Tussen regels

[ persoonlijk en exclusief ]

Het begon met een foto. Een onscherpe MMS, ergens op een maandagochtend in januari. Ik vroeg of ze hem had ontvangen. Zij zei ja. Ik vroeg of ik er nog één mocht sturen. Zij zei: is goed.
Het was niets bijzonders. En toch bleef ik daarna schrijven.
In het begin ging het over kleine dingen. Werk. Telefoons die niet deden wat ze moesten doen. Een wachtwoord dat kwijt was. Een virus dat waarschijnlijk niets voorstelde maar toch opgelost moest worden.
Ik loste het op.
Ik loste alles op.
Niet omdat het moest, maar omdat ik het leuk vond. Omdat zij reageerde. Omdat haar naam op mijn scherm verscheen en ik dan even rechtop ging zitten, alsof iemand mij had aangekeken

Ze werkte op een kamer verderop. Soms zagen we elkaar niet eens die dag, maar spraken we elkaar vaker dan collega’s die naast elkaar zaten.
Ik stuurde berichten zoals anderen ademhaalden.
“Ben je er nog?”
“Druk zeker?”
“Laat maar hoor 😉”
Altijd luchtig. Altijd een grapje. Altijd een opening.
Zij antwoordde meestal.
Kort. Nuchter. Praktisch.
Maar ze antwoordde.
En dat was genoeg om door te gaan.
In april werd het een ritme.
We mailden zoals anderen chatten. Zinnen zonder hoofdletters. Woorden die uitgerekt werden tot geluid. “Doeiiiiii.” “Laterrrrr.” Alsof het belangrijk was dat de ander hoorde hoe het klonk, niet alleen wat er stond.

Ik wist wanneer ze pauze had. Wanneer ze bijna vrij was. Wanneer ze te druk was om echt te reageren, maar toch iets terugstuurde.

Ik begon haar te missen op momenten dat ze er gewoon nog was.

Ik noemde haar mijn favoriete collega.

Niet hardop, maar wel in woorden die daar net naast zaten. Ik zei dat ik veel over had voor vrienden. Dat ik eerlijkheid belangrijk vond. Vertrouwen. Dat sommige dingen beter tussen twee mensen konden blijven.

Zij zei dat er op haar afdeling bijna niemand te vertrouwen was.

Behalve ik.

En nog iemand.

Maar dat maakte niet uit.

Ik hoorde alleen dat ik erbij hoorde.

Soms zat er een steek onder mijn grapjes.

Als ze met iemand anders meerijdt, schrijf ik: “leuk ja… voor hem dan 😉”

Ik lach er zelf bij.

Zij ook, waarschijnlijk.

Maar ik meen het een beetje.

Ze nodigde mij een keer thuis uit.

“Veel persoonlijker,” schreef ze.

Ik las die zin vaker dan nodig was. Liet hem een tijdje openstaan op mijn scherm. Alsof ik iets moest onthouden dat ik nog niet helemaal begreep.

In juni zat ik alleen.

Dat schreef ik ook.

“Ben je er nog… zit hier in m’n uppie…”

Het was een grap, half. Maar ook niet.

Ik begon te merken dat ik wachtte. Niet gewoon keek of er een mail was, maar wachtte. Op haar. Op iets dat van haar kwam en dat mijn dag weer op gang bracht.

Zij had het druk.

Dat zei ze vaker.

Ik geloofde haar ook. Echt.

Maar ik vertaalde het toch.

Druk werd: minder tijd voor mij.

Minder tijd werd: minder behoefte.

Minder behoefte werd: misschien iets kwijt.

Dus schreef ik meer.

Niet zichtbaar meer. Maar net genoeg.

In september ging het mis zonder dat er iets gebeurde.

Ik maakte een grap. (...) Het was overdreven, duidelijk niet serieus.

Maar het ging te ver.

Ik voelde dat meteen.

Ik schreef daarna zorgzamer. Rustiger. Serieuzer.

“Je moet een beetje aan jezelf denken.”

“Ik hoop dat je er snel weer bovenop bent.”

Ik bedoelde het.

Misschien bedoelde ik het al langer dan ik zelf doorhad.

Die week schreef ik dat ik er altijd voor haar was.

Altijd.

Ik zette het bijna in hoofdletters.

Alsof dat nodig was.

Alsof zij het anders niet zou geloven.

Of ikzelf.

Zij bleef antwoorden zoals ze altijd deed.

Niet koud. Niet warm genoeg.

Precies daartussen.

Ze hield de deur open, maar zette geen stap naar voren.

En dat verschil begon ruimte te maken.

In oktober schreef ik een kaartje.

Niet echt een afscheid. Niet helemaal.

“Het was leuk je gekend te hebben…”

Ik maakte er een grap van. Natuurlijk.

Ik maakte overal een grap van.

Maar daarna schreef ik dat ik haar zou missen.

Echt.

En dat ik daar wel overheen zou komen.

Dat laatste was belangrijk.

Voor haar.

Of voor mij.

Na die kaart werd het stil.

Niet meteen. Maar langzaam.

Zoals een gesprek dat niet stopt, maar dunner wordt. Minder vanzelfsprekend. Minder nodig.

Jaren later zou niemand precies kunnen aanwijzen wat het was geweest.

Geen affaire.

Geen vriendschap zoals andere.

Geen gemiste kans die ooit uitgesproken werd.

Het zat ergens tussen regels.

 

En als iemand het mij later had gevraagd, had ik waarschijnlijk gezegd:

 

“Gewoon een collega.”

 

En daarna, iets zachter:

 

“Maar wel een leuke.”