in harde woorden had toegesproken. Dat ze me met haar psychogeklets de put in praatte. Dat zij vond dat ik mijn leven moest veranderen en dat daar geen plaats was voor “dat K**WIJF (...)”. Dat deed pijn.

En toen schreef ik aan mijn collega:

Jou laat ik echt nooit vallen.

Voor niemand niet.

Toen ik dat later teruglas, schrok ik.

Niet alleen van de woorden. Maar van de diepte ervan. Ik had het over haar helpen overleven. Alsof ik haar laatste reddingsboei was. Alsof zonder mij alles zou instorten.

Maar zij stortte niet in.

Ik wel.

Maaike had misschien geprobeerd mij wakker te schudden. Hardhandig, lomp misschien, maar met een kern van waarheid.

Ik wilde het niet horen.

Het maakte mij alleen maar vastberadener om me nog sterker aan mijn collega vast te klampen.