Zomer 1981

De zomer van 1981 begon voor mij niet op een datum in een agenda. Niet op de eerste vakantiedag. Nee, die zomer begon pas echt op het moment dat ik haar zag.

Toen wist ik natuurlijk nog niet dat je zoiets later je eerste verliefdheid noemt. Ik was twaalf en verliefdheid hoorde bij oudere jongens, bij mensen die al brommers hadden of naar schoolfeesten gingen waar langzaam gedanst werd. Ik wist alleen dat er iets veranderde zodra zij in de buurt was. Alsof de lucht warmer werd. Alsof de camping plotseling groter en mooier was dan ooit tevoren.

Ze was tien, een lieve brunette met donkere ogen waarin altijd iets ondeugends leek te schuilen. Een katholiek meisje met vier voornamen, waarvan er minstens twee variaties op Maria waren. 

Onze caravans stonden naast elkaar op camping De Rammelbeek. Voor mij voelde die camping als een tweede thuis. Mijn ouders kwamen er al sinds begin jaren zeventig. Ik had de plek zien veranderen van een kale plek in een echte camping, compleet met zwemvijver, kantine en georganiseerde activiteiten voor kinderen. Elk jaar dezelfde geur van nat gras in de ochtend, zonnebrandcrème in de middag en houtskool van de barbecues in de avond.

Maar in al die jaren had ik nooit iemand ontmoet zoals zij.

Ze was de middelste van drie zussen: de oudste, die vooral met wat oudere jongeren optrok, en haar jongere zusje die iedereen Pippi noemde vanwege haar rossige haar en eindeloze energie. We speelden tussen de caravans, zwommen samen in de vijver en deden mee aan allerlei activiteiten die de camping organiseerde.

Soms denk ik dat mijn herinneringen mooier zijn geworden dan de werkelijkheid ooit was. In mijn hoofd schijnt die zomer altijd zon.

[ combinatie van twee vage vakantiefoto's - AI heeft de gezichten verbouwd ]

We deden mee aan een soort stoelendans op pony’s. Het idee was dat je van je pony moest springen zodra de muziek stopte en zo snel mogelijk een stoel moest bemachtigen. Wie er uiteindelijk won, weet ik allang niet meer.

Wat ik wel nog weet, is die avond bij de kantine.

Er was muziek. Disco. Lampjes. De geur van barbecue hing tussen de bomen. Een dj draaide platen terwijl volwassenen bier dronken en kinderen deden alsof ze al groot waren. Zij droeg volgens mij iets in lichtblauwe kleur.

En toen dansten we.

Of wat voor dansen doorging als je twaalf bent.

Uit de luidsprekers klonk Hands Up van Ottawan. Nog steeds, wanneer ik dat nummer hoor, ben ik onmiddellijk terug op die campingavond in 1981. Dan zie ik haar weer voor me onder de gekleurde lampjes, lachend, onschuldig, alsof de wereld nooit ingewikkeld zou worden.

De vakantie leek eeuwig te duren, tot ineens de laatste week aanbrak.

Ik wist nog niet hoe afscheid voelde, niet echt. Niet het soort afscheid waarbij je ergens van binnen beseft dat iets misschien nooit meer terugkomt. Op de laatste dag maakte ik foto’s van haar en haar zussen bij het bord “Bezoekers” naast de parkeerplaats. Onze ouders spraken over het opsturen van de vakantiefoto’s. Zij en ik wisselden adressen uit, samen met onze geboortedata, alsof dat voldoende was om elkaar nooit kwijt te raken.

Daarna vertrokken we terug naar huis. De  vakantie zat erop.

En zo verdween ze uit mijn leven.

In het begin dacht ik dat we vanzelf contact zouden houden. Mijn ouders maakten extra afdrukken van de foto’s, maar weken werden maanden en niemand stuurde iets op. Uiteindelijk schreef ik zelf een brief. Een stuntelige brief waarschijnlijk, geschreven door een jongen die niet wist hoe hij moest uitleggen waarom hij eigenlijk schreef.

Ik kreeg geen antwoord.

Misschien schreef ik nog een tweede brief. Dat weet ik niet meer zeker. Wat ik wel weet, is hoe vaak ik daarna aan haar dacht.

Wanneer we opnieuw naar De Rammelbeek gingen, keek ik automatisch of haar caravan er stond. 

Later zocht ik haar in telefoonboeken. Dat klinkt nu bijna absurd, in een tijd waarin je binnen seconden iemand kunt vinden via internet. Maar toen was een telefoonboek een schatkaart. Jarenlang stond haar familienaam nog op hetzelfde adres. Tot hij ineens verdween.

Dat voelde definitief.

Toch liet ik het nooit helemaal los.

Op een dag reisde ik zelfs met de trein naar haar oude woonplaats. Ik liep langs haar straat, zag het huis vlak bij de Titus Brandsmaschool en bleef aan de overkant staan. Ik durfde niet aan te bellen. Misschien was ik bang dat ze er niet meer woonde. Misschien was ik nog banger dat ze wél open zou doen.

Later ontdekte ik dat ze toen inderdaad al verhuisd was.

Soms, tijdens het opruimen, vond ik de oude foto’s terug. Korrelig. Onscherp. Maar telkens bleef mijn blik op haar hangen.

Toen internet kwam, veranderde alles. Ineens kon je zoeken. Mensen terugvinden. Verbanden leggen. Ik begon met stamboomonderzoek en gebruikte dezelfde methodes om haar spoor opnieuw op te pakken. Via-via hoorde ik dat haar vader overleden was. Dat ze later in Breda had gewoond. Ik vond oude adressen, oude namen, oud-klasgenoten.

Maar hoe dichter ik leek te komen, hoe meer twijfel ik voelde.

Wat zocht ik eigenlijk?

Haar?

Of de jongen die ik zelf ooit was geweest?

Want herinneringen hebben iets kwetsbaars. Ze blijven mooi zolang je ze niet aanraakt. Ik was bang dat de werkelijkheid de magie van die zomer zou breken. Misschien was ze allang iemand anders geworden. Misschien ik ook.

Waarschijnlijk was dat onvermijdelijk.

Toch bleef ik zoeken.

Niet altijd actief. Soms jarenlang helemaal niet. Maar ergens bleef ze bestaan. In een liedje van Ottawan. In vergeelde vakantiefoto’s. In de geur van een camping op een warme zomerdag.

En soms vraag ik me af of zij zich die zomer ook nog herinnert.

Of ik ergens nog besta in haar herinneringen.

Als die jongen van twaalf.

Die dacht dat een zomer eeuwig kon duren.